GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Calvijn over kerkelijke macht en synode-uitspraken.

22 minuten leestijd

De macht der kerk wordt deels in de afzonderlijke, opzieners, deels in de Concilies, provinciale of algemeene, gezien. Zij is eene geestelijke, en bestaat in leer, rechtspraak, in het maken van verordeningen. En die der leer is tweevoudig: de macht om leerstellingen te leeren, en om die uit te leggen. Zij is gegeven tot opbouw, niet tot nederwerping. Zij moet niet schraal worden uitgedost, maar toch binnen bepaalde grenzen worden ingesloten, om niet naar menschelijken lust hierheen en daarheen getrokken te worden, Inst. IV, 8, 1.

Daarom moet men zich herinneren, dat het gezag en de waardigheid, welke de Geest in de Schrift aan priesters, of profeten, of apostelen, of aan de opvolgers der apostelen, opdraagt, in haar geheel eigenlijk niet aan de menschen zelven, maar aan hunnen dienst, waarin zij gesteld zijn, gegeven wordt, of, om duidelijker te spreken, aan het Woord, welks bediening hun is

toevertrouwd. Wanneer wij ook allen op de rij af nagaan, zullen wij niet bevinden, dat zij met eenige macht om. te onderwijzen of te antwoorden voorzien geweest zijn, dan in den naam en door het Woord des Heeren. Want wanneer zij tot hun ambt geroepen worden, wordt hun tegelijk opgelegd, om niets uit zichzelven aan te brengen, maar te spreken uit den mond des Heeren, a.w. IV, 8, 2.

Geen dienaren of ambtsdragers hebben dus ook maar eenig eigen gezag. Hun gezag ligt niet in hunne personen, maar in hun dienstwerk of ambt, en alleen Gods Woord heeft gezag.

De leer der Roomschen is de volgende.

Daar zij als toegegeven aannemen, dat een Concilie een waar beeld der kerk is, stellen zij, na dit beginsel aangenomen te hebben, tegelijkertijd buiten twijfel, dat dergelijke Conciliën onmiddellijk door den Heiligen Geest geregeerd worden, en daarom niet dwalen kunnen. Maar daar zij zelven de Conciliën regeeren, ja samenstellen, handhaven zij in waarheid voor zichzelven al wat zij beweren, dat men aan de Conciliën verschuldigd is. Zij willen derhalve, dat ons geloof staan en vallen zal naar hun willekeurig bepalen, en dat al wat zij naar beide kanten vaststellen, voor ons gemoed hecht en vast bepaald is, zoodat, als zij iets goedkeuren, dit door ons zonder eenige aarzeling goedgekeurd wordt, of als zij iets veroordeelen, dit ook voor veroordeeld moét gelden. Ondertusschen vormen (cudunt, eigenlijk: smeden) zij naar hunnen eigen lust en met verachting van het Woord van God, leerstellingen, waarvoor zij daarna op deze wijze geloof eischen, a.w. IV, 8, 10.

Volgens de Roomschen is dus een Concilie of Synode een waar beeld der kerk, en weten zij, volgens Calvijn, zulk eene vergadering naar eigen wil samen te stellen, en aldus hunne eigene meeningen als leeringen Gods synodaliter aangenomen te krijgen.

Zijn er ook onder ons geene stellingen uitgegaan, die de synode de representatie der kerken noemen? En heeft men er niet op aangedrongen, dat zooveel mogelijk weer dezelfde personen naar de synode te Sneek afgevaardigd zouden worden, als die leden der synode te Amsterdam waren, opdat dezelfde mannen daar bepaalde zaken behandelen zouden, als die ze tevoren aan de orde gesteld hebben, of reeds in behandeling hadden?

