GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Het pensioen naar Art. 13 onzer Kerkenordening.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het pensioen naar Art. 13 onzer Kerkenordening.

8 minuten leestijd

IV.

De historie. — De evenredigheid aan het tractement. — Het loondienstmotief. —• De weezen.

Na onze eerste stelling, die den wensch uitsprak, dat cmeriteering alleen geschieden zou bij gebleken onbekwaamheid, poneerden we als een tweede, dat gelijke pensioenen zouden worden vastgesteld voor alle emeriti predikanten, predikantsweduwen en - weezen.

Deze stelling wil niet verkorten het recht der zelfstandige plaatselijke kerk, om door een toeslag boven het in het algemeen aanbevolen pensioen uit te gaan. Wij willen immers gaarne Art. 13 ten volle naar de letter verstaan. Op de uitdrukking: „eerlijk in hun nooddruft verzorgd worden", leggen we een zwaar accent. Onze derde stelling is juist op deze woorden gebaseerd. Over de hoegrootheid van de bedoelde nooddruft kan men wel in het algemeen oordeelen; doch het bizondere, dat ieder geval kan opleveren, valt ter beoordeeling aan den verantwoordelijken plaatselijken kerkeraad. Daarom voegden we voor de volledigheid aan onze stelling de woorden toe: eventueele toeslagen blijven ter beoordeeling en ten laste van de plaatselijke kerk.

Doch waar de tegenwoordige bepalingen het pensioenbedrag hebben gekoppeld aan het laatstgenoten inkomen — n.l. het inkomen van de plaatselijke kerk ontvangen — daar willen wij dit pensioen volkomen losmaken van het tractement.

Wij zijn daarbij welbewust conservatief. Wij willen in dit opzicht terug naar de regelingen — niet naar de bedragen — gelijk zij voor 1905 bestonden.

Practisch bestond aan het einde der vorige eeuw een pensioen van f 600, — voor. een emeritus, van f 500, -— voor een weduwe en van 150, — voor een kind. Sinds 1892 behoorden de plaatselijke kerken deze sommen uit te betalen; bij hun onvermogen werd het ontbrekende bijgepast uit een algemeene kas. (Acta 1896, art. 77.)

Op de synode van Arnhem 1902 is zeer breed over de emeriteeringsvraagstukken gehandeld. Tot een definitieve regeling bracht zij het niet, maar zij benoemde de deputaten, die in 1905 de kerken zouden raden het roer te wenden.

Echter bond zij deze deputaten aan verschillende conclusies, waartoe zij gekomen was; of liever, waartoe haar commissie van advies gekomen was.

Deze commissie van advies gaf enkele richtlijnen aan voor de te maken regeling. Tot tweemaal toe is in deze richtlijnen sprake van gelijke rechten.

Immers, tot de genoemde richtlijnen behoorde als c, „dat zoowel degenen, die door bijzondere oorzaken van korten diensttijd, als zij, die door ouderdom emeriti worden, gelijke rechten hebben" en als h., „dat allen, die wettig emeriti verklaard zijn, dezelfde rechten hebben".

De synode nam met alle stemmen aan, dat door de deputaten een regeling moest worden uitge-wwkt. die o.a. met deze conclusies rekende. (Acta 1902, art. 145 c. en h., 147.)

Doch de synode van Utrecht 1905 liet volkomen de gedachte van gelijke rechten los! Zij nam van de deputaten over de opvatting, dat het recht op pensioen, evenals het recht op tractement, niet is een recht op verzorging met één zelfde finantiëel bedrag, en stelde vast, dat bij de vaststelling van het pensioen behoort rekening gehouden te worden met dienstjarental, leeftijd, laatstgenoten tractement en bijomstandigheden, die verhooging noodzakelijk maken.

In 1905 is de binding van de pensioenen aan de tractementen niet uitvoerig gemotiveerd. De ongelijke pensioenen zijn blijkbaar voldoende gerechtvaardigd geacht door de verwijzing naar de analogie bij het tractement. Evenmin is in het rapport aan de synode van Utrecht 1923 een motief voor de in 1905 ingedragen wijziging te lezen. Men krijgt den indruk alsof het hier over de meest vanzelfsprekende zaak ter wereld gaat. „Nu zal een ieder aanstonds toestemmen — zoo luiden de woorden, waar wij een vraagteeken bij plaatsen —- dat het recht op pensioen niet insluit een recht op verzorging met één zelfde finantiëel bedrag. Dat bij de bepaling der pensioenen rekening wordt gehouden met het bedrag van het genoten tractement en met de omstandigheden, waarin-de emeritus-verklaarde of zijn gezin verkeeren, is alleszins billijk." (Rapportenboek 1923, 85.)

Echter, „het bedrag van het genoten tractement" en „de omstandigheden, waarin enz." zijn twee zeer verschillende grootheden.

We komen hier tot een principieel allerbelangrijkst punt. Er is variatie — en niet weinig — in de tractementen. Dat is volkomen juist. Want het tractement is g e en loon, doch het bedrag, dat de predikant ontvangt voor zijn levensonderhoud. Het is de voorziening in zijn nooddruft, om in de taal der kerkenordening te spreken.

Welnu, deze nooddruft is gevarieerd. In de variatie der nooddruft ligt de rechtsgrond voor de variatie der tractementen.

