GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

„Wachter, wat is er van den nacht?"

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

„Wachter, wat is er van den nacht?"

20 minuten leestijd

[O U D E J A AR].

De last van Duma. Men roept tot mij uit Seïr: achter, wat is er van den nacht? wachter, - wat is er van den nacht? Jesaja 21 : 11.

Een somberheid als van den nacht omzweeft ook nu weder het leven der volken. Donkere wolken doen telkens weer het lieflijk licht voor ons schuilgaan. Nu een jaar geleden was het ook reeds, of een doodsgerucht uit de verte naar ons opdrong, maar toen dorsten we nog hopen op spoedig herstel' van den vrede. Er was nog hope, er was nog verwachting, dat onze God aller bede verhooren zou. Een ernstiger'stemming in de Gemeenten drong er toe, om uitkomst niet bij veldheer of vorst, niet bij staatslieden of machthebbers, maar bij onzen God in de verootmoediging van onze smeeking te zoeken. Bijzondere gebedsuren riepen in schier alle land de ontroerde menigte in de tempels bijeen. En waarlijk scheen 't een, helaas, al te kort oogenblik, of de hooge ernst van den toestand dan toch eindelijk de slapers had wakker geschud; of aller zielsnood weer naar den Allerhoogste begon te roepen; en alsof, na korte beproeving, ' welhaast een vrede vaster dan ooit ons ruste zou brengen. Men dorst als vrucht van den angst die doorstaan was, niet voor de enkele ziel alleen, maar voor geheele volken op een leven meer nabij hun God hopen. Van zelf werd nu een jaar geleden de mogelijkheid erkend, dat de nood nog klimmen kon, dat de druk j op 't leven nóg benauwder kon worden, en dat de wolken nóg somberder en doffer tint over ons leven konden spreiden, maar hooger toch stond de verwachting, dat we, eer een vol jaar voorbij zou zijn, toch weer 't bidden met het danken zouden kunnen verwisselen, om als 't kon in een heiliger volksleven, meer nabij onzen God, over te gaan.

En nu, nu het geheele jaar, dat toen in zoo diepen ernst maar ook met zoo blijde verwachting begon, zich van maand tot maand gerekt heeft en voortgesleept, en straks voorbij zal zijn, nu kan onze beidende ziel nog nauwelijks een enkelen klaren lichtstraal van Boven opvangen, en brengt de zoo aangrijpende vraag: »Wachter, wat is er, van den nacht? ", met het snijdend bescheid: -uHet is nog nacht!" de bange ontroering, die ons hart beklemt, en bijna beknelt. Het is of het bange wee van den oorlog Jiog maar al door verder gaat. Achter de wolken, die ons reeds aanstonds het heldere licht verdónkerden, zijn in den loop van dit jaar gedurig nóg donkerder wolken komen opzetten. Soms, en op enkele punten, stuwde zich de wolkenmassa reeds zoo dicht en donker opeen, dat een slag als 't dreunen van den donder geducht werd. En al ging zoo spannende constellatie, althans wat ons eigen land aanging, ons nog voorbij, zoodat zekere schemering ons weer toestraalde, toch heeft zich de algemeene toestand eer verergerd dan verbeterd. Als er dan weer een enkele lichtstraal flitste, hunkerde 't in aller ziel van verlangen naar den morgen, waarop gehoopt werd. Maar altoos vermeerderde zich dan weer de teleurstelling. En als het onrustig gemoed dan uitkomst zocht, en tot den wachter riep: s> Wachter, wat is er van den nacht", dan kwam ons van maand tot maand in steeds doffer toon telkens weer het zoo drukkende, het zoo benauwende antwoord toe : Het is nog nacht! Haast had 't zelfs zijn kunnen: »Nog steeds wordt de nacht, die ons omzweeft, over gansch het aardrijk al donkerder!