Waarop gronden de Roomschen deze hunne bewering? De kerk, zeggen zij, heeft de heerlijke beloften, dat zij nooit door haren Bruidegom in den steek gelaten zal worden, zoodat zij niet door Zijnen Geest in alle waarheid geleid zou worden. Hierop antwoordt Calvijn, dat vele beloften, die zij plegen aan te halen, evenzeer aan de geloovigen afzonderlijk, als aan de kerk in haar geheel, gegeven zijn, hoewel hij niet ontkennen wil, dat de geheele gemeenschap der geloovigen met eene veelvuldige verscheidenheid van gaven toegerust is, en met een veel rijker en overvloediger schat van hemelsche wijsheid voorzien, dan de geloovigen elk op zichzelf. En de geloovigen zijn ook niet allen evenzeer begiftigd met den Geest van inzicht en leer, a.w. IV, 8, 11.

Dat zij (de Roomschen) loochenen, dat de kerk dwalen kan, ziet hierop, en dat verklaren zij aldus, dat zij (de kerk), wanneer zij door den Geest van God geregeerd wordt, veilig voortgaan kan zonder Woord, en dat zij, waarheen zij ook gaat, niet anders kan meenen (gevoelen) en spreken, dan wat waar is. En dat daarom, wanneer zij iets buiten of naast Gods Woord vaststelt, dit voor niets anders gehouden moet worden dan eene stellige uitspraak Gods.

Indien wij dit eerste al toegeven, dat de kerk niet dwalen kan in zaken, die ter zaligheid noodzakelijk zijn, is dit onze meening, dat dit daarom zoo is, dat zij zich, met afstand te doen van alle eigen wijsheid, laat onderwijzen door den Heiligen Geest door middel van het Woord Gods.

Dit is derhalve het verschil.

Zij stellen het gezag der kerk buiten het Woord Gods, wij echter willen, dat het aan het Woord verbonden is, en laten het daarvan niet afscheiden. En wat wonder is het, als de bruid en discipelin van Christus zich onderwerpt aan haren Bruidegom en Meester, zoodat zij bestendig en naarstig aan Zijnen mond hangt? ... Waarom de kerk geene wijsheid uit zichzelve hebben moet, noch uit zichzelve iets bedenken, maar de grens van hare wijsheid daar stellen, waar Hij een einde aan Zijn spreken maakt. Hij heeft toch verboden, iets aan Zijn Woord toe te voegen, of iets daarvan af te doen, a.w. IV, 8, 13.

Wat? zeggen zij, heeft Christus niet al wat de kerk leert en besluit, buiten tegenspraak gesteld, wanneer Hij beveelt, dat voor heiden en tollenaar gehouden moet worden, wie durft tegenspreken? In de eerste plaats wordt daar geene melding gemaakt van de leer, maar wordt slechts voor de tuchttoepassingen haar gezag gehandhaafd tot verbetering der gebreken, opdat wie vermaand en berispt worden, zich niet tegen haar oordeel verzetten. Maar dat daargelaten... De kerk moet gehoord worden, zeggen zij. Wie ontkent dat? Daar zij toch niets uitspreekt, dan uit het Woord des Heeren. Indien zij iets meer eischen, moeten zij weten, dat deze woorden van Christus hun daarin geenerlei steun bieden. Ik behoor niet al te strijdlustig te schijnen, dat ik zoo heftig hierop sta, dat het aan de kerk niet geoorloofd is, eenige nieuwe leer vast te stellen, d.i. meer te leeren en als eene uitspraak Gods uit te geven, dan wat de Heere door Zijn Woord heeft geopenbaard. Want menschen van gezonden zin zien hoe groot het gevaar is, als eenmaal aan menschen zooveel recht is toegestaan.

Ook zien zij, hoe groots deur (eigenlijk: venster) geopend wordt voor het spotten en smalen van goddeloozen, als wij zeggen, dat voor eene uitspraak Gods onder Christenen gehouden moet worden, wat menschen geoordeeld hebben, a.w. IV, 8, 15.

S. GREIJDANUS.

De zelfstandigheid der plaatselijke kerk. (II.)

