GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Wedergeboorte en Bekeering.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Wedergeboorte en Bekeering.

16 minuten leestijd

ÏO-VDAGSAFUEEMiSG XXXIÏI.

Ik ben met Christus gekruist; en ik leef. doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij; en hetgeen ik nu in het vleesch leef, dat leef ik door het geloof des Zoons van God, die mij liefgehad heeft, en zichzelven voor mij overgegeven heeft.

Gal. 2 : 20.

VII. {Slot.)

De laatste vraag, die ons ter bespreking overblijft, is die der al doorgaande en voortdurende, of wil men, telkens herhaalde en voortschrijdende bekeering. Het spraakge-• bruik van den Catechismus dwingt hiertoe.

Het is toch duidelijk, dat noch het afsterven van den ouden mensch noch de opstanding van den nieuwen mensch (de twee stukken die saèm immers, naar luid van den Catechismus de bekeering uitmaken) door den Catechismus genomen worden, als in één oogenblik afgeloopen en ten einde toe voltooid. Afgezien van de hier gekozen bewoordingen, herinnere men zich slechts, hoe de Catechismus in Vraag 43 als één der vruchten van het kruis o. a. dit had aangegeven: y^dat onze oude mensch met hem gekruist, gedood, en begraven wordt." De apostel zegt het dan ook zoo duidelijk tot reeds bekeerde personen: „Doodt dan uw leden, welke op aarde zijn."

Hierbij sta echter de waarschuwing op den voorgrond, dat men, om deze al voortgaande bekeering, toch nooit de eerste en principieele bekeering van haar geheel buitengemeen karakter beroove. Integendeel blijft die eerste en principieele bekeering altoos het beslissende, en het uitgangspunt *^an alle 'daarop volgende bekeering. Nooir mag dus die eerste bekeering met de daarop volgende bekeering op één lijn worden gesteld. In de eerste bekeering is het een zondaar, die nog geen bewust geloof had, en nu tot bewust geloof komt; terwijl in alle volgende bekeering, niet de van geloof ontbloote zondaar, maar het weer ingestorte kind van God zich naar de vrucht van Golgotha uitstrekt. Ook al hebt ge dus te doen met een uitverkorene, die van der jeugd af door den Heere bewaard en in zijn heilgeheim ingeleid is, zoodat hij bijna zonder schok of machtige aangrijping uit zijn geloofloos bestaan in de zaligheid van het geloof is overgegaan, toch was er ook bij hem een oogenblik, waarin de vlam des geloofs het eerste in zijn hart ontvonkte; en dit eerste opwaken van het geloof in zijn hart blijft altoos het toongevende en beslissende; terwijl alle latere bekeeringen nooit iets anders zijn, dan óf een weeropnemen van, óf een voortspinnen aan den levensdraad, die in deze eerste bekeering en geloofsontwaking werd aangevangen.

Doch staat dit eenmaal onwrikbaar voor aller overtuiging vast, dan, zeker, kan er niet ernstig genoeg op telkens vernieuwde en altoos voortgaande bekeering worden aangedrongen, en heeft men hierbij drieërlei te onderscheiden: i". het terugkeeren tot de eerste bekeering; 2". het zich bekeeren na een val in de zonde; en 3". het zich voortdurend meer afkeeren van de zonde en meer toekeeren tot zijn God.

Over elk dezer drie sta hier een kort woord.

