GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

„Stotteren" op Paschen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

„Stotteren" op Paschen

7 minuten leestijd

Amice,

Je herinnert je uit de kerkelijke pers allicht, dat onlangs ds Leenhouts (Soest) gezegd heeft (met zijn kerkeraad), dat dè synode van 1942^—44 profetisch gestotterd heeft. Die uitspraaic zag op de bekende bindend verklaarde uitspraken, die een deel der oorzaken van de breuk van '44 en dus ook een cféel der redenen van het herstel In de vrijmaking zijn geweest.

Dat woord „stotteren" klonk niet erg bemoedigend voor mensohenv die meenen dat de^ synode: van '44-sprak met goddelijk leergezag. r •, •••• ,

•Maar ook-het „stotteren" schijnt in eere te komen. Prof. Dr G. C. van Niftrik althans schrijft, dat ook Mattheus, Marcus, Lucas, Johannes hebben „gestotterd" en dat de bijbel dit „gestotter" voor ons bewaard heeft.

Prof. van Niftrik is één van de jongste apologeten en luidsprekers van Karl Baïth. Als zoodanig heeft hij bij de firma Callenbach te Nijkerk een ook aan ons blad ter bespreking toegezonden lijvig werk uitgegeven (520 blz.), onder den titel: Zie, de Mens. Keurig uitgevoerd, mooie stofomslag, een lust voor de oogen. Als ondertitel voert het boek: „Beschrijving en verklaring van de Anthropologie van Karl Earth".

't Boek bedoelt dus wat Barth over „den mensch" zegt, bij ons nederlandsohe publiek bekend te maken.

Nu, de schrijver houdt zldh aan zijn plan. Barth wordt werkelijk getrouw gecopieerd. Ook het laatst verschenen dl III, 3 van zijn dogmatiek. In zijn , , Heldelbergsche Catechismus", deel III, aflevering 3 (twee maal III, 3 dus) heeft de redacteur van ons blad uitvoerig daartegen geschreven. En getracht aan te toonen, dat met name in zijn beschouwing over de zonde Barth niet alleen ondoordachte uitlatingen van anderen over Luther klakkeloos overneemt, doch ook op de ernstigste wijze te kort doet aan wat wij Gods majesteit noemen, en zich in hopelooze tegenstrijdigheden verwikkelt. Niettemin worden al die klakkeloosheden, en tegenstrijdigheden en — ketterijen hier rustig doorgegeven. Van de tegenspraak neemt de schrijver niet de minste notitie.

Nu, dat is niet erg, ' tenminste vergelijkenderwijs. Als prof. V. Niftrik prof. Zuldema aanhaalt (in diens bezwaren tegen het existentialisme), dan wordt staande gehouden, dat dit gestotter-per-luidspreker, het existentialisme beter verstaan dient te worden dan het zichzelf verstaat, en dat men er dankbaar voor dient te zijn, dat hier een structuur van denken gevonden wordt, dat formeel verwantschap vertoont met het bijbelsche denken (38).

Als we zulke dingen lezen, troosten we ons maar erover, dat de van gereformeerde zijde tegen Barth ingebrachte bezwaren worden genegeerd. Want als prof, v. Niftrik er kans toe zag, zou hij misschien verkondigen, dat K. D. III, 3 allicht ook door H. C. III, 3 wordt gesteund; men dient — zou hij misschien zeggen — H. C. III, 3 beter te verstaan, dan H. C. III, 3 zichzelf verstaat. Hebben vurige synodooraten ook al niet eens zoo iets beweerd, dat K. S. formeel met Barth overeenkomst vertoont? Richel beweerde eens: als K. S. de Kerk „actueel" vergaderd ziet WORDEN, dan lijkt hij wat op Earth's actualisme. •

Maar we dwalen af. We zouden het over dat „stotteren" hebben. Schrijver spreekt ook (380) over de Paaschgeschledenls. Is dat een „miraculeus" natuurgebeuren? Weineen, zegt hij, wie het zoo ziet, is bezig het te discrediteeren. Deze nieuwe opvatting (want het was wel geen natuurgebeuren, doch tóch w^el een mirakuleus gebeuren ook in „de natuur") is er een van de zoogenaamde nieuwe gemeente. Maar ze wordt natuurlijk op het conto van de oude gemeente geschreven. De oudste zelfs. De oudste gemeente wè, s niet geïnteresseerd in de mogelijkheid en werkelijkheid van doodenopwekkingen überhaupt en in het algemeen, maar in de opstanding van dézen Doode en in de daarmee geïnaugureerde opstanding aller dooden. Met een algemeene polemiek tegen het begrip van een ook de natuur omvattend wonder, begint men tegen Jezus' opstanding niets: het gaat bij Jezus' opstanding om een contingent factum. Van hieruit is het te verstaan, dat de opstandlngsverhalen vele tegenstrijdigheden bevatten. De evangelisten spreken om zoo te zeggen stotterend over deze zaak, dit contingènte factum, dat ook zij allesbehalve vanzelfsprekend vonden. Uit de verhalen van de vier evangeliën kan onmogelijk een „historisch" relaas in onzen zm samengesteld worden".

„In onzen zin" niet — zegt de schrijver.

