GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Bezwaarden over en onder de Synodocratie.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Bezwaarden over en onder de Synodocratie.

13 minuten leestijd

5

Wij gaan nu luisteren naar wat de hoofdredacteur van „De Wachter" tijdens en over jiet conflict, waarin de Gereformeerde Kerken eenerzijds den weg van de secte werden opgedreven en zij, andererzijds, ook tot een hernieuwde vrijmaking-in-Christus werden geleid, als zijn profetische boodschap liet hooren.

Van meet af stond ds Rietberg toen hoog opgericht en scherp rondom zich speurend, op zijn redacdiepost. Niets van de synodale woorden en daden ontging hem. Onmiddellijk reageerde hij in zijn blad op alle besluiten en gebeurtenissen. En — zijn reacties waren van den aanvang af een scherpe kritiek, die zelfs, naarmate de crisis ernstiger werd en al meer om zich heen greep, steeds feller werd.

Ds Rietberg belichtte, zooals bekend is, vooral de kerkrechtelijke manipulaties van de beide synodes, welke de breuk in de Gereformeerde Kerken forceerden. Maar hij sprak zich toch ook niet minder ondubbelzinnig over de leergeschillen uit.

En zijn uitspraken waren een volstrekte a f w ij - zing van wat de synode had vastgesteld!

Hoe zou het ook anders kunnen?

Ds Rietberg verdedigde vijf en dertig jaren de opvattingen welke in de kringen der afgescheidenen door mannen als Helenius de Cock, Lindeboom, Bos en Ten Hoor waren verdedigd. Zou hij zich dan in de hem resteerende vijf jaren ambtelijken dienst kunnen buigen onder wat hij steeds had afgewezen?

De oude reformatorische gedachte, door Lindeboom eenmaal in de vierde van de bekende „Vijf Stellingen" geformuleerd, deze n.l., dat de doop niet beteekent en verzegelt „wat IN den doopeling AANWEZIG IS of VOORONDERSTELD WORDT aanwezig te zijn, maar de beloften van het Genadeverbond, in het Evangelie geopenbaard", had hij met hart en ziel aanvaard en ten grondslag gelegd aan heel zijn ambtelijken arbeid.

Dr Smilde moge thans beweren, dat deze stelling in 1905 werd veroordeeld en de Synode van 1945 moge dat inderdaad en uitdrukkelijk hebben gedaan — ds Rietberg hield haar met heel zijn hart vast en hij bezwoer zijn Wachter-mannen in 1943, dat het „geheel onjuist" is te beweren, „dat in 1905 de verbondsbeschouwing, die aan de „vierde stelling" ten grondslag ligt, veroordeeld is. Vanaf 1905 zijn er zeer velen in onze kerken geweest, en er zijn er nog altijd zeer velen, die de zoo even genoemde verbondsbeschouwing aanhangen en die ook openlijk leeren en prediken. Tot nu toe is is nooit iemand daarover bemoeilijkt. Het zou voor onze kerken zeer ongewenscht zijn, indien men een anderen weg zou inslaan". 1)

Juist in den tijd toen de leeruitspraken van 1942 werden geboren en den volke bekend gemaakt, kruiste ds Rietberg den degen met prof. Aalders. Hij onderwierp de bekende verbondsconstructie van dezen hoogleeraar aan een scherpe en rake kritiek. En hij spreekt zich dan manmoedig en overduidelijk uit omtrent nagenoeg alle kwesties welke ten aanzien van de leer van verbond en doop in geding waren.

Wanneer hij b.v. moet ingaan op de vraag, wie door den HEERE in zijn verbond zijn opgenomen, betoogt hij met klem dat wij moeten uitgaan van het „zoo duidelijk geleerde feit, dat God Zijn Verbond oprichtte met de geloovigen en hun zaad.

Wel blijkt het, dat er onder dat zaad zijn, die niet willen en in ongeloovigheid volharden, maar dit doet aan dat feit niets af.