Het spreekt vanzelf, dat we in dit tweede betoog over bovenstaand onderwerp niet opnieuw met de eens gegeven schriftuurlijke fundeering komen, en dat we reeds gebruikte argumenten vermijden.

Het staat evenwel vast, dat uit de Schrift en haar beginselen in hoofdlijnen de zuivere verhouding valt af te leiden, die er hehoort te bestaan tussohen de plaatselijke kerk en de meerdere vergaderingen.

Beide, zoowel het gezag van de laatste als de zelfstandigheid van de eerste, vertegenwoordigen voor ons heilige beginselen.

Het moet er nu om te doen zijn het begrip „zelfstandigheid der plaatselijke kerk" tot meerdere helderheid te brengen.

Hieromtrent tooh heerscht veel misverstand.

Voorop sta, dat elke plaatselijke kerk in gereformeerden zin, d.w.z. onder het Woord in het ambt, een afspiegeling en vertegenvpoordiging, in een plaatselijke groep geloovigen, is van het Lichaam van Christus, waarvan Hij het Hoofd is.

Dit Schriftuurlijke begrip ma'g nimmer prijsgegeven worden. Om het nog eens duidelijk te zeggen: Wanneer wij bij institueering van een kerk spreken van „de kerk tot openbaring brenge n", dan moet dit zóó verstaan, dat in die geloovigen op die plaats ziclitbaar de KERK openbaar wordt. Op die wijze zijn alle plaatselijke kerken zelfstandige openbaringen van de KERK. Op de z e 1 f B t a n d i g h e i d van de geïnstitueerde kerk komt het dus bepaald aan. Zij mag zich onder geen enkele maoht laten brengen. Daardoor geeft zij haar verantwoordelijkheid prijs en verliest haar karakter als openbaring van het Lichaam van Christus.

WiJ! moeten de grondbeginselen, die de H. Schrift ons aangeeft, nagaan en de juiste onderscheiding vasthouden.

De kerk van Christus heeft zich in de verschillende landen en over de wereld uitgebreid als verband van vrije kerken. Het is niet omgekeerd toegegaan, dat het geheel als macht eerst bestond en de kerken, als deelen daarvan, samenbond. Neen, juist de zelfstandigheid van de kerk als instituut, waarin vrije persoonlijkheid opgesloten ligt, drijft uit den Eénen Geest van Christus' tot het zoeken van de éénheid met de andere zelfstandige kerken. De vorming van het kerkverband is een roeping, gelijkstaande met de roeping der mensohen tot samenleving.

Dit verband kan echter nooit anders zijn dan confederatief. Zoodra er hiërarchie intreedt is het met de vrijheid en de zelfstandigheid der plaatselijke kerk gedaan.

ELfce kerk is zelfstandig afgerond in het ambt, dat het ho'Ogstdenkbare gezag in de kerk vertegenwoordigt, omdat het, ideëel genomen, door den Heiligen Geest uit het Lichaam van Christus wordt voortgebracht en zich met eede aan Christus, het Woord verbindt. Tussohen Christus en den ambtsdrager is geen derde macht, die bevoegd zou zijn om dat ambt te vernietigen, tenzij- dan de gemeente zelf die in Zijn Naam tot het ambt geroepen heeft. Wanneer een meerdere vergadering, met uitschakeling van de levende gemeente, met zoodanige pretentie eigenmachtig handelend optreedt tegen het ambt in de plaatselijke kerk, dan misgaat ze zioh tegen zulk een kerk, en loopt groot gevaar onvoorzichtig heilige zaken aan te randen. Dat nu het kerkverband een zekere verhouding van gezag en onderwerping meebrengt, is vanzelfsprekend. Maar nooit zal dit voeren tot het ontstaan van heerschende en gebiedende machten, die totalitair de zelfstandigheid en verantwoordelijkheid van de plaatselijke kerken in zich opnemen, en eigenmachtig in de particuliere zaken van de kerk mogen indringen en du ambtsdragers uit het ambt zetten.