Slechts uit één enkele, anders vaak zoo donkeren hoek kwam ditmaal, tegen aller vreeze in, glinstering. De vreeselijke oorlog verzette de verhoudingen van het maatschappelijk leven. Er waren er, en ze waren velen, die leden onder zwaarder last van 't Rijk, en die slinking bespeurden in wat inkwam. Maar hier stond tegenover een andere, kleine, maar machtige groep, die als in een stroom 't goud uit de schatkameren naar zich toe zag vloeien, en ongedacht en als verrast, , met handenvol het naar zich toegreep. En deze zijn het, die, nu 't jaar omliep, schier verrukt staren op wat zoozeer hun oogst kwam verrijken. Dit nu had een zegen kunnen brengen, en hier endaar bracht 't dien zegen ook, maar de algemeene uitwerking ervan was toch eer een geheel averecht sche. Het nieedragen van het wee van den krijg hield in zoo schijnbaar gebenedijde kringen van zelf op. Het scheen of het bange en het bittere van den oorlog voor dezulken in een verrassend geluk was omgezet. Neen, stuit niet den krijg, zulk stuiten zou ons van oris verrassend geluk berooven! Wat men nooit had durven hopen, verwezenlijkte zich, en de winst die van den oorlog inkwam, verbaasde. Dat meevallen bij den één prikkelde toen den ander weer, om 't ook in zijn zaken op gelijke wijs te beproeven. Zoo botste men vaak op eerlijkheidseisch en op de wet van 't land. Maar wie zou daar, als 't goud zoo glinsterend binnen stroomt, voor terugdeinzen. Zoo hoorden we van toenemenden smokkelhandel. Van een al aandurven, waar men tochwist, dat de conscientie onder leed. Niet lang meer, of 't werd vlak het tegendeel van wat 't geweest was in de eerste oogenblikkep van de bangste spanning. Luchthartigheid begon 't al meer in zoo menigen kring van den eersten ernst te winnen. Zoo week de donkerheid van den nacht in het uitwendige leven, maar nóg donkerder nacht van zielsbederf begon in veler hart in te sluipen. Eerst drong de ernst van den oorlog naar God, nu zag men meer dan één, die eerst op de knie gelegen had, pp het altaar van den Handelsgod 't offervuur ontsteken. De oorlog gelijk hij steeds verder opdrong, had bij aanvang de volken in dieper ontzag naar den Almachtige doen opzien, maar geen halfjaar nog was voorbij, of de demoraliseerendc uitwerking viel reeds door alle reet te begluren. Het is zoo bang om 't zeggen, maar de zoo ontzettende oorlogstoestand heeft er, laat ons 't dbtmoedig belijden, helaas ook niet Weinigen van hun God af, naar den tempel van Mammon gelokt.

Doch al was het hard, te zien, hoe in een jaar van zoo hooggaande worsteling de zedelijke ernst onder de volken, en ook bij een deel van ons volk, door belustheid op geld winste werd aangetast, nóg pijnlijker was het, steeds meer het ergerende feit te moeten constateeren, dat de volken der Heidenen in dit bange jaar de Christenvolken he'oben beschaamd. Het was niet uit het Heidenland van Azië en Afrika, maar uit het Christelijk. Europa, dat deze aangrijpende oorlogstoestand is opgekomen. Wat lang gegist had, en ten slotte de uitbarsting bracht en den ontzettendsten moord, die op 't slagveld, ooit gezien was, volgen deed, greep plaats onder de gedoopte volken. Europa was het boven alle streek der wereld van God gezegende werelddeel. In Europa was het Evangelie der verzoening, was het geheel eenig gebod der Liefde uitgegaan. Op een kleine groep uit Israel na, was heel ons werelddeel allengs door den Heiligen Doop in Christus Kerk ingelijfd. Europa stond als bezaaid en overdekt met een menigte van kerken en tempels, waarin aan Christus de eere werd toegebracht. Telken jare keerde het heilig Kerstfeest terug, en weergalmde in alle kring de zang der engelen om ons te verlokken. ^Is een bode des Vredes doorschreed voorganger en priester de straten onzer steden, en de wandelpaden van onze dorpen. Met rechtmatigen trots zag heel Europa op het achterlijk gebleven Azië, en op 't versteende Afrika, neer. Van allen kant zond men zendelingen in't Heidenland uit, om hen toe te roepen: »Wordt als wij. Wij zijn .Christenen.. Wij zijn dienaren des Vredes! Zelfs boven den Islam, die dan voor 't minst nog het Monotheïsme, bepleitte en voorstond, verhief het Christelijk Europa zich zeer verre. Onzer aller was de glorie dat het licht uit Bethlehem's velden ons tot hooger Cultuur had opgeleid. Meer nog, uit den geestelijken rijkdom die ons beschoren was, had zich allengs een hoogere macht over de natuur en over heel de Schepping ontwikkeld. Hoog stond onze wetenschap, ver zelfs was boven het oude Griekenland uitgaande onze kunst. Veredeld in alle vorm was ons leven. Een schat van weelde als zelfs het oude keizerrijk in Rome niet gekend had, was ons in den schoot geworpen. Voor nauwelijks vijftig jaren stond 't nog, alsof alleen het anders zoo kleine Europa het leven der geheele wereld leidde. Noch het Heidenland, noch het land van den Islam telde toen mee.

Kon nu ooit vaster grond geboden zijn voor een steeds veld winnen van den vrede en voor het schier tooveren van ongestoord geluk onder de natiën? Als in Azië hel en fel de oórlogsfakkel opnieuw gegloord had, het zou niemand verbaasd hebben. Zoo uit Afrika het gerucht van slag na slag onder de negervolken one bereikte, we zouden, zonder verrast te zijn, hebben toegeluisterd. Zoo ivaren die volken, en den zegen van het Evangelie, het. vredegeroep van onzen Heiland, van den Christus kenden ze immers niet. Dat 't in Azië donker, en in Afrika nog veel somberder nacht was, wisten we. In de laatste twee eeuwen die achter ons lagen, hadden we van niet anders gehoord. Maar wat deerde ons dit. Die volken konden we immers door Missie naar de glorie van het Evangelie lokken. En wij welven, in het gedoopte Europa, zouden immers uiteraard veilig zijn. Napoleon was als onmensch de onruststoker geweest. Doch ook die donkere wolk was voo"«t)ijgegaan. Een rijk Pacifisme begon in Europa reeds den toon aan te g^ven. En immers in toenemende mate zou 't Chrfstelijk fSuropa heel 't aardrijk ten zegen, het-gekerstend Europa de wereld ten voorbeeld ziJn.

Maar zie nu de jammerlijk droeve uitkomst! In heel Europa, " op enkele neutrale staten na, de volkerenhaat gistend, en. fel het vuur van den krijg ontstoken. Schier alle macht van beteekenis van Links en van Rechts heeft 't zwaaid aangegord. De bitterste nijd is uit het oog vlammend, in een woede die van moordzucht weinig verschilt, en op slagveld na slagveld ziet ge de volkeren op elkander invliegend, en geleerden, vorsten en Staatslieden, u met de cijfers voorrekenend "hoe als de vijand al zijn manschap bij millioenen zal hebben ingeboet, hun land nog altoos millioenen manschappen voor geweer en sabel overhoudt, om den dan geslagen tegenstander letterlijk te verpletteren. Is 't niet Godgeklaagd, dat 'gekerstende Europa den God van alle ontferming dooï zulk een zichzelf verbarbaarschen, den zegen van 't Evangelie vergeldt, en dan het Kruis als een teeken van spot nog op de borst der dapperen durft hechten? En toch, zelfs daar blijft het niet bij. De gedoopte volken kunnen 't zelfs niet dulden, dat de nog ongedoopte volken hun strijd aanzien, en zelven in vrede voortleven, o. Neen, ook die Heidensche en Islamitische volken moesten meedoen. Uit Indië en Senegambië werden de Heidensche soldaten opgeroepen om tegen de Christelijke volken mee op te treden. De Turk is met het Cuiistelijk Europa in den strijd gemengd.-Van ginds de Animisten en Buddhisten, die tegen de Duitschers, en van de overzij de helden van de Halve Maan die tegen Frankrijk j en Engeland te weer worden gesteld. Hoor nu dit woord van Jezus : ïVrcde laat ik u, mijnen vrede geef-ik u. Gaat dan henen, en onderwijst alle volken, ze doopende in den naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes! »En plaats daar nu tegenover dit uitgaan naar alle volken om ze op te roepen tot den verdelgingskrijg tegen wie hun broeders in Christus zijn. O, het hart weent er t)ij, het dieper leven in ieders ziel gruwt er van. Maar zóó boos heeft dan toch de historie een vorige week den Kerstjubel bespot, en onder zóó dof gesternte gaat 't bange jaar ""IS in 't straks nog banger jaar van '16 over.

