GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

De kinderen des Verbonds.

Bekijk het origineel

Bladeren
+ Meer informatie

De kinderen des Verbonds.

12 minuten leestijd

III.

Het goed recht van den kinderdoop staat of valt met de verbondsleer onzer Vaderen.

Wie deze verbondsleer, die als een gouden draad door heel ons Doopsformu-Her heenloopt, niet beaamt, staat niet alleen machteloos tegenover hen, die den kinderdoop bestrijden, maar zou consequent ook zijn eigen kinderen niet mogen laten doopen. '1^oi> ].

Er is toch niet tweeërlei doop, dé eene voor. de kinderen en de andere voor de volwassenen, maar één doop, gelijk de Apostel uitdrukkelijk zegt: één Heere, één geloof, één doop (Ef. 4 : .S). Er mag verschil wezen in de voorwaarden die voor den Doop gesteld worden, in zoo verre bij een kind natuuriijk nog geeh sprake kan wezen van een zelf belijden van het geloof, terwijl dit bij een volwassene wel eisch is, gelijk 'het voorbeeld van den doop van den Kamerling ons toont, maar dit verschil raakt niet de kracht en beteekenis van het Sacrament zelf, alsof dit Sacrament een andere beteekenis zou hebben voor den volwassene dan voor het kind. Evenals de volwassenen worden ook onze kinderen toch gedoopt in den Naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes. Dit doopen in den naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes nu is niet maar een plechtige formule, die bij den doop wordt uitgesproken, maar is een verklaring, van wat God bij den doop ons betuigt en verzegelt. Die doop is dus niet alleen een uitwendig waterbad, waarin ons wordt aangewezen onze onreinigheid, en hoe het bloed van Christus ons daarvan wasschen moet, maar het is een ons betuigen en bezegelen van wat èn de Vader èn de Zoon èii de Heilige Geest in het verbond der genade voor ons is en doet. Al wat in de woorden: sin den naam des Vaders, des Zoons en des . Heiligen Geestes" ligt opgesloten en wat 'ons Doopsformulier u zoo kostelijk n b z s o h r w h a a n t d z e g G d p t k d j v z d v a D d G d i uiteenzet, geldt dus niet alleen voor de volwassenen, die na belijdenis van hun geloof gedoopt worden, maar evengoed voor onze kinderen. Het gaat daarom als verklaring en uiteenzetting van wat de doop 071S betuigt aan beide formulieren, zoowel van den kinderdoop als van den doop der volwassenen, vooraf. Daarom wezen we er in ons voorgaand artikel op, wat in deze woorden ook voor onze kinderen ligt opgesloten.

Het recht nu, om onze kinderen aldus te doopen in den naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes, ligt uitsluitend gegrond in de belofte, door God den Heere ons geschonken, dat Hij de God van ons zaad wil zijn. Indien God de Heere toch zelf deze kinderen opneemt in het verbond Zijner genade evengoed als de volwassenen, die tot geloof zijn gekomen, welk recht zou de Kerk dan hebben om hun den doop te weigeren, dié een teeken en zegel van dat genadeverborid is ? En niet alleen grondt het recht om de kinderen des Verbonds te doopen, zich in deze belofte, maar in die belofte ligt ook opgesloten al wat ons Doopsformulier verder van deze kinderen des Verbonds zegt. Indien deze God des Verbonds toch hun God is, dan volgt daaruit van zelf, dat zij ook ïkinderen Gods-ï zijn, ^erfgenamen van het Koninkrijk der hemelen*, en »geheiligd in Christus Jezus< , want al deze titels zijn slechts een nadere uitwerking van hetgeen dat: k ben hun God, beteekent. Zelfs zijn deze uitdrukkingen niet alleen niet willekeurig door onze vaderen gekozen of door hen uit deze verbondsbelofte afgeleid, maar ze zijn rechtstreeks aan de Heilige Schrift zelf ontleend. Onze vaderen minden het, vooral in hun liturgische geschriften, om de taal der Schrift te spreken. Het »Gods kinderen* is ontleend aan Ezechiel 16 : 21, waar God de Heere zelf de kinderen des verbonds Zijne kinderen noemt. Het »erfgenamen van het Koninkrijk der hemelen" is ontleend aan het woord van Christus : , , want derzulken is het Koninkrijk der hemelen (Matth. i9 : 24)." En het »geheiligd in Christus Jezus* aan wat de Apostel Paulus in I Cor. 1 : 14 zegt, dat de kinderen der geloovigen sheilig-s: ijn.