Om alle misverstand af te snijden, st©^ ik nog eens op den voorgrond, dat ik geen bezwaar heb tegen groot gezag der synoden, ook niet tegen bevelend gezag, wanneer de Schrift duidelijk spreekt, zelfs niet tegen i n g r ij p e n, wanneer dit noodzakelijk is in tijden van groeten ernst, tegen het „doen dat des kerkera a d s i s", wanneer alles beproefd is en dit als zoodanig erkend wordt, maar wel tegen het eigenmachtig ingrijpen, wel tegen het „recht" om haar besluiten op eigen autoriteit „in de particuliere kerken te voltrekken".

De Kerk van Christus, het Lichaam in vereeniging met Christus het Hoofd, vindt haar reohtstreeksche afbeelding in den enkglen mensch, die door den Heiligen Geest vernieuwd is.

Dus in den geloovige.

Daarom spreekt Paulus van de Kerk (Ef. 4 : 13) als van een volwassen Man. De vernieuwde Menschheid za! zijn een mensoh in 't groot.

De drie menschelijke ambten (beter gezegd: het drievoudige ambt) van profeet, priester en koning, uitgaande van het Hoofd Christus, worden in Haar in volmaaktheid uitgeoefend.

Dit vindt hier in dezen tijd op aarde zijn afspiegeling in elke plaatselijke kerk.

Zoo hebben we een klimax van drie elkaar synjbolison afbeeldende grootheden:

lo. het enkele lid van Christus' Kerk, de geloovige mensch;

2o. de plaatselijke kerk in het drievoudige ambt, leer-, regeer- en liefdeambt;

3o. de Katholieke Kerk, hier in wording, straks volmaakt.

In deze reeks is de verhouding van gezag en ondejgesohiktiheid.

In alle drie heeft Christus het alléén te zeggen.

In de plaatselijke kerk dus alleen het Woord Gods.

In haar staan de ambtsdragers, welke Christus door middel van de gemeente geroepen heeft, in alle drie de ambten, in dienst van het Woord.

Geen enkel gezag over het ambt in de plaatselijke kerk kan ooit van elders komen, dan van Hem.

STU is er in deze drieledige klimax geen plaats voor een vierde schakel. Dus is het onmogelijk, dat er eon vierde instantie te vinden zou zijn, die rechtmatig gezag boven het ambt in de plaatselijke kerk zou kunnen verkrijgen, die als een hoogere maoht de bij eede aan God verbonden am'btsdragers eigenmachtig zou mogen straffen.

Alleen Christus kan dit doen. En evenals Hij' tot hit ambt roept door middel van de gemeente, zoo brengt Hij, wanneer dit noodig is, de ontzetting uit het ambt, bok door middelvan de gemeente tot stand.- - - ' '~' - .„-

Omdat er geen vierde in dezen keten van lichamen is, heeft het kerkveAand deze bevoegdheid niet. Het bindt een kerkengroep samen, maar is toch een zaak van geheel andere orde. Het kan nooit boven het ambt in de plaatselijke kerk komen te sta.an, met zijn autoriteit om de ambtsdragers af te zetten.

Wij moeten onderscheid maken tussohen twee verhoudingen, n.l. de verhouding van de plaatselijke kerk tol de Katholieke Kerk, het Lichaam onder Christus, die als Hoofd ook Zelf tot Haar behoort, en de verhouding van de plaatselijke kerk tot de kerk hier op aarde, het kerkverband.

De plaatselijike kerk, in het ambt onder het Woord, ideëel genomen, is beeld, afspiegeling en vertegenwoordiging van de Kerk, Christus' Lichaam.

Het 'ZOU echter blijk geven van begripsverwarring, wanneer we zouden zeggen, dat de plaatselijke kerken haar samen steil en.

Immers de Kerk omvat alle geloovigen uit het gansche mensohelijie geslacht van het begin der were'd tot aan het einde en is van hemelsohe orde, maar de plaatselijke kerk is aardsch, tijdelijk en vergankelijk. Zij is als instituut een openbaring, hier in het zichtbare, van de Kerk. Een gebrekkige openbaring, maar toch een volledige, volmaakt in de deelen, als een lichaam in het drievoudige ambt (het geraamte) onder het Woord (het Hoofd).

