GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

GRONINGER BRIEVEN

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

GRONINGER BRIEVEN

11 minuten leestijd

RECTIFICATIE.

In de eerste regel van het vorig artikel moet tiet woordje door vervallen. In 3e kolom, regel 12 v. boven niet: Ortega en Gasselt, maar: Ortega y Gasset.

Amice frater.

Wij moeten temidden van de zware zorgen. d)2 ons kunnen drukken, niet vergeten te letten op hetgeen in di; wereld buiten ons kleine land geschiedt. De vraag, de bang« vraag rijst: is er bekeering merkbaar? Ik wil mij nu 'bepalen tol het Fransche en het Duitsche volk. '

Dat er niets nieuws is cnder de zon kan blijken uit het feit, dat tal van Fransdhe schrijvers, vol vrees voor Allemagne, hun volk vermanen niet te vergeten, étt Hitler weï verslagen is, maar dat de nazigeest in Éluitschland nog heerscht, vooral bij de jeugd. Niet alleen Hitler, maar. het Duitsche volk wordt verantwoordelijk gesteld voor het vreeselijke, wat dit volk aandurfde. Zoo ging het ook in 1870, toen Duitschland de overwinnaar was. De verslagene is gewoonlijk de boosdoener. De overwinnaars zijn de nobele lieden.

Groen van Prinsterer vertelt in zijn „Nedierlandsche gedachten" van 1870 van een Duitschen hoogleeraar, die ivi een plechtige academische zitting, niet Napoleon III, maar het Fransdie volk verantwoordelijk sielde. Alle volken waren vredelievend, maar het Fransche volk was de gedurige onruststoker. Een pest voor Europa en de wereld.

Men stond voor de keuze tusschen twee middfelen: of dat Fransche volk uitroeien, zooals de ivoodhuiden werden vernietigd, of het volkomen af te sluiten vai. de wereld en het zich zelf te laten vernietigen.

Zoo (fvordt thans, in de huidige Fransche literatuur overwogen hoe men handelen moet met de Oostelijke buren.

Twee wegen, dJus zegt een der litteratoren, ^taan vcKjr ons open: de Duitschers uitroeien of ze bekeeren.

Het eerste gaat niet. Dus blijft de tweede weg open. Maar hoe dat te doen? Amerikaansche vermaningen helpen niet. Men moet missionairs, nieuwe „apostelen" zenden naar het Duitsche rijk. Maar zullen de Duitschers luisteren? Evenmin als men na den dertigjarigen oorlog kon verwachten, dat het volk van Luther zou.teruggekeerd zijn tot den schoot der Roomsche kerk door er veel Mariabeeldjes heen te zenden.

Het schijnt een onoplosbaar probleem. Curieus is het middel van een zekeren Weyer, die den grammaticalen weg wil bewandelen, Men moet uit de Duitsche taal verwijderen het woord: werden — worden — en het vervangen door sollen — plicht — of wollen. Nu dat zou al heel gemakkelijk zijn.

Deze man zoekt overigens de kwaal heel diep. De Duitschers zijn een mengsel zegt hij van Lathijnen — vandaar de zin voor organisatie — Germanen — vandaar de oorlogs- Zdcht, — en Slaven — vandaar de gedachte de wereld te zullen overwinnen. Zelfs de Hanza moet dienen om de wreedheid en rooverij der Duitschers ons duidelijk te maken.

Nu — dan zijn wij er ook dichtbij. Albert Béguin is ernstiger. Hij zegt: het Duitsche kwaad is niet alleen voor rekening van dat volk. Het is een accent op het kwaad waaronder heel Europa gebukt gaat. Wij moeten ons allen bekeeren. Maar een antwoord: hoe, weet hij niet te geven. Het blijft bij woorden als Liberté en Salut. Maar waar dit heil te vinden.

Merkwaardig is dat in Frankrijk een gesprek gaande is tusschen enkele hekende Jiugenoten — als Boegner bijv. — en Jesuïten. De laatstgenoemden willen, dat de Bijlrêl weer gebracht wordt in de Fransche gezinnen. Het is hier te lande ook een Jesuit, die een gelijke gedachte propageert en zelfs zegt, dat de prediking en het onderwijs voor de Roomsche jeugd Christocentrisch moeten zijn. In het protestantsche weekblad „Réforme" las ik iets over een enquête, van Dominicaansche zijde, onder de Roomsche katholiekien gehouden, over de vraag: hoe de ernstige Christen zich tegenover de wereld heeft te gedragen.

Die vraag houdt vele christenen, ook in ons land, bezig naar wij weten. Er zijn er die zeggen: wij moeten uit de afzondering, uit de puriteinsche isoleering uit. Wij moeten ons midden in de wereld werpen, met de daad. De wereld met al het mooie, dat zij heeft kloek aanvaarden, bioscoop, dans, enz. De Christenen moeten zijn als een jonge vrouw, die zich niet op het sleeptouw laat nemen door de mode, maar zelve zorgt de mode voor de wereld te bepalen. Onderwijl heel modieus gekleed. / '

Wij moeten een geweldig optimisme kennen. De wereld is voor het Christendom te veroveren, mits het christelijkhumanisme wil zijn. De wereld aanvaarden, om haar dan naar een nieuw ideaal te geleiden. Daartegenover kernen echter — ook in , , Réforme" — waarschuwingen.