De nooddruft van een predikantsgezin verschilt b.v. naar gelang van het aantal kinderen, naar gelang van den leeftijd der kinderen en vooral naar het gelang van het dagelijksch milieu van den pastor en zijn gezin. De dominé, wiens Zondagsch gehoor bestaat uit menschen met een goedkoop confectiepakje en een pet en geen boord, en met dameshoeden naar de mode van zijn moeder, toen hij een kleine jongen was, staat argeloos op zijn kansel in een verveloos kerkje met zijn kaal en groenig-wordend preekjasje. Maar als hij een preekverzoek krijgt uit een deftiger oord, ontdekt hij plotseling het glimmen van de naden van zijn jas en het hopeloos gebrek aan een pli in zijn pantalon. Zijn kinderen zijn spoedig netjes genoeg op het dorpsschooltje, waar een rij modderige klompjes in de gang staat. Dat scheelt zoo veel, dat men het moet hebben meegemaakt, om het te beseffen. Dus zal de herder en leeraar van het arme dorpskerkje zijn schraal tractementje zuinig gebruiken te midden van zijn keuterboertjes en arbeidersmenschen, die hem een zeer rijk man achten, omdat hij zoo en zoo veel malen „tien gulden" in de week aan inkomen ontvangt. Dat poover leven doet hem geen kwaad. Hij kan op zijn dorp niet eens dure dingen koopen. Zijn huis behoort tot de deftigste op zijn standplaats. Het is al heel gauw zoo keurig gemeubeld, dat zijn parochianen het erg rijk vinden en de schoenen van hun voeten willen trekken, als ze een boodschap aan de pastorie hebben en binnen zullen komen.

Maar waar is de noodzaak van variatie, die voor den predikant in actieven dienst een uitvloeisel is van zijn heele leven te midden van zijn kudde, indien deze predikant emeritus wordt?

De predikant bepaalt den omvang van zijn gezin niet. En evenmin de plaats zijner woning. Hij is niet vrij te wonen te midden van welvarende of van arme menschen. Hij zoekt het niet uit, of hij alleen maar in uiterst eenvoudige milieu's dan wel daar, waar luxe is, zijn bezoeken zal afleggen.

Doch de emeritus —• we laten bizondere gevallen buiten bespreking — heeft geen gezin meer, met kinderen, die een opvoeding behoeven. In de keus van zijn woonplaats is hij vrij. Zijn pensioen moet aan zijn nooddruft voldoen. Deze nooddruft heeft toch niets van doen met de vraag, of hij zijn laatsten diensttijd doorbracht in een rijke dan wel in een arme gemeente? Niets van doen met de vraag, of hij in de omstandigheden van zijn actieven dienst een groot dan wel een klein tractement genoot? Of hij nu emeritus van Haarlem dan wel van Harkema is, hij heeft een nooddruft, die gelijk is aan die van zijn collega's in het emeritaat, en waarin geen variatie is als van 1500 tot 3000 gld. De variatie der tractementen beloopt enkele duizenden. Dat is goed en recht. Het is de variatie van het leven. Maar dat de variatie der pensioenen ook daaraan evenredig is... we achten het in tegenspraak met wat de letter van Art. 13 de eerlijke verzorging in de nooddruft noemt.

De gedachte aan de nooddruft moet leidend zijn. Ze mag tot geen prijs verdrongen worden door die aan prestatie.

Helaas is het loondienstmotief ingedrongen in de beschouwing op en de berekening van de pensioenen. De 85ste bladzijde van het Rapportenboek van 1923 druipt er van. De passage begint zoo voorzichtig. „Ook zal er weinig tegen in te brengen zijn, dat hierbij, in het algemeen, ook rekening gehouden wordt met het aantal dienstjaren." Maar ze komt tot positieve uitspraken. „Immers, het maakt wel verschil, of iemand dertig of veertig jaren de kerken trouw gediend heeft dan of hij reeds na vijf of tien jaren emeritaat ontvangt, (Van trouw in dezen korten diensttijd wordt niet ge. rept!) In het eerste geval kan gezegd worden, dat hij heel zijn levenskracht aan de kerken gegeven heeft (is dat geen groote genade? ), wat bij emeriteering wegens invaliditeit na korten diensttijd niet zoo is. (Alsof hef op zichzelf al niet een zeer harde zaak is na zoo korten diensttijd invalide te zijn! en alsof ook jonge kracht niet in den dienst des Heeren kan verteerd zijn: Ds K. Femhout heeft ter gelegenheid van een prêdikantenconferentie meegedeeld, dat de medici hem na den Doleantie-strijd invalide verklaarden.) En hierdoor wordt de aanspraak op pensioen zeker verhoogd. (Wij spatiëeren.) Want al dient het pensioen in de eerste plaats om in de nooddruft... te voorzien, er ligt toch ook een erkenning in van de aan de kerken bewezen diensten."

De laatste woorden spreken het prestatie-motief volmondig uit.

Doch het is beter, dat dienaren des Woords met de loondienst-gedachte volkomen afrekenen.

Gelukkig heeft men aan de predikantsweezen het berekenen hunner toelage op grond van vaders inkomen bespaard. Zij ontvangen een vast bedrag. Consequent ware geweest, dat men ook voor hen, gelijk men voor de weduwen deed en voor de emeriti, een percentage — b.v. zoo om en bij de 3 % — had gesteld van vaders tractement.

De weezen hebben gelijke rechten, zooals de synode van 1902 dat noemde.

Principieel schijnt dit niet op bezwaren te stuiten.. Men erkenne weer de in doorsnee gelijke nooddruft van weduwen en emeriti.

Om diegenen onder hen, die hun gansche leven hebben gezucht onder de krapte van hun inkomen en die bij de tegenwoordige regeling juist tijdens de emeritaatsverzorging de variatie pijnlijk voelen. En tot verlichting der kerkelijke kassen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 maart 1939

De Reformatie | 8 Pagina's

Het pensioen naar Art. 13 onzer Kerkenordening.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 maart 1939

De Reformatie | 8 Pagina's