Het is moeilijk om van deze verhouding een juist analo'gon te geven. ..., •: .•: ; .-••• - x-..:

Het voorbeeld dat ik geef, schiet dan ook te kort.

Maar noemen we de Kerk het ideaal, dan zijn de plaatselijke kerken in rijke verscheidenheid, ieder afzonderlijk belichaming van dit ideaal.

Evenwel, te zamen vormen zij het ideaal niet. Ze zijn er alle openbaring of zichtbaarwording van.

De plaatselijke kerken zijn dus volledige lichamen, te vergelijken met zelfstandige en verantwoordelijke personen. De zelfstandigheid brengt de verantwoordelijkheid mee. Is er een, hoogere maoht, die op eigen autoriteit over de ambtsdragers gebiedt, en deze mag afzetten, dan mag deze macht a fortiori ook meer doen en ook op ander gebied ingrijpen. Wordt dit toegegeven, dan is de eigen verantwoordelijkheid van de plaatselijke kerk prijsgegeven. Zulk een macht is kerkvernietigend en mag dus niet worden geduld. De ambtsdragers zijn aan Christus Zelf gebonden.

POST.

Emeritaatskwesties — ook in Indië.

De redactie ontving ter bespreking een exemplaar van het Handboek ten dienste van de Geref. Kerken in Ned.-Indië. Deze uitgave, in royaal formaat verschenen, is ook voor ons in Nederland van groote beteekenis, gezien de vele banden, die ons met Indië verbinden.

Om dit laatste nader aan te toonen, willen wij thans niet dieper ingaan op allerlei belangrijke gegevens, die dit Handboek bevat; (b.v. het jaaroverzicht, gegevens over de afzonderlijke kerken en het werk, dat zij doen, het classis-verslag, zendingsgegevens enz., maar ook een adressenlijst van alle leden, opgaven over de chr. scholen, de chr. politieke actie, zorg voor militairen etc). We willen ons beperken tot één belangrijke kwestie, die thans zoowel in Indië als in Nederland aan de orde is, en die voor de lezers van „De Reformatie wel interessant zal zijn in verband met de artikelen, die dr R. Schippers onlangs in ons blad daarover geschreven heeft: de emeritaatsregeling.

Gegevens daarover vinden we in dit Handboek niet alleen in het verslag van de vergadering der classis Batavia, maar ook in een rapport van deputaten ad art. 13 K.O. en in een bijlage bij dat rapport. Het blijkt, dat het concept voor een nadere regeling van het hulpbetoon volgens art. 13 is aanvaard (acta classis, pa? ' 179); en dit houdt in een toetreden tot de z.g. landelijke samenwerking, d.w.z. aansluiting bij de regeling zooas die nu door de particuliere synoden van Nederlan wordt voorbereid. Maar er zijn nog moeilijkheden. W het rapport der deputaten wordt opgemerkt, dat m Nederland deze regeling door Friesland-Noord en Am^ sterdam principieel niet is aanvaard. En nu blijkt, in Indië de kerk van Solo niet bereid is om zich M genoemde regeling aan te sluiten.

Interessant is op dit punt de bijlage bij het rapport. Deze bevat gegevens uit een briefwisseling tusschen ds Th. Kuipers en dr H. A. vêin Andel over deze kwestie. Op bldz. 228 zegt ds Kuipers: „In Nederland is, naar ik verneem aan geen enkele Kerk ontheffing verleend". Men voelt hier al aan de uitdrukking „ontheffing verleenen", dat ook belangrijke kerkrecht-kwesties hierbij een rol spelen.