Er zijn er, die vfijzen op het woord van onzen Heiland: in de wereld, niet van de wereld. Maar boe. dan te handelen?

Wij moeten op eigen terrein blijven, zegt men dan, in ie hoop, dat er toch nog uitkomst zij voor ons zinkend Europa.

Want als rrij een .drenkeling willen helpen, behooren wij vóór alles te zorgen, niet zelve met hem te verdrinken.

Wat hier echter het heel erge is?

Geconstateerd wordt, dat zoo rioomsche als Protestantsche christenen niet meer hun kracht willen putten uit het kruis van Christus. En, dat zij ondergraven het besef van zonde.

Wanneer, dus zegt een der Fransche schrijvers, ik naga, wat dit christelijk-humanisme wil, dan loopt alles uit op een Amerikaansdi pragmatisme, ja, dit humanisme gaat tamelijk wel parallel met het atheïsme van den communist. De mensch zoekt zijn waarde en kracht in zich zelf. Dit ultrapersonalisme verwordt tot godloochening.

Wij zien, dat in het buitenland dezelfde stromingen merkbaar zijn als hier te lande.

Het is Erasmus, die redding zal bieden. Daar is een nieuwe Renaissance; waar is de Reformatie? Het op den voorgrond zetten van den persoon des men., schen, personalisme, en dan „personalistisch socialisme", van den arbeid, als het eenige Wat de mensch heelt om zich zelf te redden — partij van den arbeid — het meeloopen van menschen, die zeggen den Christus te belijden me*, lieden, die, hoezeer zij van God spreken, toch eigenlijk alleen den mensch, zijn hoogere kwaliteiten, bedoelen, het is alles buitengemeen droef.

Maar nu het Duitsche volk. Het is daar waarlijk niet alleen nazi-klank, wat men er verneemt, hoezeer deie geest nog spri iglevend is oirfer ome Oostelijke naburen.

In „Réforme" vond ik een interview met, , een Göttinger professor, Eschmann, een humanist naar Gcethe, die gewaagt van de herleving van het protestantisme, vooral onder de jongelieden aan die hoogeschool. Er wordi een tijdschrift uitgegegeven: „Die Sammlung", waa. in de nieuwe ideeën vertolking vinden. Men gevoelt daar voor een liberaal protestantisme, waarin ook sociaal democraten zich kunnen vinden. Tout comme chcz nous. Net als bij ons, naar men ziet. Op politiek gebied is er de Christelijk-democratische beweging, waarin Roomschen «n Protestanten willen samenwerken. Een coalitie, die bier niet meer mogelijk schijnt.

Men keert zich tegen Nietzsche en Hegel. Maar ook stelt men zich te weer tegen de pessimistische wijsbegeerte van Heidegger, en evenzeer tegen het existentialisme van Jaspers, die zoekt naar eefi moreele basis voor een nieuw leven. Wij willen hopen, dat die basis sterker zal zijn, dan die Jaspers eens gaf als slot van een zeer pessimistisch betoog: laten wij ons herinneren dat wij menschen zijn. Verder kwam onze Huizinga feitelijk ook niet. En wat zou dat baten? Maar goed — Heidegger wordt afgewezen. Men kan het ontzettend kwaad, dat deze filosofie sticht, in Frankrijk gewaar - worden, waar velen daaromtrent zeer ongerust zijn. Met ziet het daar in boeken van Le ^Sartre, waarin het „leven" in zoo beestachtige vormen wordt geteekend, dat velen lezers haast den adem wordt 'benomen. En die man trekt veel aandacht in Parijs. Werd zelfs naar Amerika geroepen.

Maar wat zoekt men dan in Duitschland?

Daar is een sterke mystieke strooming; het subjectivisme viert in die kringen hoogtij. Merkwaardig is de bekentenis, die ik in een ander Fransch blad las, dat de volgelingen van Kierkegaard nu Le Sartre naloopen en zuivere atheïsten werden. Behoeft het ons te verwonderen, als wij weten, dat volgens dezen wonderlijken Deenschen wijze, onze God niet dan subjectiviteit is?

Het subjectivisme, dat in sterke mate weer in onze gereformeerde kerken doordringt, is een ontzettend gevaar voor alle waarlijk Christelijke leven.

Het is merkwaardig, dat in mystieke kringen in Duitschland — in „Réforme" wordt zelfs van een „school" gesproken — de voornaamste lectuur is d'Angelus Silesius, Jacob Böhme, Novalis en Eckehart.

Dus eigenlijk niet eens mystieken maar spiritualisten, de gevaarlijkste vijanden van alle Reformatie, ook van de/ Reformatie in de zestiende eeuw. Mami'x van St. Aldegonde zou zeggen: veel gevaarlijker dan de Roomsche dwalingen.