In welken zin dan soms wel ? O, dat in en uit redeneeren, inhaerent aan het systeem.

„De veertig dagen" tusschen Paschen en Hemelvaart? Hoor:

„Ook de veertig dagen van Hand. 1 : 3 inoeten typologisch en niet als een exacte chronologische aanduiding gewaardeerd worden" (wel als een niet-exacte ? ). „Er is daarmede" — zoo vervolgt de auteur — „stellig contrast bedoeld met de veertig dagen en nachten van den zondvloed (Gen. 7:4, vergelijk ook Ezech. 4:6; Jona 3:4), contrast ook met de veertig dagen van Jezus' verblijf in de woestijn met de daarbij behoorende verzoeking (Matth. 4:2; Luc. 4:2); vermoedelijk positieve relatie tot de veertig dagen, die de het volk vooruitsnellende verspieders in Kanaan hebben doorgebracht (Num. 13 : 25), en tot de veertig dagen en nachten, waarin Blia gesterkt door de van den engel ontvangen spijs naar den berg Gods, Horeb, trok (1 Kon. 19 : 8)".

En nu de conclusie:

„Men zal dus van de Paaschgeschiedenissen wel moeten zeggen, dat hier elke chronologische en topografische exactheid ontbreekt".

D.w.z. niet in den tijd exact.

En niet in de ruimte exact.

Nog één conclusie: „men kan deze verhalen ook niet verlfieeren door onafhankelijke getuigen".

Neen — dat geven we toe. Maar van afhankelijke getuigen? De apostelen waren getuigen Gods, en hebben als zoodanig moeten fungeeren als oogen van de kerk, als ooren van de kerk. Exact werkende oogen. Exact functioneerende ooren! Maar hier raken we hem kwijt. Voor altoos. » .; ..', •.

En na al deze ingewikkelde bijdragen aan de fides impllcita, waaraan de Barthianen hun niet-begrijpende volgellngen-in-de-doorbraak blijven wagen, krijgen we dan de volgende eindconclusie':

„Het is een beetje komisch van al deze gegevens één enkel samenhangend verhaal te willen maken" (maar iets anders is: het als samenhangend te gelooven, en dan dien samenhang weer aan te wijzen, niet als , , gemaakt", doch als „erkend").

Verder:

„Men kèn hier niet spreken van „historie" in de ons bekende beteekenis. 1 Cor. 15 : 3—8 is zéker ook niet bedoeld als een soort getuigenverhoor ter levering van een „historisch"! bewijs. De ^opstandlngsverhalen spreken In den stijl, en dat beteekent: n de vrijheid, in de dichtende vormgeving en in de duisterheid van de „geschicht-Uche" SAGE. Zij beschrijven een geschieden, dat ontoegankelijk is voor historisch onderzoek en historische beschrijving. Daarom moet men niet probeeren te harmonlseeren". " • , .

Met andere woorden: gezegend stotteren! Als de evangelisten alles hadden gegeven in den vorm der kronieken, zouden de Barthianen het te kwaad hebben met hun theorie over het welsprekend stotteren. Dialectisch spreken is stotteren. , < f fi-n^ Si^'i

En het ledige graf? En de hemelvaart? -• : ? •

Wel, zegt prof. Van Niftrik: „De berichten hierover wijzen de grenzen van den Paaschtijd aan: naar achteren en naar beneden het ledige graf, en naar voren en naar boven: de hemelvaart". Hoe dat bedoeld is? Zóó: „de Inhoud van de Paaschboodsohap was ook niet, dat het graf ledig was, maar dat Jezus lééfde. Het ledige graf en de hemelvaart zijn slechts de TEEKENEN van het Paaschgebeuren, zooals ook de maagdelijke geboorte slechts het teeken is van het Kerstgebeuren, namelijk, de verwekking en de-geboorte van den eeuwigen Zoon Gods". Het ledige graf, legende? „Goed, legende", maar dan toch een legende, die men niet verwerpen maar erkennen moet (382).

Een teeken dus, dat niet exact is, noch chronologisch, noch topografisch. Maar sage en legende. Respectabele legende.

Wie stuurt al de Barthianen naar Japan? Ze kunnen daar al hun mooie formeele geleerdheid prompt aan de Boeddhisten kwijt. Ook Boeddha levert een massa sagen, legenden, teekenen, getuigenissen.

Maar op een preekstoel moesten deze heeren liever niet gaan staan, aanstaanden Zondag. Want ze stotteren niet, ze praten veel te glad. Ze praten alles glad, al roepende: praat niets glad, want dat Is tomlsch. De evangelisten stotteren verheven? Ik geloof het niet. Maar de Barthianen hebben hun gestotter noodig, om eigen gladheid te verbergen achter protesten tegen de onze. Gelukkig, de mensch, die onder de „slechten" behoort, aan wie de „wet" van Psalm 19 wijsheid leert. De oudste beteekenis van „slecht" is „glad". En vandaar: eenvoudig.

Gegroet met een: Sursum Corda: de Heeré leeft en dus is het graf leeg. Je vriend

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 24 maart 1951

De Reformatie | 8 Pagina's

„Stotteren

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 24 maart 1951

De Reformatie | 8 Pagina's