God heeft ook de zoodanigen in Zijn Verbond opgenomen". 2)

Als wij ons in ons gelooven en denken binden aan Gods verbondsbelofte: „Ik ben uw God en de God van uw zaad", dan komen we z.i. tot een geheel andere conclusie dan waartoe prof. Aalders kwam. Voor dezen zijn alleen de uitverkorenen „w e z e n 1 ij k e" bondelingen. De andere gedoopten zijn maar „onechte" dito. Wie evenwel met de belofte van het genadeverbond ten volle ernst maken, kunnen niet anders doen, dan met het Doopsformulier in alle gedoopten erfgenamen van het rijk Gods en van Zijn verbond te zien! Zij gelooven, dat deze allen „in het verbond Gods en in zijn gemeente begrepen" zijn. Zij houden zich zoo doende „met onze belijdenisschriften aan het geopenbaarde, dat voor ons en voor onze kinderen is, terwijl de verborgen dingen voor den Heere onzen God zijn". 3)

Van de onderscheiding, welke prof. Aalders in zijn verbondsleer invoert, n.l. die van „wezen" en „verschijning" van het verbond moet ds Rietberg niets hebben! Ze is naar zijn overtuiging volkomen vreemd aan de Schrift, die van de „zekere tegenstrijdigheid" welke door het hanteeren van deze distinctie wordt te voorschijn geroepen niets weet. Ze verlamt de werkelijke schriftuurlijke vermaning en waarschuwing van alle gedoopte bondelingen. En ze geeft geen ruimte voor de door de Schrift zoo duidelijk gepredikte verbondsvloek en verbondswraak.

Het Doopsformulier der Geref. Kerken weet dan ook van deze professorale constructies niets af.

„Ons formulier ziet alle kinderen der geloovigen als kinderen des verbonds, als wezenlijke bondelingen.

Het uitgangspunt is, dat God, de Drieëenige Verbondsgod, de geloovigen met al hun kinderen in Zgn verbond heeft opgenomen, waarbij er geen sprake van is, , dat dit alleen maar zou gelden van de uitverkoren kinderen.

Denk b.v. aan deze verklaring: „En hoewel onze kinderen deze dingen niet verstaan, zoo mag men ze nochtans daarom van den Doop niet uitsluiten, aangezien zij ook zonder hun weten der verdoemenis in Adam deelachtig zijn, en alzoo ook weder in Christus tot genade aangenomen worden".

Dit geldt van ALLE kinderen der geloovigen.

Van a 1 die kinderen wordt zonder uitzondering gezegd, dat zij zonder hun weten der verdoemenis in , Adam deelachtig zijn.

Maar dan geldt ook van alle kinderen, dat zij ALZOO, (op dezelfde manier, in denzelfden zin, dus: zonder hun weten) in Christus tot genade aangenomen worden.

Dit is voor geen tweeërlei uitlegging vatbaar. Zoowel het een als het ander geldt voor alle kinderen der geloovigen.

Wij mogen hierbij niet zeggen: het eerste geldt voor alle kinderen, het tweede alleen voor de uitverkoren kinderen.

Neen, ook bij het „weder in Christus tot genade aangenomen" heeft ons Formulier het oog op al de kinderen der geloovigen.

Vandaar dat er aanstonds op volgt, dat God Zijn verbondsbelofte aan Abraham „overzulks mede tot ons en onze kinderen" spreekt. Ook hier wordt weer gehandeld over a 1 de kinderen en worden zij allen aangemerkt als bondelingen tot wie de Heere Zijn belofte laat uitgaan.

Ons formulier zegt het dus anders dan prof, Aalders". 4)

Geleid door deze inzichten komt nu ds Rietberg natuurlijk ook tot een totaal andere doopsopvatting dan prof. Aalders c.s.

Zooals eenmaal de besnijdenis, aldus de Wachterredacteur, is ook de doop voor ALLEN die dit sacrament ontvangen „een zi jcl des verbonds en der gerechtigheid des geioofs.

„De besnijdenis erzegelde niet de een of andere inwendige g'enade of heiligheid, maar het verbond Gods, verzegelde dat God die kinderen in Zijn verbond had opgenomen. Daarom werd hun door de besnijdenis ook verzegeld , , de gerechtigheid des geloof s"."

Wanneer een besnedene ongeloovig bleef „was hij een verbreker van het verbond, dat hem door zijn besnijdenis verzegeld was, was hij een verwerper van de gerechtigheid des geloofs, hem in zijn besnijdenis verzegeld, en trof hem de verbondswraak en verbondsvloek. Maar in weerwil van zijn ongeloovigheid bleef hem zijn besnijdenis „een zegel des verbonds en der gerechtigheid des geloofs". Daardoor werd zijn gericht en zijn verdoemenis des te zwaarder". 5)

Precies hetzelfde moet nu gezegd worden van den doop en de doopelingen, want de doop is in de plaats van de besnijdenis gekomen.