Op bldz. 229 wordt van ds Kuipers geciteerd: „...ook de zendingsbij dragen der Hollandsche Kerken zijn niet gespecificeerd. Zij omvatten alle uitgaven. Maar daarnaast hebben deze Kerken in Nederland, alle, ook de vacante Kerken, die dus reeds voor het emeritaat van hun miss. predikant betalen, hun emeritaatsbijdrage voor de Hollandsche predikanten. Dat is een solidariteitskwestie, waar in Nederland zich geen enkele Kerk aan onttrekt". En op bldz. 231: „Het is in Nederland zoo, dat alle Kerken bijdragen aan de gezamenlijke onkosten van de emeriteering van de predikanten der Hollandsche Kerken. Ook al hebben ze zelf geen predikant, of al hebben ze samen met een andere Kerk één predikant. Men voelt zich gezamenlijk verantwoordelijk. Men is solidair". Wel merkt hij op bldz. 232 op, „dat we geen enkele Kerk tot samenwerking kunnen dwingen. We zullen Solo tenslotte vrij moeten laten, wanneer bet op zijn standpunt blijft staan". Maar het recht van deze weigering blijft hij bestrijden.

Nu gaan we op het vraagstuk van de landelijke samenwerking niet verder in. Het is er ons slechts om te doen, aan te toonen: ten eerste, dat deze kwestie ook in Indië aan de orde is gesteld en nog niet is opgelost; en ten tweede, dat ds Kuipers en misschien ook anderen van den toestand in de Nederlandsche Kerken op dit punt een niet geheel juiste voorstelling hadden (men bedenke hierbij, dat genoemde briefwisseling werd gevoerd in het tijdvak Dec. 1937—April 1938). Ds Kuipers ziet de Nederlandsche Kerken in deze aangelegenheid „solidair", en gebruikt dit als argument voor zijn zienswijze. Maar die totaal-indruk klopt niet geheel op de feiten. En daarom zal het zoowel in Indië als in Nederland noodig zijn, dat hierbij allereerst opnieuw de beginselvragen aan de orde worden gesteld. Alleen op die wijze kan een zuivere oplossing worden gevonden. Het opzij schuiven van die beginselkwesties maakt de zaak niet gemakkelijker, maar verschuift de moeilijkheid en maakt die in de toekomst hoe langer

hoe grooter.

L. D.

P.S. Het Handboek is in Nederland verkrijgbaar bij dhr J. J. Kraan, Loosduinsche Kade 111, 's-Gravenhage. (Giro 181667.)

Gereformeerde Beweging onder de Oekrainers in Polen.

Ds F. Dresselhuis, secr. van het Comité voor Geref. Oekraïne (voorz. Prof. Dr F. W. Grosheide) schrijft ons het volgende:

„Van Ds Kusiw, superintendent der jeugdige Oekr. Evang. Geref. Kerk in Polen vernemen wij, dat de Oekraïnsche Synode dit jaar heel gaarne in de maand Juni zou samenkomen. Afgevaardigden van alle 38 gemeenten, die over de beide provincies Galicië en Wolhynië verspreid liggen, hopen daar — zooals ook anders eens per jaar het geval is — te komen. Alleen de 700 Zloty (± f230, —), die noodig zijn om de synodale onkosten te bestrijden, zijn nog niet aanwezig. Ds Kusiw vraagt dringend, of wij — in Nederland — niet een handje kunnen helpen, dat de Synode door kan gaan.

'n Gift voor dit doel storte men op giro 227926 van B. Meilink, penn. Comité voor Geref. Oekraïne, Zwolle.

Mag ik meteen een verzoek overbrengen, ten behoeve van onze beide Oekraïnsche studenten, die te Kampen theologie studeeren?

Gedurende de vacanties (Paasch, Groote, Kerst) zouden zij gaarne eenigen tijd bij een Nederlandsch- gereformeerde familie komen logeeren. Wil men zijn adres aan mij opgeven?

Ook daardoor kan men medehelpen bij den opbouw van een gezonde cel aan de grens van Sovjet-Rusland. Bij voorbaat zeer hartelijk dank."

K. S.

Gemeen mandaat.