Zoo wordt 't al donkerder om ons heen, en hoe zou 't dan anders kunnen, of de in ramp en leed verzonken volken zien op naar de wachters die van verre staan, naar de wachters die van hun wachttoren met de bazuin wenken, om hun toe te roepen: »Wachter, wat is ""er van den nacht? "; want waar alles in ons om den morgenstond roept, blijft de donkerheid van den nacht ons zoo dof en somber neerdrukken. En hoort, die wachters roepen dan ook luide het antwoord uit, maar het geeft geen verademing, want 't blijft aan alle zijden : »Er daagt nog geen morgenstond, het blijft al nacht." Veeleer wordt die nacht nog donkerder om Ons heen. Niet alleen toch het Christelijk' Q\t.mcx\t woriit in de Europeesche natiën steeds meer uit het leven teruggedrongen, maar zelfs het nienschelijke in de volken lijdt schade aan allen kant. Zij die de historie doorgluurden, komen er voor uit, dat het moorden in den krijg nog nimmer, in alle eeuwen, zóó nietsontziend, en zoo nietssparend is toegegaan. Voorheen was 't dan altoos nog heldenmoed en mannendapperheid die den uitslag beslisten, nu daarentegen is het hoogere in den mensch, dat zelfs in den krijg kon uitblinken, almeer teruggedrongen, om puur en simpel door wat chemische kunst uit de natuurstof bereidt, aan heel den krijg een technisch, stoffelijk en materieel karakter te leenen, waardoor al wat nog adel in zich droeg ganschelijk terzijde wordt gedrongen, om uitsluitend het geweld — d.i. de natuurkracht — te doen heerschen over den mensch. Nooit en nimmer, en in geen eeuw uit alle eeuw, is het ooit gezien, dat alle kunst en fabricage - ^ich op moest maken, om, alle andere productie terzijde latend, zich eeniglijk op het fabriceeren van kogels en granaten, geweren en dolken, zwaarden, kanonnen en houwitsers te werpen, en uit al dit oorlogsgebroed een' geweld te voorschijn te roepen, dat op slachting van de duizenden, en straks op het ondergaan in den wreedsten dood van millioenen krijgers neer zou komen. Zoo gaf . 's menschen geest de geheele zaak van ons wereldbestand uit eigen hand in de geweldproef der natuurkrachten over. De geest van den mensch werd teruggedrongen. Slaaf van de geweldkrachtenzou hij zijn, ondergeschikt aan de ruwste en alles omverwerpende materie, en al 't zinnen werd nu reeds, hoe men, als straks deze oorlog uit had, zich opnieuw, en dan nog veel krachtiger, zou voorbereiden op een vernieuwden krijg, die straks, na een nieuw.e halve eeuw, immers van zelf te komen stond. Het jaar 1870 toonde ons bij vergelijking hoe nu in 1915 de mensch almeer is schuil gegaan, en het geweld naar voren was gedrongen Toen reeds, in 1870, had heel Europa gesidderd, niet anders vermoedende of bij Sedan was het ultra bereikt. En nu, even veertig jaren later, lacht al wie de zaak overziet om Sedan, en voelt hoe een vierdubbele macht zich verslindend op de volken wierp. De Pacificisten overtreffen zich zelf in spanning en inspanning, en al wie Christen is juicht met hen den vrede toe. Der meesten fout is alleen, dat ze niet verstaan hóe niet zij den Vrede brengen kunnen, en toch, als groep, voor 't minst denken ze er zelfs van verre niet aan, dat de vrede der wereld op de knieën voor God is af te smeeken. Arme misleiden, die er nog altoos van droomen, dat hun wijsheid, hun wetenschap, hun wedijver ons sden duurzaaien vrede" waarborgen zal.