A1s, dat wil zeggen „in de hoedanigheid van", erfgenamen van het rijk Gods en van zijn verbond worden kinderen der geloovigen gedoopt. En „dit geldt van ALLE kinderen der geloovigen. Onderscheid wordt hier niet gemaakt. Er wordt niet gezegd: de uitverkoren kinderen, neen, er staat: DE kinderen". 6)

Zóó, in die hoedanigheid moeten wij nu de kinderen ten doop houden „en in het opgroeien bearbeiden". Want „ons Formulier zegt niet, dat wij „met een oordeel der liefde" onze kinderen moeten houden voor erfgenamen van het rijk Gods en van Zijn verbond, totdat in het opwassen het tegendeel blijkt. Van zulk „een oordeel der liefde", waardoor wij onze kinderen voor het een of ander houden, totdat het later anders blijkt, weet ons Doopsformulier evenmin iets als een van onze belijdenisschriften".

De kerk belijdt hier de waarheid Gods: De kinderen ZIJN erfgenamen van het rijk Gods en van Zijn verbond, en als zoodanig zal men hen doopen.

Aan deze waarheid moeten wij vasthouden, van haar moeten wij uitgaan bij het beschouwen en het bearbeiden van de gedoopte kinderen der gemeente". 7)

Natuurlijk beteekent dit niet, „dat alle gedoopten zalig worden, zoodat gedoopt zijn en behouden worden hetzelfde zou zijn.

Verre van daar! Gods Woord en onze formulieren leeren dit wel anders.

Ook gedoopten, bondelingen, worden gewaarschuwd voor het verderf en opgeroepen tot geloof en bekeering. Wie hiervan niet weten wil, misbruikt het verbond en den doop. JEr wordt in de Schrift niet voor niets waarschuwend gesproken over kinderen des koninkrijks, die worden buitengeworpen en gezegd, dat Christus gekomen is tot het Z ij n e, maar dat d e 2 ij n e n hem niet hebben aangenomen.

Maar dit laatste doet niets af van de waarheid, dat DE kinderen erfgenamen zijn van het rijk Gods en van Zijn verbond.

Er zijn echter erfgenamen, die hun erfenis verwerpen, die in den Erflater niet gelooven willen. Dat zijn de ongeloovige, de ongehoorzame bondelingen, die Gods verbond minachten en den weg gaan van God af. Dat zijn de bondsbrekers, tegen wie de God des verbonds Zijn bedreiging handhaaft, die Hij treft met Zijn verbondswraak en verbondsvloek. Evengoed als Izak en Ismaël besneden als erfgenaam van hst rijk Gods en van Zijn verbond". 8)

Het is weer volkomen duidelijk, dat deze beweringen, evenals die van ds Feenstra, rechtdraads ingaan tegen wat de Synodes van 1942—1947 hebben uitgesproken. Juist die dingen, welke de Synode zonder eenige reserve wilde handhaven, worden door ds Rietberg volstrekt afgewezen!

Hij heeft getrouwelijk niets geleerd dan wat met de aangenomen leeruitspraken volkomen in strijd is.

En hij doet, voor zoover wij weten, (Jat nóg!

Toch heeft ds Rietberg zich niet het meest geweerd in de dogmatische worsteling. Hij hanteerde zijn zwaard en boog bij voorkeur op het kerkrechtelijke front.

En dat heeft hij rusteloos gedaan. Bij iedere nieuwe geste der Synodes wees hij de fouten en zonden, welke tegen het oude gereformeerde kerkrecht bedreven werden, zonder sparen aan.

Geen wonder, dat „De Heraut" boos op hem werd. In toorn ontstoken sprak ze over hem als , , de leider van De Wachter", die zijn „scherpe pijlen" naar de Synode schoot. 9)

Maar ds Rietberg stoorde zich óók toen aan het oordeel van „De Heraut" niet!

En toen de kerkrechtelijke zonden der Synodes in de schorsing van prof. Schilder tot de vreeselijk.ste en duidelijkste openbaring kwamen, ontplooide ook de kritiek van ds Rietberg haar grootste kracht.

Zooals steeds, handhaafde hij ook in de ernstige situatie van voorjaar 1944 het recht van iecier kerklid om de besluiten van een Synode — óók publiek — te bespreken, te toetsen en desnoods af te wijzen.

Van verschillende zijden — zoo schreef ds Rietberg — „werd mij reeds de vraag gesteld, of dit besluit der Synode besproken mag wórden.

Dit mag niet alleen, maar dit moet. Het recht hiertoe heeft iedere kerkelijke vergadering en ook ieder lid der kerk. Wie tegen dit besluit bezwaren heeft, is voor den Koning der kerk verplicht zijn bezwaren uit te spreken. Het is in onze kerken niet zóó, dat een besluit goed is, omdat de Synode het nam. Ook een Generale Synode kan dwalen. Als er een besluit gevallen is, waarvan wij meenen, dat het in strijd is met Gods Woord, d^ belijdenis of de Kerkorde, dan zullen wij ertegen moeten protesteeren, al zouden wij ook alleen staan. Wij mogen en moeten zulk een besluit en de gronden, die ertoe geleid hebben, toetsen.