Weer is aan de Vrije Universiteit een promotie geweest in de theol. fac, waarbij de promovendus een stelling had opgenomen inzake het „gemeen mandaat". Men vroeg mijn meening. Ze is deze: wat de stelling dienaangaande opmerkte, mag misschien slaan op mij onbekenden, misschien in Zuid-Afrika, waar de promovendus ditmaal vandaan kwam, maar het raakt nederlandschen kant noch Kamper wal, tenzij ik van kant noch wal op de hoogte ben voor wat de meening van mij bekende theologen aangaat. We kunnen dan ook zulke stellingen rustig overlaten aan een academisch steekspel, welks mérites nimmer aprióri gegeven zijn. Zelf gaan we over tot de orde van den dag: in Amerika schrijft ds Zwier verstandiger over het „gemeen mandaat" dan deze zuid-afrikaansche promovendus er over

poneerde. Zie verder onder Persschouw.

K. S.

Vereeniging voor calvinistische wijsbegeerte.

In de „Mededeelingen" van de Vereeniglng voor calvinistische vrijsbegeerte, April 1939 (no. 1 van den 4en jaargang), vinden we het bericht, dat het aantal dergenen, die het werk der vereeniglng steunen, de 600 passeerde; het aantal werkende leden nadert tot 300. Onder de namen der bestuursleden treffen we thans niet meer aan dien van prof. dr K. Dijk. Of deze zich onttrokken heeft met een publieke mededeeling weet Ik niet; ik ben enkele, maanden afwezig geweest. Wel lees ik in de voorrede van een nieuw boek „De reformatie van het calvinistisch denken", dat prof. Dijk beloofd had, voor dit boek een artikel te schrijven, doch wegens drukke ambtsbezigheden van zijn voornemen af moest zien. Deze voorrede is gedateerd Jan. 1939. Overigens wordt in hetzelfde boek veel aandacht gewijd aan de wijsbegeerte der wetsidee, waaraan de namen van de professoren Vollenhoven en Dooyeweerd verbonden zijn. We hopen er op terug te kunnen komen.

K. S.

Aan de Justus-Commissiën en Justns-Correspondenten.

Rotterdam, 13 Mei 1939. Waarde Heeren en Broeders,

Evenals vorige jaren, zal ook dit jaar weer een Jaarvergadering worden gehouden.

Het Moderamen besloot, deze te bepalen op D.V. Zaterdag 10 Juni a.s., 's namiddags 3 uur, in Restaurant „Monopole", Stationsplein, Amersfoort.

De vergaderzaal is gunstig gelegen en de mooie omgeving lokt reeds uit tot trouwe opkomst, meer nog het referaat en den spreker, waarvoor wij U verwijzen naar de agenda.

Met het oog op de noodige regeling verzoeken wij U per omgaande bericht aan den Secretaris, wie Uw afgevaardigde zijn zal en of we op zijn (haar) komst kunnen rekenen.

Het Moderamen:

Ds 1. A. TAZELAAR, Voorzitter.

J. MANNI, Secretaris,

Boezemlaan 7a, Rotterdam-N.

Ds F. A. DEN BOEFT, Penningmeester.

(Ingezonden.)

Wereldtentoonstelling New-York.

Tijdens mijni verblijf ini Amerika kwam van Chr. Ref. zijide tot mij het verzoek, in de Nederlandsche pers onderstaande mededeelingen te doen die van belang zijn voor bezoekers van de wereldtentoonstelling te New- York. Aan dit verzoek voldoende breng ik thans het volgende onder de aandaoht van de lezers:

In de naaste omgeving van New-Yorik zijn verschillende kerken waar de diensten worden gehouden in beide talen. Wij. geven hier een lijist van deze kerken:

Cïhr. Ref. GhuTch te Hohoken N. J., 310 Hudson St. (Ned. Morgendienst);

Northside Chr. Ref. te Passaic N. J., hoek Myrtle Ave en Burgess Place (Ned. Middagdienst);

First Cïhr. Ref. te Paterson N. J., 13 North Straight St. (Ned. middagdienst);

Seooiad Chr. Ref. te Paterson (Prosipect Park), 337 North 11 th St. (Ned. middagdienst);

Prospect Park Chr. Ref. Paterson (Prospect Park), hoek North 7th St. en Farview Ave (Ned. morgendienst).