Wie zulke uitdrukkingen afkeurt en daarin zelfs een gevaarlijke en verderfelijke leer ziet, weerspreekt daarmede niet alleen de kostelijke belijdenis onzer Kerk, maar, al mag hij zich hiervan niet bewust zijn, Gods eigen Woord. Het doet er daarom ook niet toe, of de uitdrukking : dit uw kind in het gebed vóór den Doop gelezen moet worden of niet, want het gaat niet om deze ééne uitdrukking, die in ons Doopsformulier voorkomt, maar om wat Gods Woord aangaande de kinderen des Verbonds ons leert. De grond waarop we ons beriepen voor deze verbondsbeschouwing van onze kinderen, was dan ook niet deze ééne uitdrukking in het Doopsformulier, welk formulier tenslotte menschenwerk is, maar hetgeen God de Heere zelf ons zegt in Ezechiel 16:21. Want indien God de Heere daar de kinderen der afgodische Israëlieten, die aan den Moloch geofferd werden, toch, omdat zij kinderen des verbonds waren, Zijtt kinderen noemt, dan geldt dit natuurlijk in nog veel sterkere mate voor de kinderen van Christusgeloovige ouders, die door hen niet aan den Moloch geofferd, maar aan God d^n Heere in den doop worden opgedragen. Dat we daarnevens ook op de uitdrukking in het gebed voor den Doop wezen, was dus niet, omdat deze uitdrukking voor ons besliste, maar alleen om te doen uitkomen, hoe volkomen juist onze vaderen deze verbondsrelatie hebben begrepen en hoe aangrijpend ze juist op dien grond bij God den Heere voor dit te doopen kind hebben gepleit.

De bezwaren, die men tegeh deze verbonds-' beschouwing van de kinderen des verbondsaanvoert, onderschatten we daarom niefe.! Het gaat toch niet aan, zoo zegt men, : van al deze gedoopte kinderen hoofd voor hoofd te verklaren, dat zij als kinderen Gods, als erfgenamen van het Koninkrijk der hemelen, als geheiligd in Christus Jezus zijn te beschouwen, terwijl de ervaring maar al te droef telkens weer leert, dat zoovelen van deze gedoopte kinderen bij hun opwassen tooneh van de waarachtige genade Gods niets te bezitten en dus in werkelijkheid geen kinderen Gods zijn. Een van beiden dus, zegt men, óf wanneer ge toch volhoudt, dat deze kinderen bij hun doop werkelijk kinderen Gods zijn geweest, dan moet ge wel tot de schrikkelijke dwaling komen, dat er dan op later leeftijd bij hen een afval der heihgen heeft plaats gevonden, wat lijnrecht ingaat tegen Gods Woord; of wel, wanneer ge dat niet stellen durft, dan is heel deze verbondsbeschouwing van u niets anders dan een fictie, een onwaarheid, omdat alle werkelijkheid er aan ontbreekt. En niet alleen, dat zulk een fictie in de Kerk toch nimmer geduld mag worden, omdat de waarheid hier heerschen moet, maar - ze iSv ook voor onze kinderen een zeer ernstig gevaar. Want als gij ze laat opgroeien in die gedachte, dat ze al kinderen Gods en erfgenamen van het Koninkrijk der hemelen zijn, dan zal daardoor de prikkel voor hen worden weggenomen om tot waarachtig geloof en tot oprechte bekeering te komen en zoo wordt ge door die leer van dit ingebeelde kindschap Gods juist oorzaak, dat ze voor eeuwig zouden verloren gaan.

Al ontkennen we het gewicht dezer bezwaren niet, toch mogen de tegenstanders der verbondsleer één ding niet uit het oog verliezen, dat al deze zelfde bezwaren niet alleen de verbondsbeschouwing van ons Doopsformulier of van welken Theoloog dan ook gelden, maar evenzeer hetgeen Gods Woord ons aangaande de kinderen des Verbonds uitdrukkelijk leert. Natuurlijk is elke voorstelling, alsof ons Doopsformulier

een doopsgenade zou leeren, die aan elk gedoopt kind zou worden meegedeeld en later weer zou kunnen te loor gaan door eigen schuld, een dwaasheid. Wie dat beweert, of degenen, die deze verbondsleer nu weer met kracht op den voorgrond stellen, verwijt dat ze zulk een afval der heiligen zouden leeren, belastert hen tegen beter weten in. Warit er is niemand onder onze Gereformeerde vaderen en ook niemand onder onze tegenwoordige theologen, die niet van harte gelooft en belijdt, dat wie eenmaal door Gods genade wedergeboren is, niet kan verloren gaan, gelijk de Apostel Johannes zegt: want zijn zaad blijft in hem" (I Joh. 3 : 9). Het gaat daarom niet over de vraag, of elk kind des verbonds werkelijk een wedergeborene is, maar alleen hierom of wij krachtens de belofte Gods onze kinderen als kinderen Gods, als erfgenamen van het Koninkrijk der hemelen, als geheiligd in Christus hebben te beschouwen en dienovereenkomstig ook hebben te behandelen. En wanneer men hiertegen nu aanvoert, dat deze verbondsbeschouwing van het zaad der geloovigen dan toch een fictie, een onwaarheid is, en voor de opvoeding zelfs zeer ernstige gevaren oplevert, dan antwoorden we, gelijk ook onze Catechismus dat zoo schoon doet, dat al ware dit zoo, we toch niet anders spreken en handelen mogen, omdat we niet wijzer mogen zijn dan God de Heere ons in Zijn Woord gebiedt. Hoe we de kinderen des Verbonds hebben te beschouwen en te behandelen, hebben niet wij te bepalen, maar bepaalt God voor ons in Zijn Woord. En op alle bedenkingen tegen deze verbondsleer ingebracht, antwoorden we daarom met den Apostel Paulus: wie zijt gij, o mensch, die tegen God antwoordt^ (Rom. 9 : 20). Trouwens, deze bedenkingen gelden niet alleen tegen de verbondsbeschouwing van de kinderen des verbonds, maar evenzeer tegen de verbondsbeschouwing van de gemeente in haar geheel, zooals de Schrift ons deze telkens geeft. Als God de Heere Israël uit Egypte verlossen wil, dan noemt Hij Israël, dat wil dus zeggen heel het volk, de ouders en de kinderen. Zijn zoon, Zijn 'eerstgeborene (Mijn zoon, mijn eerstgeborene is Israël, Exodus 4:22), niettegenstaande Hij om de hardnekkigheid en ongeloof van ditzelfde Israël daarna in Zijnen toorn heeft gezworen : „Indien zij in mijne ruste zullen ingaan" (Psalm 95 : 11). Heel Israël als volk Gods wordt gedoopt in de wolk en de zee, als ze door de Roode Zee trekken; ze hebben allen van dezelfde geestelijke spijs gegeten, het hemelsche Manna, en denzelfden geestelijken drank gedronken, want zij dronken uit de geestelijke steenrots, die volgde en de steenrots was Christus, zegt de" Apostel, en toch verklaart dezelfde Apostel dat God in het meerder deel van hen geen welgevallen heeft gehad (I Cor. 11:1—5). Zelfs in de periode van zijn diepste verval blijft God Israël Zijn volk noemen en Israel's kinderen Zijn kinderen. En evenzoo geschiedt dit in het Nieuwe Testament met de gemeente van Christus. In al de brieven der Apostelen worden de leden der Gemeente aangesproken als „heiligen", als „geloovigen in Christus Jezus" (Ef. 1 : 1) als „heiligen in Christus Jezus" (Fil. 1 : 1) als „geliefden Gods" (Rom. 1 : 7) als , , uitverkorenen naar de voorkennisse Gods des Vaders" (I Petrus 1 : 2). Dat zijn de eeretitels, die hun gegeven worden, niet alleen aan enkele vromen in deze gemeenten, maar aan alle leden der gemeente, hoewel uit de brieven zelf van de Apostelen wel genoegzaam blijkt, dat ook onder de leden dezer eerste Christelijke gemeenten heel wat zonde en schijnchristendom werd gevonden. Nog sterker, de Apostelen passen dezen eeretitel toe niet alleen op de geloovigen in het algemeen, maar zelfs op degenen, die vroeger tot de gemeente van Christus behoord hebben, maar later afvallig zijn geworden. Wanneer de Apostel de gemeente van Corinthe waarschuwt voor de zonde van hoererij, dan is dit zijn hoofdargument, niet dat God aan ieder mensch deze zonde verboden heeft, maar: weet gij niet, dat uwe lichamen leden van Christus zijn? Zal ik dan de leden van Christus nemen en maken ze leden eener hoer? Dat zij verre" (I Cor. 6 : 15). Als de Apostel in denzelfden brief de »sterken in het geloof" vermaant om niet door misbruik van hun vrijheid aan zwakkere broeders aanstoot te geven, waardoor deze terug zouden vallen in het heidendom en den dienst der afgoden, dan is dit wederom zijn hoofdargument: Zult ge door uw kennis den zwakken broeder doen verloren gaan, om welken Christus gestorven is (I Cor. 8 : 11). En geheel in dienzelfden zin schrijft de Apostel Petrus in zijn tweeden zendbrief hoofdstuk 2 vs 1, dat er valsche profeten onder het volk waren, die »den Heere, die lien gekocht heeft, verloochend hadden en een haastig verderf over zich zelf hadden gebracht.* »Voor wie Christus gestorven is, die Hij gekocht heeft met zijn bloed« — het is onmogelijk zegt ge, dat dezulken kunnen verloren gaan, want Christus zelfheeft immers gezegd: iemand kan ze rukken uit mijne hand, die de Vader, Mij gegeven heeft. < Ge hebt volkomen gelijk: eder voor wie Christus stierf, wordt ook zalig; die Hij kocht met zijn bloed, die blijft eeuwig zijn eigendom. Zoo is het van uit het eeuwig raadsbesluit van God gezien.