Vooreerst kan men gijn eerste lie f de verlaten hebben. Dan is men uitgevallen van hetgeen waartoe men gekomen was, en geraakt men almeer in dien jammerlijken-toestand, waarin de Schrift ons toeroept: „Zie dan van waar gij uitgevallen zijt en doe de eerste werken." Dit nu komt bij elk geloovige voor; althans in die beperkte mate, dat de heilige geestdrift, die hem in de dagen ? ijner eerste bekeering aangreep, allengs verflauwt; dat het vuur der liefde minder sterk in hem brand c; en dat de ijver voor den Naam des Heeren niet meer dat warme karakter van vroeger bij hem draagt. Ten deele ligt hierin nu iets natuurlijks, en wat zoo zijn moet. Er is toch in die eerste liefde altoos een spanning, die in die mate niet kon voortduren; en allengs in gematigder vorm moest overgaan. Op zich zelf ligt er dus nog geen achteruitgang in, dat die sterke, heftige, ons geheel verterende spanning afneemt; en men kwelt zich ten onrechte, zoo men over het , verlies van dcM eerste vurige liefde bedroefd is. Veeleer ontstaat het zondige eerst dan, als deze onze liefde, deze geestdrift, deze ijver, omdat ze niet meer dit sterke en heftige karakter kan dragen, geheel ophoudt en in onverschilligheid omslaat. Ge voelt dit bij de liefde van een moeder voor haar kind. Vooral wie voor het eerst-moeder werd, mint haar kind vedlai de eerste maanden zoo hartstochtelijk, . , dat ze buiten haar kind niet kan en niet van haar ïcind af kan blijven. Dit nu is overspanning. Dat kan en mag zoo niet blijven. En allengs mindert het dan ook. Maar nu ziet men bij , de eene moeder, dat die hartstochtelijke verkleefdheid allengs overgaat in gematigder en toch dieper liefde, terwijl ze bij een andere moeder plaats maakt voor een onverschilligheid die u soms ergert. Dat laatste nu is zondig; het eerste niet. En zoo nu ook is het bij het kind van God niet slechïs natuurlijk, maar zelfs goed, dat de liefde voor het Eeuwige Wezen allengs een kalmer, een heiliger, en daardoor dieper karakter aanneemt, zooaat het hartstochtelijke er uit weggaat; maar wat niet mag, en een uitvallen en fen verlaten van de eerste liefde zou zijn, is, zoo iemand na eerst van liefde voor zijn God in sterke spanning en overdrijving verteerd te zijn, nu omsloeg in koude onverschilligheid en voor zijn Vader die in de hemelen is niets meer voelde kloppen of trillen in zijn hart. Zoodra dit u overkomt, is er grootelijks zonde, en het is in deze zonde, dat we niet mogen blijven liggen, maar dat we door God en zijn Woord worden opgeroepen, om terug te keeren tot onze eerste liefde, te zien waarvan we uitgevallen zijn, en de eerste werken te doen. Soms komt zulk een tweede bekeering voor onder den naam van Verbondsvernieuwing, omdat feitelijk toch elke bekeering een treden in het verbond met den Drieëenigen God is; elk ontvallen aan onze bekeering een verbreken van dit verbond was; en in zooverre elke vernieuwing van onze eerste bekeering een vernieuwing van het verbond met onzen God mag heeten. Hiertoe ^nu hebbsn Gods kindesj^n elkander ernstig en gedurig op te wekken, en gelukkig mag het gezin heeten, waarin veel kinderen Gods samenleven, die na een tijdlang te zijn afgeweken en verflauwd, zich weer door den Geest des Heeren voelen aangegrepen, om weer saüm door verbondsvernieuwing terug te keeren tot den Heere hun God.

Onderscheiden hiervan is, wat niet zooeeer vernieuwing van bekeering als wel een tweede bekeering is. Niet natuurlijk, alsof men zich ten tweeden male bekeeren kon, in den zin, waarin men zich de eerste maal tot zijn God keerde. Dit toch is, gelijk we zagen, volstrekt ondenkbaar. Maar wat wel voorkomt is, dat een tweede bekeering aanvullend en voltooiend op de eerste principieele bekeering volgt. Dit i* met name het geval bij zulke personen, die, vóór ze tot hun eerste bekeering kwamen, verslaafd waren aan een sterk uitgebarsten zonde; en voor wie daardoor de eerste bekeering al te zeer het bepaalde karakter aannam van met die éene bepaalde zonde te breken. Men heeft dit gezien met personen, die zich aan zonde van dronkenschap, aan zonde van wellust, aan zonde van wraakzucht, van schandelijke logen en zooveel meer hadden overgegeven, en nu, hetzij door een jammerlijk gevolg van hun zonde of door een schrikkelijke uitbarsting er van, of ook door een onverhoedsche ontdekking van hun zonde, diep in de consciëntie aangegrepen, werkelijk tot ommekeer, tot zielsverbrijzeling en tot oprecht toevlucht nemen tot het kruis van Christus gekomen waren. Want wel moet men met deze plotselinge bekeering van verharde zondaren altoos zeer voor zichtig zijn, en is er bij deze lieden heel wat Ezausberouw voor echt berouw aangezien; maar toch toont de ondervinding, dat er ook onder deze plotseling bekeerde zondaars wel waarlijk goud van het echte sooit is. Alleen maar hun bekeering blijft altoos een hoogst eenzijdig karakter dragen. Die ééne zonde was zoo altoos hun booze vijand geweest, dat ze voor de overige zonden van hun hart bijna geen oog hadden.