Er is sprake van een „religieuse extase". Maar wij iherinneren ons, dat Rosenberg, de leeraar van het naitionaal-socialisme, in zijn bekende boek „Der Mythus des 20 Jalirhui^erts" een breed hoofdstuk wijdt aan Ëcke- . hart met zijn ; , adelige Seele", d.'i. dan de Nordische ziel, die ver boven God uitgaat en die zegt: ware aber ich nicht, so ware auch Gott nicht.

Dat is volgens Rosenberg de kracht van het nationaal socialisme, dat'de wereld een nieuw ideaal en nieuwe wereld brengen moest.

Voorts is er, dus Escnmann, de theologische dialectiek van Karl Barth en NiemöHer.

Wie weet niet, hoe schrikkelijk de afval is, die hier te lande door diezelfde theologie woidt gewerkt?

/ndertijd, eenige jaren voor den oorlog, be've< rde men in de „Nederlander", dat Bruimer veel bouwstof gaf vóór de Christelijke politiek.

Ik heb in de „Standaard" toen geragd: geen bouwstof maar springstof. Welnu '— men ziet hoe de „Nederlander"' werd veroverd door de Barthianen, cUe "nu met de sociaal-

democraten in de partij van den arbeid vroolijk meelóoptn.

Gelulkkig is er in de Christelijk historische partij ook een herleving ten goede, maar hoe zit men met die vele orthodoxe predikanten, die vol ijver, in h.t gareel van de partij van den arbeid gebonden, doen, alsof zij ons volk en vaderland zullen redden uit allen nood.

Men gewaagt dus voor het Duitsohe volk van een liberaalprotestantisme, een christelijk-humanisme, en van een mystiek-protestantisme, en dat alles doet denken aan de ernstige waarschuwingen van onzen Groen in zijn da; gen tegen het , .protestantisme", diat niets betekent, - als het niet gehoorzaam' terugkeert tot de volkomen onderworpenheid aan het Woord van God en de • oude belijdenis van de kerk der Reformatie.

Eschmarm ziet het kwaad, de decadentie van Europa, in het doordringen van de politiek in de intellectueele kringen. Daar proeft men weer de fout van het Duitsche volk de «euwen door. Maar Goethe zal zeker geen behoud brengen. En de mystiek evenmin.

Dit alles nu is weinig opwekkend. Hoe weinig benjerkt men in Europa van een waaraditige verootmoediging, van waarlijke bekeering, van terugkeer tot den Christus der Schriften.

Men ziet ten onzent allerwege weer veel drukte omtrent de „Mattheus-passion". Maar-ook dit bewijst waarlijk niet, dat men de redding zoekt in het kruis van onzen Heiland en Heere.

Terugkeerend tot ons eigen arme land, thans een prooi 'van dat gevaarlijk optimisme, dat zijn kracht niet zoekt bij Calvijn of Luther maar bij Erasmus en de humanisten, die zich dan ook Christelijk noemen, mogen wij, Gode zij dank van een Reformatie gewagen.

Maar deze' Reformatie wordt juist in de gereformeerde kerken met alle kracht tegengewerkt, en die haar in den Naam des Heeren prediken, worden uitgestooten; en, als er van revisie sprake is, moet gezegd: deze is erger dan het ergste.

Toch moeten wij den moed niet verliezen, want het is niet de hoogmoedige mensch die regeert, maar onze Heere Jezus Christus zit tér rechterhand Gods en Hij regeert.

Maar wat moet er van Europa worden, als het geen acht slaat-op de oordeelen die roepen tot bekeering?

De stem des Heeren is todh zoo duidelijk te hooren.

Als wij alleen maar letten op al het roepen over sociale hervorming, over het brengen van de geweldigste verzekeringen voor ieder, van de wieg tot het graf, op de rijke techtiiek, die de Koning der koningen deze arme wereld schonk, op een ontwikkeling van het verkeer, die heel de wereld kon samenbinden, terwijl er toch gezegd moet vrorden: ons wacht een hongersnood.

Men was Ps. 104 vergeten: „Zij ^allen wachten op U, dat Gij hunne spijze geeft te zijner tijd. Geeft Gij ze hun, zij "i'ergaderen ze; doet Gij uwe hand open, iij worden met goed verzadigd. Verbergt Gij uw aangezicht, zij worden verschrikt; neemt Gij himnen adem weg, zij sterven en zij keeren weder tot hun stof".

Zoo blijft het ten allen tijde. En daarom .zeide onze Heiland en Heere: zoekt eerst het Koninkrijk Gods en alle dingen zullen u worden toegeworpen.

Maar de volkeren van Europa willen niet, dat de' Christus der Schriften Koning over hen zal zijn, en zij Zijn gewillige onderdanen.

V.^ant dat is het Koninkrijk Gods.. Met hartelijke.groeten en heilbedo Uw toegenegen

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 27 april 1946

De Reformatie | 8 Pagina's

GRONINGER BRIEVEN

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 27 april 1946

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken