GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Van de Voleinding.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Van de Voleinding.

21 minuten leestijd Arcering uitzetten

CLXVIII.

VIJFDE REEKS.

XXX.

En die koning zal doen naar zijn welgevallen, en hij zal zich zelven verheffen en gfroot maken boven allen god, en hij zal tegen den God der goden wonderlijke dingen spreken; en hij zal voorspoedig zijn, totdat de gramschap voleind zij, want het is vastelijk besloten, het zal geschieden. Dan. 11 : 36.

Het Joodsche volk heeft alzoo na zijn terugkeer uit de ballingschap een godsdienstige opvatting gehuldigd, die allengs meer afweek van de Openbaringsreligie waarin Israels oorspronkelijke kracht lag, en is daardoor ten slotte lijnrecht tegenover de geestelijke openbaring komen te staan, ja, geëindigd met tegenover den Christus, toen hij verscheen, de meest volstrekte tegenstelling te bepleiten, en deze anti these op Golgotha in het Kruis van den Man van smarten te bezegelen. In Christus' dood komt op de meest besliste wijze uit, hoe de gevallen mensch onmachtig is aan zijn Goddelijke roeping te beantwoorden, en hoe alleen door de offerande van Christus de Verzoening met God en alzoo het nieuwe, d. i. eeuwige, leven bereikbaar is. Het Jodendom daarentegen ging uit van de aandrift, om den gevallen mensch zelf, tot in het stiptste en allernauwkeurigste, de Goddelijke Wet te laten volbrengen. Een zelfbedrog dat .uiteraard alle behoefte aan Verzoening uitsloot. De Messiaansche lijn, die in de Profetie was voorgeteekenci, 51.eed 'trjo-ueauoru daardoor af, èn het zocht nu de bevrediging der Messiaansche verwachting eeniglijk in een Messias uit de Joden zelf, die met wapengeweld de volken zou onderwerpen, om alzoo het Jodendom ter overwinning te leiden. Daarom kon het niet anders, of dat Jodendom moest met den Messias, die naar Gods raad, in Bethlehem verscheen, in rechtstreeksche botsing geraken. Heel Jezus optreden, vooral in Judea, en in nog enger zin te Jeruzalem, toont dan ook, hoe 't aanstonds in het wee Ut, en in het daarop gevolgde Kruis, tot principieele botsing tusschen den Messias en de Joden gekomen is. Dat hing niet aan den persoon van Judas, noch aan den pers®on van Caiaphas, maar was rechtstreeks een noodzakelijk uitvloeisel van den geest, die in 't Jodendom allengs gerijpt was, en die lijnrecht tegen den geest van het Evangelie kwam over te staan. Hoe schijnbaar hard Jezus' strafredenen tegen de Pharizeërs dan ook mogen geweest zijn, toen eenmaal "de peest van het Evangelie rechtstreeks met den geest der toenmalige Joden in aanraking kwam, ontbrak alle brug die van het ééne naar het andere standpunt een overgang mogelijk had kunnen maken. Jezus was voor de toenmalige Joden een ondragelijke figuur, in zoover hij de hoogste pretentie maakte op het bezitten van-de geopenbaarde waarheid, en toch keer op keer, zoo met name op den Sabbath, zich op een wijze aanstelde, die in het oog der Pharizeërs, niet alleen niet prijzenswaardig, maar beslist zondig was. Daarbij ging het nu om de schare. De Christus van zijn kant poogde de schare vrij te maken van den onheiligen vormendienst, dien het Pharizeïsme steeds straffer en strenger poogde in te voeren en op alle manier door te zetten, en de Pharizeërs van hun kant konden het niet anders inzien, of ook de schare moest in hun vorm-en letterdienst geheel ingaan, zou het Messiaansche heil ooit haar deel worden.

Maar al kan hierop niet genoeg nadruk gelegd, omdat alleen zóó de juiste verhouding tusschen het optreden van den Christus en de positie der toenmaals toonaangevende en leidende Joden begrepen wordt, toch behoeft dit ons 't oog niet te doen sluiten voor de op zich zelf alleszins lofwaardige drijfveren, die in het toenmalige Jodendom nog nawerkten. Dit betere element komt vooral uit, zoo men op de dagen van de Makkabeërs teruggaat, toen het Pharizeïme wel reeds aan het opkomen was, maar toch nog niet geheel den geest van het Jodendom vergiftigd had. En al blijkt nu uit de Evangeliën zeer duidelijk, dat in Jezus'dagen dat'goede element op zeer droeve wijze was ingekrompen, en de valsche schijn-religie steeds meer meester werd op het publieke terrein, toch velt men een onjuist oordeel, zoo men toegeeft aan de neiging om in dat Pharizeïsme, zelfs in Jesus dagen, niets, wat ook, dan uiting van een demonischen geest te willen zien. Reeds dit trekt aan, dat van meet af bij de strenge Joden de religie geen bijzaak van het leven was, maar in heel het leven op den voorgrond stond. Vooral de lieden der wereld zijn er steeds op uit om den vromen kring van huichelarij en geveinsdheid te betichten, en juist door dit smalen op dezen strengen religie-ijver hun eigen onverschilligheid op godsdienstig standpunt te rechtvaardigen. Nu nog is niets. gewoner, dan in kringen, die 't liefst met de religie niet te nauw nemen, zulk afgeven op den letterdienst en op de schijnheiligheid der zich vroom aanstellende burgers, in allerlei toonaard te hooren uitgalmen. Nooit en nergens heeft in stad of dorp ooit godsdienstige levensernst geheerscht, of in kroegen en gelagzalen was 't schier vaste gewoonte den spot te drijven met het gebed en den lofzang, en het kerkgaan en het zich houden aan den vollen zin der confessie te bespotten. En zonder nu in 't minst wat in vormendienst verstijfde te willen verschoonen, spreekt 't toch wel vanzelf, dat alle teederder Godsvereering steeds op alle manier te kort zal schieten, en aanleiding tot belaching kan geven, zonder dat daarom het gebrekkige van den vorm recht geeft alle edeler element in zulk een te kort schietende vroomheid voorbij te zien. En zoo nu was het ook in het toen afgaande Jodendom. Het uitgangspunt dat het koos, deugde niet. De lijn waarlangs het zich bewoog, was verkeerd. Het kon niet anders of een aldus zich aanstellende vroomheid moest ten slotte op vertreding van alle waarachtige Godsvrucht uitloopen. Maar ook al erkent men dit zonder aarzeling, toch mag ons dit nooit verleiden, om het heilig element dat in en onder dat alles nawerkte, voorbij te zien. Al aanstonds'springt het in het oog, hoe 't Jodendom van na de ballingschap radicaal met alle afgoderij, en wel in 't, bijzonder met den Baal, gebroken heeft. Evenzoo strekte het den Joden na de ballingschap tot eere, dat zij de heilige openbaring die van Mozes af aan Israel was ten deel gevallen, ook in het volksleven krachtig op den voorgrond stelden. En bovenal wekt het ongedwongen onze bewondering, als de historie ons verhaalt, hoe de nobelsten onder de Joden van die dagen, er willig hun leven voor ten offer brachten, om de eere van Jehovah hoog te houden, en Hem met algeheele toewijding te verheerlijken. Zelfs de steeds talrijker groepen van bedevaartsgangers toonden, bij de slechte reisgelegenheid en hoogst gebrekkige verkeersmiddelen dier dagen, door wat hoogen ernst de Joden destijds in het heilige bezield werden. En niet minder strekte hun zich laten slachten op den Sabbath, uit beslisten onwil om op den Sabbath het zwaard te trekken, ten bewijze voor de oprechtheid waarmee ze het wettisch standpunt aanvaard hadden. Liever dan den Sabbatli te schenden, door op den Sabbath slag te leveren, lieten ze zich wegmaaien door het vijandelijk zwaard.