Vandaar dat ze in hun bekeering zich met alle kracht tegen dien éénen bbozen vijand hebben gekeerd, maar het dan ook niet zoo spoedig verstonden, hoe de dienst des Heeren bestaat in een liefde voor al zijn geboden, in een haten van alle zonden, en in een lust om naar de wet Gods in alle goede werken te leven.

En toch is dit geen punt, waarover heen mag worden geloopen, omdat het onderscheid tusschen een waarachtige en een eigengemaakte bekeering ten slotte altoos weer op dit ééne punt neerkomt. Eigengemaakte bekeering besnoeit enkele waterloten, maar laat den boom wild; terwijl omgekeerd de waarachtige bekeering misschien nog enkele waterloten zitten laat, maar den boom van wild tam maakt, ^i? ^/^ bekeering is daarom nooit een afsterven van enkele zonden, maar een afsterven van heel onzen ouden uiensch, d. w. z. vA'-.alle zondige roerselen, hoegenaamd ookji i%^"-b; kcnd, of al-'een Gode; heimelijk en in het openbaar. Het beginsel van onze gehoorzaamheid moge nog klein wezen, maar in elk geval moet het een begin van den heelen nieuwen mensch zijn, en daarom zich uitstrekken naar alle geboden en alle goed werk te gelijk. Vóór en na de Wet legt de Catechismus hier dan ook zoo vollen nadruk op. In Vraag 90 heet: „Een hartelijke vreugde in God door Christus en lust en liefde om naar den wille Gods in alle goed werk te leven." En, na de Wet, zegt de Catechismus nog eens in Vraag 114; » Zelfs de ailerheiiigsten hebben in dit leven maar een klein beginsel der ware gehoorzaamheid, öoch alzoo dat zij met een ernstig voornemen, niet alleen naar sommige, maar naar alle Gods geboden, beginnen te leven."

Dit nu verstaat een bekeerde niet altoos dadelijk, en dan gebeurt het zoo vaak, dat wie sterk in één zonde verzonken lag, tegen die ééne zonde al zijn macht uitput, en daardoor te lichter in andere zonden, vooral hoogmoedszonden, zonden van inbeelding, lichtgeraaktheid, en was dies meer aij, vervalt. Dit wreekt zich dan door geestelijke dorheid; , dit straft God door gemis aan geestelijke sappigheid. Zoo komt men weer in de woestijn; en het is in deze woestijn, dat God de Heere dan zulk een verdoolde weer opzoekt en terecht brengt; alsnu zijn geestelijk oog voor de oneindigheid van zijn wet ontsluit, en hem alsdan eerst door een aanvullende bekeering, met al Gods heiligen leert verstaan, welke de breedte en diepte, de hoogte en lengte zij van de liefde Gods die in Christus Jezus is.

Of ook komt het voor, dat een kind van God, juisü ten gevolè> j van dit eenzijdig karakter zijner eerste bekeering in zijn zonde terugvalt, weer bezwijkt voor den vijand, dien hij overwonnen waande, en nu opeens ontwaakt in een toestand van geestelijke ellende, die hem als de verloren zoon weer doet opstaan, en tot zijn Vader gaan, om te zeggen: „Vader, ik heb gezondigd tegen den hemel en tegen U en ben niet meer waard, uw zoon genaamd te worden." Maar ook dan blijft deze tweede of aanvullende bekeering altoos een ondergeschikt karakter dragen. Ook al durfde deze verloren zoon geen zoon meer zijn, en al bad hij slechts om een dienstknechtsplaats, toch was zijn eerste woord j> vader", en wierd hij niet nu eerst, maar was hij zelfs te midden van zijn afdoljng, toen hij het draf der zwijnen at, ten kind van zijn God.

En eindelijk komt hier dan nog bij de derde soort van latere en nadere bekeering, die slechts in oneigenlijken zin dezen naam draagt, en daarom meestal onze heilig making wordt genoemd. Dit ziet op de dagelijksche bekeering; op onze gestadige roeping, om altoos weer den ouden mensch en onze leden die op aarde zijn te dooden, en altoos weer den nieuwen mensch rijker en voUer in zijn God te laten opleven. Een voortdurend werken met ons geloof, om in het kruis van Jezus te sterven en uit zijn opstanding op te staan. Eigenlijk heeft men hierbij dus niet met een nieuwe of tweede bekeering, maar met een stil en gestadig doorwerken van de eerste oorspronkelijke bekeering te doen. Bij zijn bekeering keert men zich om op zijn weg en keert zich nu van de zonde af en naar zijn God toe; maar daarom is men nog vlak bij zijn zonde, oOk al staat men er nu met zijn rug naar toegekeerd, en kan men, O, nog zoo verre van zijn God af zijn, ook al staat men naar Hem toegekeerd met het aangezicht. Hier mag dus geen stilstand wezen. Ge staat dan nu goed, van de zonde af en naar uw God toegekeerd; maar nu moet ge, in dien goeden stand blijvende, voort en verder, al meer van de zonde af, en al dichter naar God, tot binnen in zijn Tente en ingeleid in zijn verborgen omgang. Bij het licht des Woords ontdekt uw geloof dan telkens beter en juister het onreine, het zondige, het vuile van uw innerlijk zielsbestaan; en in gelijken tred hiermee neemt uw kennisse toe van de vrucht van Golgotha; en het Is door die dubbele geloofsverrijking dat ge dagelijks u bekeert en dagelijks rijker en voller ontdekt, dat 's Heeren verborgenheid over uw tente is. Daar zullen dan wel dagen van stilstand, soms maanden van winterkoude en dorheid tusschenin komen; maar met dien verdorrenden toestand hebt ge dan geen vrede, daar worstelt en smeekt ge tegen, en het einde is altoos weer, dat de eeuwige armen der ontferming die onder u zijn, u weer verder door de golven dragen, altoos het , Jeruzalem dat boVen is" meer nabij.

Wil men dit geestelijk proces nu met den naam van „heiligmaking" bestempelen, gelij!: de Catechismus dit in Vraag 24 doet, ons is dat wel, mits men wel in het oog houde, dat de »heiligmaking" dan niet uitdrukt wat gij doet, maar alleen wat God in u doet. „Heiligmaking" wil nooit zeggen, dat gij uzelven heilig maakt, maar duidt altoos aan, dat de heiligheid van Christus, die u toegerekend werd, u ook wordt geschonken. Daarentegen van uw zijde bezien, en voorzooverre gijzelf handelend optreedt, draagt uw daad altoos^en onveranderlijk het ééne zelfde karakter van dooding van den ouden mensch en opstanding van den nieuwen mensch, en dus van bekeering. Want wel wordt in de Schrift ge lurig er op aangedrongen, dat Gods kinderen zichzelven reinigen en heiligen zullen, maar, waar het zoo wordt uitgedrukt, is hiermee altoos de tweeledige daad bedoeld, dïe eenerzijds de Heere in u, en anderzijds gij in Christus volbrengt. Een verschil waarop daarom te ernstiger moet gewezen, omdat de valsche voorstelling, alsof wij ons zelven allengs heiliger konden maken veel vrome kinderen Gods weer onder het werkverband heeft teruggeleid; en dientengevolge weer de bekeering heeft verzwakt tot een eerste daad van zelfheiliging. Dit alles nu gaat buiten hetgeloof om, wanthet onderscheidende kenmerk van de Christelijke leer der zaligheid bestaat toch immers juist hierin, dat wij alleen door het geloof gerechtvaardigd zijn, en evenzoo alleen door het geloof kunnen doorbreken tot onze eerste en kunnen voortgaan tot onze dagelijksche bekeering.

Wat onze Catechismus nu in Vraag 91 hier nog aan toeiroegt over de goede werken, strekt meer om een overgang van de bekeering op de Wet des Heeren te verkrijgen, dan om het stuk der goede werken nogmaals zelfstandig te behandelen. Dit toch zou slechts geleid hebben tot eetie herhaling van wat in Vrasg ^6 reeds behandeld was. Toch is het schoon, zoo kort en kernachtig als hier de drie onmisbare kenmerken van alle goed werk aldus worden saamgevoegd : Ze moeten het geloof tot wortel, Gods wet tot richtsnoer en de eere des Heeren tot doeleinde hebben. Een omschrijving die alle werkheiligheid afsnijdt, aile pharizeesche eigendunkelijkheid onherroepelijk veroordeelt; en alle valsche en onoprechte beweegreden van ons hart schuldig stelt. Zoo schuldig zelfs, dat de vraag rijst, of eenig kind Gods ooit van een eenige zijner daden zal durven zeggen, dat hij hierin nu althans een waarlijk goed werk heeft volbracht. Wie toch leeft zoo, dat er nooit in het drijven van zijn geloof een onheilig bijmengsel, van het richtsnoer van Gods wet een kleine afwijking, in het bedoelen van zijn eer een invlechting van eigenbelang plaats grijpt ? Ons hart is zoo arglistig, dat het de besten telkens verraadt; en wie - nog het verste voortschreed klaagt nog het diepst over verborgen zonden; niet als over zonden die hij voor menschen verborg, maar die verborgen bleven voor hemzelven, Hoe dikwijls toch zien we van achteren zelven niet zonde in hetgeen toen we er aan toe waren, ons ó! on-.chuldig óf zelfs braaf leek ! M. tterdaad zou er aan onze goede werken dan ook nooit eenige bevestiging voor onze geloolsverzekerdheid te ontleenen zijn, indien dit moest toegaan op uitwendige wijze, en als bij logische gevolgtrekking. De man die met zijn geloolsverzekerdheid wacht tot hij zeggen kan: , /Zie, deze reeks van dagen heb ik nu deze goede werken verricht, en daaruit weet ik dus, dat ik een kind van God ben", sterft zonder ooit het zoet der geloofsverzekering gesmaakt te hebben. Gelukkig staat de zaak dan ook anders. In de natuur van het geloof zit vanzelf de geloofsverzekering in, Hoe meer hetgeloof wast, hoe meer met het geloof zelf die zekerheid toeneemt. En het is nooit anders dan uit den wortel zelf van het geloof, dat de geloofsverzekerdheid opkomt. Nu wordt echter deze geloofszekerheid, die uit den wortel van het geloof, kraéhtens zijn aard, vanzelf opspruit, door den wind des daags aangevochten en door allerlei geestelijk beletsel onderdrukt. En waar nu deze geloofszekerheid stuiting ondervindt, heeft God de Heere ons in de „goede werken" een tegenwicht geboden, waardoor de noodlottige uitwerking van deze stuiting verhinderd wordt. Wel brengen deze goede werken dan de geloofszekerheid niet aan, maar ze helpen haar in het uitkomen. Ze zijn als droppels op het nagras, dat dreigde te verschroeien. Eii zoo nu opgevat, ligt hierin niets raadsehchtigs. Nu toch zal men bij deze goede werken niet in de eerste plaats denken aan zoo-en zooveel daden van zelfopofTeringen aan zoo-en zooveel grootsche stukken waar men op roemen kan, maar zal het zoekend oog zich allereerst richten op die innerlijke verbrijzeling der ziel, op de verootmoediging voor 's Heeren majesteit, op het dorsten en hongeren naar de gerechtigheid, en op al die innerlijke daden, die juist, omdat ze buiten de kennis der menschen omgaan, altoos veel zekerder waarborg van oprechtheid in zich dragen, dan wat men doet voor der menschen oog.

De hoofdzaak is maar, dat er tweeërlei goed werk is, het dooden van den ouden en het doen opstaan van den nieuwen mensch, en deze beide door de ééne daad des geloofs.

Wie dit nu voorbijziet, en enkel onderzoek doet naar zijn daden van heiligheid, komt altoos teleurgesteld uit en blijft slingeren op en neer. Maar wie de zaak dieper opvat, en van zjn zondige daden op zijn ouden mensch, en evenzoo van zijn heilige daden op zijn nieuwen mensch ziet, die rekent niet meest met wat de menschen merken, maar bijna eeniglijk met wat Gods oog in zijn binnenste ziet; en in dien verborgen mensch des harten AiAx bespeurt hij dan daden van geloof om af te breken, en daden van geloof om op te bouwen, die hem enkel genade zijn, en, omdat ze uit het geloof opsproten, hem de overtuiging schenken, dat de wortel van zijn geloof nog gezond is en leeft.

KUYPEE.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 10 januari 1892

De Heraut | 4 Pagina's

Wedergeboorte en Bekeering.

Bekijk de hele uitgave van zondag 10 januari 1892

De Heraut | 4 Pagina's