GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Het opstandings-lichaam der geloovigen.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het opstandings-lichaam der geloovigen.

4 minuten leestijd

C. V. d. P. te B. vraagt, in verband met de eekenen der nagelen en der speer in Jezus' lichaam a Zijn verrijzenis, of we ons ook het opstaningslichaam der geloovigen te denken hebben als dragende de sporen van geweld of verminking, aaraan ze blootstonden in het aardsche leven. n zoo ja, hoe dit dan te rijmen is met de volaaktheid van den staat der verheerlijking.

'k Vind de vraag niet van heel veel belang.

Bovendien ligt ze op de grens van het ourieuseijk onderzoeken, waarvoor onze Belijdenis niet zonder reden ernstig waaxschuwt.

'k Denk ook, dat we, bij het indenken van den staaf ider verheerlijking, veiliger doen, met heel onze ziel den troost onzer zalige hope in te drinken, dan ons te laten afleiden door de tallooze vragen, die we hier kunnen doen, zonder er een antwoord op te vinden.

Doch iets wil ik er toch wel van zeggen.

In de eerste plaats dit, dat er in alle tijden verschil van gevoelen over was, of de teefcenen van speer en nagelen in 's Heeren lichaam behoorden tot den overgangstoestand, waarin Christus tuschen Zijn opstanding en hemelvaart verkeerde, en of Hij die toen nog droeg, zeer bepaaldelijk met et doel om de Zijnen te overtuigen van de identiteit van Zijn lichaam (zooals ze daartoe bij Thomas ook inderdaad dienden), daïi wel of we het r voor te houden hebhen, dat ze blijvend waren, en dus ook in den vollen staat van verheerlijking door Christus nog altijd gedragen worden.

Het laatste werd door velen ontkend, wijl ze dergelijke sporen van 's Heeren vernedering en verminking onvereenigbaaj achtten met de. volmaaktheid van den staat der verheerlijking. Waartegen idan anderen weer aanvoerden, dat deze teekenen, als getuigen van Jezus' volmaakte gehoorzaamheid en genoegdoening. Hem veeleer tot sieraad eu ere strekken dan dat ze een gebrek zouden kunnen heeten.

Ze beriepen zich voorts ook op de visioenen waarin Christus Johannes verscheen als een, lani, „staande als geslacht".

Bij gebreke van duidelijke aanwijzingen in de Schrift, zal wel niemand in dit geding kunnen beslissen.

Niemand zal aan zulk een beslissing ook l^ehoefte hebben.

Doch ook al kon ze gegeven worden, dair zou daaruit toch nog geen dwingende gevolgtrekking kunnen gemaakt worden ten aanzien van het opstandings-Iichaam der geloovigen. De gelijkvormigheid toch van dit lichaam aian dat vaia Christus sluit nog volstrekt ni°et in, dat de verheerlijking van de lichamen dèrgenen, die in Christus ontslapen zijn, een in alle onderdeelen angstvallige nabootsing zou zijn van wat er met Jezus' lichaam geschiedde. Het zou toch zeer wel denkbaar zijn, dat zoo Jezus' lichaam al om de een of andere ons onbekende reden de litteekenen van speer eu nagels behield, dergelijke sporen van vroegere verminking niet zullen achterblijven in de verheerlijkte lichamen der zijnen.

En denken we aan wat daaruit volgen zou voor geloovigen, wier lichamen, als b.v. die van de martelaren, op het gruwelijkst gehavend en ver-" minkt werden — dan beseffen we op éénmaal, hoe weinig het zich verdraagt met den staaf van heerlijkheid en zaligheid, waaropi het AVoord den geloovigen hope geeft.

Bij 'talloos velen zou het dan een allesbehalve bekwaam instrament zijn, om den Heere volmaakt te dienen.

De vraag, of dit toch mogelijk zou zijn, kan dan ook alleen opkomen bij wie zich een al te grove en mechanische voorstelling vormt van de verheerlijking der lichamen in den dag van Christus' toekomst.

De opstanding zal, gelijk Prof. Bavinck het uitdrukte, geen restauratie zijn, maar een reformatie; geen op den tel-af weer bijeen vergaren van al de — immers verstrooide en in andere lichamen opgenomen — stofdeeltjes, om ze weer op te bonwen in den preciesen vorm dien het lichaam bij het sterven had, maar een herstel van het lichaam, enkel naar zijn, voor ons niet aanwijsbaar, wezen, en dan in onverderfelijkheid en heerlijkheid. (1 Cor. 15:51—54).

Méér dan dit heeft het Gode niet beliefd ons ervan te openbaren.

Méér moeten we er daarom ook niet van willeu weten en zeggen.

Het is ook meer diui genoeg, om wie in Christus is, naar de vervulling dezer hope te doen verlangen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 juni 1927

De Reformatie | 8 Pagina's

Het opstandings-lichaam der geloovigen.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 juni 1927

De Reformatie | 8 Pagina's