Deze kerken zijn gemakkelijk per trein of bus te bereiken. Wie zich tot den dienst des Woords begeeft, zal, naar de gewoonte der Amerikaansche Kerken, niet behoeven te zoeken naar een zitplaats. Ze zal hem^ als vreemdeling, onmiddellijk worden aangeboden.

K. SOHILDEiR.

De Groote Catechismus van Zacharias Ursinus. (XXXVII.)

311. Waarom heeft Christus gewild, dat twee teehenen gebruikt morden?

Om ons te leeren, dat Hij niet slechts voor ons geestelijke spijs, maar ook geestelijke drank is, dat is, dat Hij ons in 't algemeen alles verschaft, wat tot onze zaligheid noodig is.

312. Wat beteekent het dit brood en dezen beker tot de gedachtenis van Christus te gebruiken?

Het is, door deze plechtigheid herinnerd aangaande de verlossing door Christus en onze samenvoeging met Hem, en daardoor als door een zichtbaar pand versterkt, met een vaster geloof, die weldaden aannemen, overdenken, belijden en openlijk verkondigen.

313. Yalt dan aan allen, die dit brood en deaen beker gebruiken, de gemeenschap met Christus ten deel en wordt si} (aan hen allen) verzegeld?

Geenszins; maar alleen aan de geloovigen. Want de ongeloovigen, omdat zij deelgenooten zijn van de duivelen, kunnen geen deelgenooten zijn van de tafel des Heeren.

314. Wie eten en drinken van dit brood en desen drinkbeker op waardige wijze?

Die vóór zij toetreden zichzelf beproeven^).

315. Maar hoe zullen wi} ons beproeven?

Door onszelf te onderzoeken, of wij ware leden van Christus zijn? ^)

31B. Waaruit weten wi}, dat wij ware leden van Christus zijn?

Indien wij in ons het ware geloof, de bekeering tot God, en de liefde tot den naaste gevoelen (of waarnemen).

317. Maar wanneer wij deze (dingen) in ons niet volmaakt bevinden, zullen wij ons dan onthouden van het Avondmaal des Weeren?

Allerminst, als ze slechts waar en niet geveinsd in ons zijn. Want Christus neemt de zwakken aan, en om onzer zwakheid wil, heeft Hij het Avondmaal ingesteld.

318. Wie moeten de Sacramenten bedienen?

De bedienaars van het Evangelie. Want de bediening der Sacramenten is een deel van den openbaren ambtelijken dienst, welken God wil, dat door niemand waargenomen wordt, dan door die van Hem geroepen is.

319. Wie moeten echter tot de sacramenten toegelaten worden?

Tot den doop (moeten toegelaten worden) niet alleen de volwassenen, die het fundament van het Christelijk geloof recht belijden, en een leven voeren, dat Christenen niet onwaardig is, maar ook de kinderen. die uit hen geboren zijn, welke de Kerk voor geloovigen erkent. Tot het Avondmaal des Heeren echter (moeten) alleen volwassenen (toegelaten worden), die zichzelf beproeven kunnen, en deze beproeving met belijdenis en leven openbaren.

320. Wat moet men voorts met hen doen, die een leven voeren, dat voor Christenen onwaardig is?

Zij moeten door de kerkelijke tucht bedwongen worden.

G. B.


2) Qui accessuri se ipsos probant. 3) Explorantes nos ipsos, an simus vera Christi membra.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 mei 1939

De Reformatie | 8 Pagina's

Calvijn over kerkelijke macht en synode-uitspraken.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 mei 1939

De Reformatie | 8 Pagina's