Antiochus Epiphanes heeft door zijn stelselmatige vervolging aan de Joden in Palestina destijds de doodelijke kans geboden, om de eere van het geestelijk monotheïsme tegenover het polytheïstisch Paganisme hoog te houden. Na Alexander's sterven was zijn onmetelijk rijk uiteengevallen. Een deel der Joden zocht toen in Egypte een toevlucht, maar Palestina en in Palestina Jeruzalem met den tempel des Heeren, kwam onder de heerschappij der Syrische Seleuciden. Jeruzalem werd aan Damascus onderworpen, en nu was met name in dat Syrische deel van Azië de vergoding van den Vorst des lands schier inheemsch geworden. Reeds in Babyion was die-booze gedachte doorgedrongen, en Daniël verhaalt er ons van, maar vooral toch in de derde en tweede eeuw vóór Christus heeft deze onzinnige gedachte zich steeds meer ingang weten te verschaffen. Men vi^Gt, hoe ze ten slotte zelfs in het Keizerlijk Rome ingang vond, en hoe tal en tal van Christenen den martelaarsdood tegengingen, alleen door hun weigeren om den wierook voor het beeld van den Keizer te ontsteken. Dat deze gedachte vooral in het Oosten was opgekomen, bevreemdt niet. Onder het veelgodendom heerscht steeds zekere vrijheid van religie. Waar meerdere tempels en kapellen in eenzelfde stad de deuren ontsloten voor de scharen die den afgod kwamen aanbidden, die in elk van deze tempels onderscheidenlijk aangebeden en bewierookt werd, kon van eenheid van belijdenis en eeredienst geen sprake zijn. Wel was er in elk land, en veelal ook in de onderscheidene gewesten, een bepaalde afgod, wiens dienst uit historische oorzaak op den voorgrond trad, en ook waren er wel steeds enkele afgoden, die schier in alle steden hun altaar hadden, maar eenheid van religie en eenheid van eerediens| gelijk de Mahomedanen die gekend hebben, vond men onder de Heidenen meestal 'niet. Zelfs kan niet gezegd, dat de dien^: ^ der afgoden zich splitste naar de indéeling van geslachten en families. Wel gofd ook hier zekere traditie, zoodat schier elfee familie gemeenlijk den afgod eerde, wjen de vaderen en voorvaderen zich hadden toegewijd, maar toch was het volstrekt niet ongewoon, dat eenzelfde persoon meerdere afgoden diende, zoo b. v. naar zijn beroep of naar zijn gelegenheden. Er 'vas een afgod voor den geleerde, *^ een afgod voor den'man der kunst, een afgod voor de drijvers van koophandel en scheeptaart, voor de verre reizigers, voor militairen, voor^amoureuze ontmoetingen, en zooveel meer; en juist deze veelheid der afgoden bracht van zelf teweeg, dat schier allei wegen een veelheid van eerédienst, die van'• zelf vrijheid van vereering met zich bracht, ingang vond. Juist die veelheid echter leidde er nu van zelf toe, om toch anderzijds op zekere eenheid in het religeuse bedacht te zijn, en deze eenheid zocht men toen ten leste in de vereeringt van den Vorst als goddelijk persoon.

Dit kon op dit standpunt nauwelijks anders. Naar gelang de Rijken zich uitbreidden en machtiger in omvang werden, nam steeds het gevaar toe, dat het Rijk uiteenviel in deelen, en dat juist het verschil van eerédienst deze splitsing en deeling in de hand zou werken. Vandaar toen de verleidelijke gedachte, om alle deze deelen meer vastheid in saamgebondenheid te geven, door één enkelen eerédienst voor alle onderdanen verplichtend te stellen. Zoo bleef men dan vrij, en kon iedereen zijn eigen afgod eeren, maar één afgod moest aan alle man 'n het rijk gemeen zijn, en aan diens dienst moest elke onderdaan zich vrijwillig toewijden. Daar nu vooral in de machtige Rijken, die telkens opkwamen, de Vorst van het land het groote middenpunt was, waarom 't al zich met verschil" van straallengte bewoog, lag 't voor de hand, dat men ten slotte dien Vorst zelf vergoddelijkte, en 't zij reeds bij zijn leven, 't zij na zijn sterven, hem altaardienst bewees.

Doch juist hier stond 't Jodendom nu lijnrecht tegenover. Aan de gewone afgoden kon nog een schijn van Goddelijkheid gegeven worden, zoodat. ten slotte velen ook in Palestina het verschil tusschen Baal en Jehova niet inzagen, en waanden in Baals tempel toch den God te vereeren die de vaderen uit Egypte bevrijd had. Maar nu het er ten slotte toe kwam, dat men een mensch als zoodanig Goddelijke eere ging bieden, kon 't niet anders of èn 't geestelijk element in de religie der Joden èn het monotheïstisch karakter van hun religie, moest met een aldus zich ontplooiend Paganisme in onverzoenlijken strijd geraken. De twee uitersten stonden hier principieel tegenover elkander. Voor de Joden zelfs elk beeld in den eerédienst uitgesloten, en de mensch voor Jehovah in het stof neergeworpen, en daartegenover nu het Heidendom, dat, niet meer tevreden met gewone afgoderij, om aan het Rijksbewind bovenaardsche kracht bij te zetten, de Goddelijke vereering van den Vorst als mensch ging vragen.f Antigonus II nam zelfs den bijnaam van Theos, d.i. van God, aan. Juist hierdoor kwam de grondtegenstelling tusschen het Paganisme en het Israelitisme steeds klaarder voor der Joden bewustzijn te staan, en begon ook omgekeerd de geestelijke religie der Joden voor de Heidenwereld een steeds meer verdacht en bedenkelijk karakter aan te nemen. Die machtige gedachte, dat de Joden slechts één God eerden en aan alle andere afgoden alle Goddelijke eere betwistten, en daarbij de tweede belijdenis, dat die ééne God onzienlijk en zelfs 't afbeelden van dien God streng verboden was, begon steeds duidelijker in het oog der Heidensché vorsten en priesters een beleeging te worden, die ze niet langer dulden konden. En hoe onherroepelijk ook het oordeel van den Christus over de Pharizeën en Schriftgeleerden geweest zij, en zijn moejt, toch mag in niets te kort worden gedaan aan de bewondering die steeds ook van Christelijke zijde aan de Joden uit de derde en tweede eeuw vóór Christus gewijd is voor de onverzettelijkheid en de niets ontziende opoffering, waarmede destijds tegen het Paganisme de eenheid, de volstrekte geestelijkheid en de onzienlijkheid Gods, ten koste van goed en bloed, door de Joden verdedigd is.

Het ging toen hard tegen hard. Niet Israël, maar dat booze monotheïsme in de Israëlieten moest en zou worden uitgeroeid. De Seleuciden duldden dit monotheïsme niet, omdat het hun Rijksidée omverwierp; de priesters van Damascus woedden er tegen, omdat het' een negatie van hun eigen waardigheid]inhield; en de wijsgeeren en vrienden der Hellenistische cultuur spuwden er vuur en 1 vlam tegen, omdat het hun ontwikkeling^veroordeelde als leugenachtig en den mensch onwaard. Van meet afgaf 't dan ook tusschen Damascus en Jerusalem tergenden twist, maar toch eerst onder Antiochus den IVe, die in 175 koning werd, en in 164 stierf, bereikte deze niets ontziende Paganistische dwingelandij haar hoogtepunt, en het is tegen dezen Antiochus Epiphanes dat Matathias, en meer nog diens zoon Judas, uit het geslacht der Makkabëen, of wel van de Hasmonëen, den heiligen volksoorlog organiseerden. Met opzet poogden de Syriërs te Jeruzalem al wat den Joden heilig was te ontheiligen. Van uit Damascus griefde men de Joden slag op slag door de brutaalste aantasting van der Joden heiligen eerédienst. Men ontzag ten slotte niets meer. En het blee^ niet bij daden van Godslastering, maar ten slotte werd ook het Syrische.leger óp Palestina afgezonden. Het fort in de hoofdstad hielden de Syriërs reeds van voorlang bezet, maar nu werd ook het leger er op uitgezonden, om de guerilla van de vrije mannen in het land zelf te onderdrukken. Die Joodsche guerillabenden stonden onder aanvoering van nobele mannen, meest van priesterlijken huize, diemet zeldzaam talent de harde worsteling met de Syrische troepen hebben volgehouden, En ten slotte is zelfs zulk een veerkracht, zulk een geloofsmoed, en zulk een onweerstaanbare dapperheid door deze Priestervorsten uit de Hasmoneën ontplooid, dat men te Damascus den strijd - op moest geven, en dat de nazaten van Matathias tot aan de opkomst van het Idumeesche huis van Herodes, te Jeruzalem in priesterlijke en vorstelijke eere gehuldigd zijn.

Toch kan daarom niet gezegd, dat de Vorsten uit het huis van de Hasmoneën op hun oorspronkelijk standpunt volhard hebben. Wonderen hebben ze verricht zoolang het er op aankwam, om, door hun guerillaoorlog in de bergen en in de bosschen, voor de rechten en de vrijheden van het Joodsche volk den strijd aan te binden, maar reeds in 135 onder Johannes Hyrkanus viel een zwenking in de geestesrichting der Makkabeën niet langer te ontkennen. Zonder aarzeling hadden ze zich in hun eersten aanloop bij de Pharizeën aangesloten, en zich aangesloten bij het vrome volk in Judea, uit Galilea en van het Over-Jordaansche, maar sedert ze na volbrachten strijd binnen Jerusalem tot eere kwamen, en de priesterlijke eere met de vorstelijke waardigheid verbinden konden, veranderde hun gezindheid, scheidden ze zich van het volk al meer af, en bleken ze telkens, als azend op bezit van macht en grootheid, meer tot het Sadduceïsme over te hellen.

Deze zwenking van de Makkabeërs of Hammoneërs vervalschte toen geheel den toestand onder de Joden. Hun eens zoo heroïek geslacht was tegen de S)riërs in het veld getreden, om tegen de Helleensche cultuur den Joodschen eenvoud, en tegen over den wereldzin het geestelijke karakter van Abraham's nazaat te verdedigen. Maar nu sloegen ze zelven om, begonnen zelven in de Grieksche cultuur steeds meer smaak te krijgen, en toonden keei op keer, hoe macht en vorstelijke eer hun veel meer ter harte ging, dan de geestelijke eer van het Joodsche volk. Aristobulus I, die Johannes Hyrkanus in 105 v. Chr. opvolgde, regeerde slechts één jaar, maar maakte toch daardoor naam dat hij het zelf aandorst om den titel van Koning aan te nemen, doch reeds onder zijn kleindochter Alexandra begon het dit nu vorstelijk gezin tegen te loopen. Zij regeerde van 78—69, maar stond al spoedig tegenover een poging van het Pharizeïsme om weer den aiouden geest van Matathias te doen herleven. Steeds meer ergerde het geloovige volk er zich aan, dat de Priestervorsten, die eens in warmen geloofsijver het land van de onderdrukking der Seleuciden hadden weten te bevrijden, nu zelve meededen met de toch eigenlijk Paganistische geestesrichting die in de Grieksche cultuur het Joodsche volk van zijn eigen zelfstandig karakter zocht te berooven. Er kwam verzet en opstand van alle zijden. De tegenstelling tusschen hetgeen de Makkabeën oorspronkelijk hadden bedoeld, en wat er nu uit hen geworden was, sprak te kras. Het kon geen vrede blijven. Maar toen helaas toonde niets zoozeer als juist dit verzet van het Pharizeïsme tegen Alexandra's hof, hoe droef het Pharizeïsme zelf in deze kleine eeuw van zijn oorspronkelijk heilig bedoelen was afgegleden. Wat in het eerste verzet tegen de Seleuciden, nog lang vóór Antiochus Epiphanes, tot reactie had geleid, was nog bezielende nawerking van den oud-Israelitischen geest geweest. Sinds echter was, toen de vervolging ophield, de geestelijke richting onder het volk zelf verzwakt. De vormendienst begon toen reeds sterk het geestelijk leven te drukken. De schijn kwam voor het wezen in de plaats. De Schriftgeleerden traden reeds meer dan de helden op den voorgrond. En toen dan ook onder Alexandra nog een poging gewaagd werd om den geest der vaderen weer den toon in het volksleven te doen aangeven, liep deze burgerstrijd, reeds na korte worsteling, op al te bittere teleurstelling uit. Nieuwe heerschers waren reeds naderende, die ook Palestina onder den scepter van Rome zouden brengen, en de Idumeesche vorsten, onder wie Herodes vooraan stond, waren reeds uit het Zuiden komen opdagen, om de Maccabeesche vorsten. voorgoed te doen tuimelen.

Op de bijzonderheden van dezen ondergang kan hier niet nader ingegaan. Waar 't voor ons op aankomt, is slechts, te doen inzien, hoe 't Jodendom, dat uit de ballingschap nog met heilige bezieling terugkeerde, reeds kort daarna zijn geestelijke aandrift liet verflauwen, naar het uitwendige in den vorm oversloeg, en wel nog aanvankelijk, in staat bleek tot een krachtig verzet tegen de ontheiliging van den heiligen vorm, maar steeds meer zich verloor, eensdeels in een wereldsch meegaan met het Hellenisme in de Sadduceesche kringen, en voor het overige dooreen verstijven in strakke vormenweelde, en alzoo geheel onder de geestesbeheersching van de Schriftgeleerden kwam. Met de Essonen of Essaeërs behoeft hierbij niet gerekend te worden. Veler voorstelling alsof de Essaeërs een derde politieke groep van beteekenis waren, die naast de Pharizeën en Sadduceën optrad, berust op geheel onjuiste gegevens. Philo en Flavius Josefus schatten hun aantal slechts op 4000 personen voor het gansche land. En te minder kon van deze Essaeërs invloed op 't volk in 't land uitgaan, daar ze een gesloten orde vormden, die een geheime wijze van vereeniging en saamleven had, en veeleer op één lijn is te stellen met de kloosterorden die in Indië en andere deelen van Azië steeds inheemsch zijn geweest. Zoozeer zelfs sloten deze weinige monniken zich in hun orde op, dat ze in drie graden uiteenvielen, van de strengste, de strengere en de minst strenge levensregelen, en dat zelfs de leden die tot de laagste orde behoorden, niets mochten afweten van wat onder de twee hoogere orden verhandeld werd. Men verliest anderzijds toch ook weer zijn juistheid van blik op de bestaande toestanden van die dagen, zoo men deze Essaeërs - geheel buiten rekening laat. Vooral zie men er niet in een geheimen kring van mystieke bedoeling. Zelfs met de m)'stieke vereenigingen die Griekenland destijds hoog hield, mogen de Essaeërs niet vergeleken worden. Ze vormden een geheel op zich zelf staand groepje van zeloten, die voor de optreding van het Christendom in Palestina in geen enkel opzicht meetellen. Het bleef staan tusschen Pharizeën en Sadduceën. En toen nu de Syrische macht allengs onderging en de macht van Rome zich in Voor-Azië almeer deed gelden, zijn 't de Pharizeën en Sadduceën beiden geweest, die ten slotte niet veiliger waanden te kunnen gaan, dan door de Romeinsche legioenen half in te halen.