Maar even beslist als we dit op grond van Gods Woord uitspreken, staat ook krachtens de bovengenoemde uitspraken van datzelfde Woord Gods voor ons vast, dat alle leden der gemeente, dus ook degenen, die ten slotte verloren gaan zullen, door ons beschouwd moeten worden, zoolang ze lid der gemeente zijn, alsof ze door Christus gekocht v/aren met Zijn bloed, alsof Hij voor hen gestorven ware aan het kruis. De reden hiervan is, dat de Schrift ons uitdrukkelijk leert, dat j^hristus zijn bloed vergoot niet voor enkele losse individuen, maar voor heel de kudde, voor de gemeente, voor zijn volk (Hand. 20 : 28) en dat we daarom naar het oordeel der liefde al degenen, die op aarde tot de gemeente behooren, voor het eigendom van Christus hebben te houden. Zoo worden deze sterke uitdrukkingen van de Apostelen terecht door onze Kantteekenaren verklaard. En waar dit "de regel is, dien Gods Woord ons geeft, niet alleen bij de beschouwing van Israël als bondsvolk, maar ook bij de gemeente des Nieuwen Verbonds, daar hebben ook wij, uit gehoorzaamheid aan Gods Woord, ons stipt aan dezen regel te houden, èn bij de volwassen leden der gemeente èh bij de kinderen des Verbonds. Want ook deze kinderen der geloovigen behooren tot de gemeente van Christus; zij zijn de lammeren van Zijn kudde.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 13 juni 1915

De Heraut | 4 Pagina's

De kinderen des Verbonds.

Bekijk de hele uitgave van zondag 13 juni 1915

De Heraut | 4 Pagina's

Bladeren