Feitelijk beeft en siddert dan ook wie de toekomst indenkt, en den moed heeft, zulks zonder zelfmisleidende droomerijert te doen. Schier niet te overzien i.s de afstand, waarmee reeds de aangrijpende oorlogsontwikkeling, die Bismarck aandorst, het doen van Napoleon achter zich liet, en nog veel banger is de knjgsverbreeding, waarmee wat Bismarck in '70 bestond, thans door heel dezen oorlog in de schaduw wordt gesteld. Van Napoleon tot Bismarck was er verdubbeling, nu staan we, vergeleken bij '70, voor het drie, ja viervoud van den jammer. Er zijn er die reeds van j^? /édonkeren nacht klaagden, en steeds somberder werd 't om ons heen. Doch wat zal 't niet worden, als straks deze onze twintigste eeuw haar helft overschrijdt. De ouden onder ons zullen dan zijn "weggestorven, en het jonger geslacht zal voor de weeën van de toekomst staan. Was er nu sprake van toenemend geloof, van een bekeering, der gekerstende volken althans, tot den Zone Gods, er zou nog hope wezen, maar, gelijk 't nu loopt, nu er al meer afleiding in spel en zang wordt gezocht, nu er een zich vermeien in weelde en overdaad is, en geen andere opheffing dan in zelfverheffing van den mensch wordt gezocht, waarop zal, waarop kan het nu anders uitloopen, dan op een steeds hooger wassen van den strocTm van menschelijke ellende, en een steeds zich meer inkrimpen van den kring, die nog aan Christus zich vastklemt, en en roepen blijft voor de eere Gods. Een korte wijle, waarom 't niet beleden, lachte in uw geloof u het zalige denkbeeld toe, dat deze oorlog juist daarom zoo vreeselijk en niets sparend moest uitbrelsen, omdat hij geroepen was, althans het Christenvolk weer klein voor God te maken, en weder het Kruis te doen omhelzen. Maar waartoe 't verheeld, die voorstelhng is beschaamd, die hope is, o, zoo bitter droef teleurgesteld. Geloofsverwakkering heeft na Waterloo Europa in den Reveil genoten, thans draaft 't al op de Cultuur door, en steeds meer blijkt hoe deze hooggeloofde Cultuur feitelijk doodarm is aan 't echte levenssap van den geest.

Zou 't dan niet tegennatuurlijk zijn, indien bij zoo klimmenden ernst, wie steeds bij den Christus zwoer, zich niet afvroeg, of wat heel 't leven der wereld als onderst boven keert, niet heen kon duiden op 't licht dat in onze donkerheid alleen 't wederkomen vam Jezus op de wolken ons brengen kan. Het is zoo, zelfs de vroomste, teederste, trouwste onder Gods kinderen hebben vaak maar al te zeer verruimd, bij de stellige profetie Van Jezus en zijn apostelen te leven. Ze lazen dan wel wat de Christus zoo steUig had aangekondigd, en zijn apostelen zoo tot in bijzonderheden hadden uitgewerkt, en op Pathmos zoo heerlijk door den Zone Gods aan Johannes geopenbaard was, maar als de lectuur van dit alles voleind was, l'as men er toch overheen, en dacht niet anders, of ook over eigen doodsbed zou dit alles heengaan. Van de Parousie van den Christus, kon eerst na ons eigen sterven sprake zijn. Vandaar de steUige eisch aan elk prediker of bedienaar van het Evangelie, om nu althans de kinderen Gods weer met hoogen ernst naar deze heiligheden terug te roepen, en het: Kom Heere Jezus! weer op aller lippen te brengen. Ook ons Jjlad predikte dien eisch met klem. Uitstel van de Parousie mag ons niet tot uitvlucht worden. Gehoord moet ook nu de vraag aan den Wachter, met het oog op de Voleinding: Wachter wat is er van den nacht ? Is Jezus komst naderend of toeft ze nog! En ook al blijft 't antwoord toeven en al hooien we : »Straks komt wel de morgenstond, w^i? »; ^ «« is het nog nacht!", w& mogtvi. niet versagen noch vertragen, en ontrouw aan uw Heiland zou 't zijn, in dagen als we thans doorworstelen, anders dan van zijn Wederkomst alleen den eeuwigen vrede te verwachten. Maar wat nooit mag, en ook nu ons niet verlejdc, is, dat hel zien op de Voleinding, ons onze roeping voor het heden zou doen vergeten. Nog nimmer hebben de zich noemende «heiligen der laatste dagen», > thelatterday Saints«, een indruk achter gelaten, alsof hun dweperij metterdaad het geloof verscherpte, en den eisch van het leven verhoogd had. Zie toe, dat ook gij in zoo spannende levensdagen, in uw dwepen met de Parousie, uw roeping voor het heden niet verzaakt.