En hiervan is de kerkelijke pers niet uitgesloten. Het recht om over Synode-besluiten te handelen kan aan de pers niet ontzegd worden, 'k Herinner er even aan hoe dr A. Kuyper Snr. o.a. in 1893 dit recht uitdrukkelijk gehandhaafd heeft. Trouwens toen na de Synode van 1936 prof. Hepp in Credo een bepaald besluit van die Synode bestreden heeft, is hij door niemand tot de orde geroepen. Bovendien is aan hem, noch aan prof. dr H. H. Kuyper gevraagd zich aan dat besluit te conformeeren, waar zij openlijk hadden uitgesproken dit niet te doen.

Daarom wil ik ook voor onze lezers dit schorsingsbesluit behandelen, zooals ik ook in den kerkdijken weg mijn bezwaren zal bekendmaken". 10)

Wanneer hij dan het scherpe mes van zijn kritiek in de tegen prof. Schilder ingezette en tot een eerste afsluiting gekomen tuchtprocedure zal zetten, verklaart hij uitdrukkelijk, dat het hem niet gaat en dat het niemand mag gaan om den persoon van prof. Schilder. Hij wil alleen strijden „om de waarheid en om het recht". Hij moet en zal de vraag stellen: , , mocht dit zóó geschieden en rechtvaardigen de aangevoerde gronden het besluit? " 11)

In een uitvoerig, helder en sterk gedocumenteerd betoog bespreekt ds Rietberg dan speciaal de vraag of de Synode zich bij de voltrekking van haar vonnis stipt heeft gehouden aan het schriftuurlijke recht der kerken zooals dat in de Kerkenorde werd geformuleerd. En zijn vernietigende conclusie is dan:

„Dit schorsingsbesluit is zoo weinig in overeenstemming met de K. O., waarop het zich beroept, dat het ten spoedigste moet herroepen worden". 12)

De waarheid en het recht waren, zoo riep de Wachterredacteur met luider stemme Gereformeerd Nederland toe, naar zijn „vaste overtuiging" geschonden. En hij roept allen op, om „terwille van onze kerken", hiertegen te getuigen! „Opdat, onder den zegen des Heereh, ten spoedigste hersteld worde, wat verkeerd is". 13)

Alzoo sprak ds Feenstra.

Alzoo sprak ds Rietberg.

Ze wezen beiden de leerbesluiten, als binding der consciëntiën aan menschelijke — al te menschelijke — woorden, af.

Zij waren beiden overtuigd, dat de Gereformeerde Kerken mannen uitwierpeh, die in alles naar Gods woord wilden leven.

Zij riepen den Kerken — helaas tevergeefs — op om deze zonden uit haar midden weg te doen.

En nu denk ik aan een stelling, reeds in 1927 door ds Feenstra op een Ouderlingen-conferentie in Leiden verdedigd.

Een Kerk o p e n b a a r t zich als valsche Kerk (art. 29) wanneer zij de c o n s c i ë n t i e s bindt aan hare ordinantiën en niet aan Gods Woord; indien zij niet tegen de z-onde reageert; als zij u i t b a n t hen, die in alles (woord en daad) willen leven naar Gods Woord.

Ergo: antithetisch: door uit te werpen die haar bestraffen. Thetisch: door het kwade te handhave n". 14)

Alzoo sprak ds Feenstra.

Alzoo sprak ds Rietberg.

Sindsdien zwegen zij over deze in hun oogen zoo zware kerkelijke zonden.

MAAR HUN WOORD LEEFT VOORT.

En het deed groote werking.

Het bracht in de vrijmaking vrucht voort, dertig­ en zestig-en honderdvoud.


1) De Wachter, 8 Oct. 1943.

2) Idem, 19 Juni 1942.

3) Idem, 11 Sept. 1942.

4) Idem, 27 Aug. 1943.

5) Idem, 10 Sept. 1943.

6) Idem.

7)Idem.

8) Idem.

9) De Heraut, 23 Jan. 1943.

10) De Wachter, 7 April 1944.

11) Idem.

12) De Wachter, 21 April 1944.

13) Idem.

14) De Ware Kerk, stellingen.van Ds Feenstra, Ouderlingen-conferentie, Leiden, 16 November 1927.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 5 juli 1947

De Reformatie | 12 Pagina's

Bezwaarden over en onder de Synodocratie.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 5 juli 1947

De Reformatie | 12 Pagina's