Nu waren de Romeinen kolonie-stichters van eerste orde. Waar mededingers opdoken, gelijk in Carthago, verzetten ze zich met alle macht, en was het Carthago delenda, d.i. Carthago moet vernietigd worden, de korte saam vatting van hun politieke wijsheid Het stond dan ook vast dat Carthago verdwijnen zou. Maar voor het overige stelden de Romeinen er prijs op, zich zoo min mogelijk met het nationale, sociale en familieleven van de aan hen onderworpen volken in te laten. De Romeinsche koloniale methode kent men het best uit die der Engelschen. Transvaal was voor hen 't Carthago, maar voor het overige laten ze in Indië, en lieten ze voor kort nog in Egypte, de volken vrij huishouden. Gibbon heeft in zijn The fall and decline of the Roinan Empire de feilen van het Romeinsche bewind scherp gegispt, en die feilen meed Engeland liefst, en in groote trekken jnag dan ook gezégd, dat Engeland juist zoo met het heilige land zou gehandeld hebben, als de Romeinen het in hun tijd deden. Gevolg van dit optreden der Romeinen was toen, dat al spoedig de Makkabeesche vorsten hun prestige moesten inboeten. Ze namen aldoor af in beteekenis, en van dit dalen van den horizont der Makkabeën is toen handig, en met gedoogen van Rome, gebruik gemaakt door het geslacht van Herodes den Groote.

Herodes' familie behoorde tot het geslacht van Ezau, en de Edomieten of Idumeeërs.die sinds de besnijdenis hadden aangenomen en ten volle tot het Jodendom waren overgegaan, leverden in Herodes' familie een reeks van vorsten, die sluw en slim in Jeruzalem wisten binnen te di-ingen, door politieken zin hun invloed wisten uit te breiden, en onder Herodes den Groote (40-4) een koninklijke macht wisten te ontplooien, die boven Davids macht uitging. Schier al wat Jood was bond hij weer in nationale eenheid saam. Hij deed pracht en weelde in alle streken van Palestina ontluiken. En tenslotte wist hij eenfonkelnieuwen tempel te bouwen, die in schittering Salomo's tempel nabijkwam. Het was deze tempel, waarvan Jezus het ontzettend noodlot profeteerde, toen hij zeide dat geen steen op den anderen zou gelaten worden. Aldus was de gesteldheid der dingen in het heilige land in de jaren waarin 't heilig kindeke van Maria, en in dat kindeke de waarachtige Messias, stond geboren te worden. Het was onder keizer Augustus, toen Cyrenius over Syrië stadhouder was. Zoo beschreef Lukas het, omdat hij in hoofdzaak voor Romeinen schreef. Maar in het heihge land scheen 't alles stil en rustig voort te leven. Aan de Romeinen was de opperheerschappij, maar het Joodsche volk leefde onder eigen vorsten. De Pharizeën zetten hun noodlottig proces voort om het geestelijk element uit het officieele leven geheel te bannen en liet almeer onder de strenge en doodende tucht van den wetsvorm te brengen, terwijl daarnaast de wereldschgezinde priesterorde in het Sanhedrin i& dduceïstisch afzwenkte. Slecht ééne mogelijkheid van aansluiting bleef er ten slotte nog voor den Zoon des menschen over. Die aansluiting was niet mogelijk met de Romeinsche macht, en al evenmin met de Pharizeën of Sadduceeën, Aansluiting voor Jezus was alleen te vinden onder het geloovige landvolk, dat nog onder de inspiratie van de aloude profetie voortleefde, en de komst van den Messias verbeidde. Dat volk heeft de Christus toen 't meest nog in Galilea gevonden, ten deele ook in het Over-Jordaansche, het minst in Judea, en het allerminst in Jerusalem. En toch heeft Jezus, tot aan zijn hemelvaart toe, zich tot deze aansluiting bepaald. Het verloren volk van Israel was de akker waarin hij hei zaad des Evangelies uitstrooide, en het is uit deze groep in 't Heilige land, dat onze Heiland zijn discipelen, straks zijn apostelen, riep.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 25 april 1915

De Heraut | 4 Pagina's

Van de Voleinding.

Bekijk de hele uitgave van zondag 25 april 1915

De Heraut | 4 Pagina's