Soms schijnt 't wel, alsof in eigenhuis 't gewone leven stil en kalm als van ouds doorgaat, en alsof 't slechts een oorlogscirkel is, die ons van verre omgeeft, en waaruit dan de moordende geruchten tot ons overkomen. Dan worden we, helaas, maar al te zeer aan die geruchten, van bloed en ijzer gewoon, en op 't laatst wordt het een gedrochtelijke slachting in de verte, die ons wel met afgrijzen vervult bij het lezen ervan, maar ons hart niet raakt en veel min omzet. Brenge daarin voor 't minst de herinnering aan het oude jaar straks keer. Die overgang van het jaar spreekt een ieders conscientie persoonlijk toe, en elk kind van God heeft bij die wenteling des jaars, zich zelve rekenschap er van te geven, of die ontzettende oorlogsfeiten ook op zijn denken ingewerkt, ook hem klein geblaakt, ook hem persoonlijk verootmoedigd hebben, en of 't getuigenis vrij in zijn ziel opklimt, dat dit alles ook hem nader aan zijn God heeft gebracht, 't Is het doen Gods, dat deze oorlog zoo afschuwelijk woedt, en niet alleen nog aanhoudt, maar in zijn geweldige aangrijping van de volken nog in ontzaglijkheid klimt. Laat er dan ook in uw eigen zielsbesef, laat er in uw stil gezin, laat er in uw engeren levenskring onder Gods kinderen, een ernstig overwegen zijn van .wat we doorleven, een in ons opnemen van wat onze God ons toont en op ons aan doet dringen. Er moet ook in uw innerlijke gewaarwording een hooger getuigenis meespreken. Dit getuigenis moet van den Geest, van den Heiligen Geest u toekomen, en zal 't wel ook. met u en de uwen zijn, dan moet dit getuigenis uit den Hooge 't u gewonnen geven, dat ook gij in niets den ernst der tijden verspeeld hebt, maar tot in het diepst van uw ziel de trilling en de aangrijping van het doen uws Gods ervaren hebt, er door zijt aangegrepen, er door verdiept zijt in uw gebed en smeeking, en er door verstaan hebt, wat ge vroeger nooit verstondt, omdat ge maar al te zeer op uzelf geleefd hadt, en ge u het lot der wereld u niet had aangetrokken. Juist dit nu is 't, wat het Kruis van Golgotha altoos zoo niets sparend in ons wraakt. Uw Heiland op Golgotha is de Godsgetuige, die zich zelf geheel verzaakt heeft, om zich geheel aan het lot der wereld als over. te geven, en den zoen dier wereld bij den Driemaal Heilige aan te brengen. Blijve dit alomvattend sterven van uwen Heiland dan ook u in deze angstige en ontroerende dagen toespreken. Leef zelf meê in het lot dat aan de wereld, die ook uw wereld is, door uw God wordt toebeschikt. Bij Jezus ging aan Golgotha het bidden in Gethsemané vooraf; zij dan dat Gethsemané der smeeking ook u niet vreemd. Geef gij u voor de wereld, gelijk uw Heiland er zich voor overgaf

Doe het vooral in deernis met wie door den krijg lijdt. Er heerscht zoo namelooze jammer en ellende. Noem u dan niet maar kind van God, doch wees 't ook in wat uw God in deze onze wereld doende is, om uw Hem gewijd medelijden zegen te doen spreiden om - u heen. En ook al mocht dan 't jaar, dat morgen ingaat, ons nog altoos den vrede niet brengen, ja, al mocht de nacht ons nog met zijn donkerheid blijven 'kwellen, sta gij, als kind van uw God krachtig door het geloof, in de zekere verwachting, dat eens toch ook voor u de morgenstond komt. Ën geve ook u de Heere in , dien morgenstond den blijden vreugdelach over wat dan de volle uitdrukking moge zijn van hemelsche geneugte!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 26 december 1915

De Heraut | 4 Pagina's

„Wachter, wat is er van den nacht?

Bekijk de hele uitgave van zondag 26 december 1915

De Heraut | 4 Pagina's