GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Het antvtroord  van Prof. van Bakel.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het antvtroord van Prof. van Bakel.

13 minuten leestijd

Prof. van Bakel zond ons het volgende schrijven, dat, al vergt het wat veel van onze plaatsruimte, toch bereidwillig door ons opgenomen wordt om het audi et alteram partem toe te passen.

Statistiek der theologische studenten aan de Vrije Universiteit.

De lezers van dit blad zullen met belangstelling hebben kennis genomen van de beschouwingen, door Prof. Dr. H. H. Kuyper in de beide nummers van S en 12 December gepubliceerd naar aanleiding van mijne «Statistiek der studenten in de godgeleerdheid». Ik meldde den geachten schrijver, dat ik gaarne hem zou willen beantwoorden, en hij stond mij welwillend eene plaats daarvoor toe. Volgaarne grijp ik dus de mij geboden , gelegenheid aan, om de wijze waarop ik meer in 't bizonder de volgens Prof. Kuyper »onjuiste» statistiek der studenten aan de Vrije Universiteit heb verkregen, te rechtvaardigen. Ik meen daarbij te mogen uitgaan van de veronderstelling, dat men zich d? zaak waarover 't gaat, nog duidelijk herinnert en de statistische gegevens nog kan controleeren. i)

'k Begin met mijn' dank uit te spreken voor de verklaring aan 't slot van Prof. Kuypers laatste stuk, die mij van lelke gedachte aan boos opzet» vrijpleit. Wel had ik mogen wenschen, jjdat zij heel vooraan had gestaan. Eerst mijn jcijferspel» te zien als geïnfluenceerd door een' boozen luim, .immers als zijnde ik iblijkbaar geprikkeld, omdat men van anti-revolutionnaire zijde in den Gemeenteraad een aanval deed op (mijne) Theologische faculteit», en te vernemen van een »feitelijk niet eerlijk spel», moet den lezer die betuiging aan het slot wel eenigszins als een frase doen beschouwen. Maar Prof. Kuyper heeft mij toegezegd, dat hij de uitdrukking, die mij aanstoot gaf en die ook beter achterwege ware gebleven, zou herroepen. En dus heb ik er vrede mee.

Inderdaad heb ik geen enkele reden om beschaamd te staan, en met beslistheid wijs ik dan ook alle verantwoordelijkheid voor de onjuistheid der* statistiek van de studenten der Vrije Universiteit af. En ik doe dat zonder die verantwoordelijkheid ook maar één oogenblik mijn' welwillenden zegsman ten laste te leggen. Noch uit onze breedvoerige correspondentie, noch uit ons openhartig onderhoud, noch. uit zijne mij verschafte gegevens heb ik trouwens kunnen opmaken, dat er eenig misverstand tusschen ons zou hebben bestaan. En ikzelf gaf alle ontvangen gegevens weer, volkomen objectief, zonder mijnerzijds iets ervan af te doen of iets eraan toe te voegen.

Laat ik in 't kort even volledig vertellen, hoe ik aan de verschillende cijfers mijner statistiek ben gekomen. Want om een statistiek der in de theologie studeerendeh zonder meer .was het mij te doen van 't begin af. Toen ik op het bureau van den pedel der Gemeentelijke Universiteit de jaarboeken der andere Universiteiten niet aanwezig vond, heb ik niet verder gedraald en terstond aan de verschillende pedels om de opgaven geschreven: immers —-en dit ontging aan Prof. Kuyper, die mij naar de Universiteits-bihliotheek had willen ve, wijzen — ook de lijst der novitii van dezen loopenden cursus, welke lijst tegen ongeveer half November vrijwel mag worden geacht te zijn afgesloten, moest erbij. Ik vroeg zonder meer om 't getal der ingeschrevenen, novitii èn recensi, en evenals onze Amsterdamsche pedel gaven alle anderen mij zonder meer de getallen op, over 10 jaren. Alleen die theologen werden geteld, die studeeden en studeeren voor 't predikambt, niet de hoorders van enkele colleges. Zoo deed ook Prof. Honig te Kampen, tot wien ik mij later, op raad van den rector der Vrije Universiteit, heb gewend.

Daar de pedel der Vrije Universiteit was gemobiliseerd, stond deprorector mij zelf te woord. Ik meende niet beter te kunnen zijn aangeland. Maar juist bij de Vrije Universiteit kwamen de moeilijkheden. Ik had misschien toen de Vrije Universiteit en Kampen wel kunnen laten rusten En ik zou dat te eerder hebben kunnen doen, wanneer 't mij alleen om rehabilitatie van de theologische faculteit der Gemeentelijke Universiteit van Amsterdam ware te doen geweest. De door mij van de Rijksuniversiteiten en van onze' Gemeentelijke Universiteit ontvangen ge gevens toch haddeii de vraag over 't al of niet sverloopen" van de theologische faculteit ten onzent reeds ten gunste van deze laatste beslist, en van de Gereformeerde hoogescholen moest ik een vergeleken bij dat der Rijksuniversiteiten gunstig resultaat verwachten. Amsterdam had dan ook nog een beter figuur gemaakt. Ik deed dat echter niet, juist omdat 't mij niet alleen om - eene rehabilitatie van > mijne" theologische faculteit was te doen, en ik mijne statistiek van grooter waarde en meer leerrijk achtte, wanneer alle theologisch Hooger Onderwijs daarbij de revue passeerde.

Ik was dus in onderhandeling getreden met den prorector der Vrije Universiteit en deze gaf zich veel moeite voor mij. Hij zond mij 6 officieele gedrukte studentenUjsten, |die over 1905—15, en, daar de oudere niet meer aan wezig waren, de gedrukte naamlijsten uit de jaarverslagen der Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerden grondslag over de 3 daaraan voorafgaande jaren 1906—09. Voorts ontving ik een zeer consciëntieus door hem samengestelde tabel der novitii over 1903—04 tot 1915—16, waarbij hij noteerde: »Buitenlandsche studenten zijn niet opgegeven". Hij was het, die voor de tabel der totaalcijfers mij voorstelde, telkens de 4 jaren bijeen te voegen. Ik ben 't met hem eens, dat hieronder wel alle theologische candidaten zullen vallen en niet, zooals Prof. Kuyper zegt, > alleen de (inlandsche) studenten, die nog geen candidaats-examen hebben afgelegd".. Als proeve van des prorectors accuratesse geef ik hier zijn' staat van novitii. Daar voor de vaststelling van het totaalcijfer voor 1906 reeds een 4-tal jaren noodig is, opent de tabel met 1903 : voor 1903 is later 't eindcijfer opgegeven, niet nader gespecificeerd.

- 1903—04 1904—05 1905-06 1906—07 1907—08 190'8-09 1909—10 1910—11 1911—12 1912—13 1913—14 1914—15 1915—61 '> 9 6 6 9 3 4 4 9 12 13 10 4 3 . •—> o 'S » '5 _ 2 — — • — 1 — — — — — — — S '5 4 1 1 — — 1 — — — — — ' Ö 73, 'S I-i "5 _ — — — — — 1 •— — — — — — - < t/l _:15 7 7 9 4 6 4 '^ 12 13 10 4 o ei •as |ll _ 1 2 1 1 2 ~ 1 1 — — — — g - O 1 1 — — — — — — — — — — — < Ui 10 17 9 8 10 6 6 5 10 12 13 10 4

Men ziet hieruit, dat de Kampenaars niet — zooals Prof. Kuyper veronderstelt — zijn geschrapt. Ook, , , dat ik terecht de totaalci^ers »wat te gunstig gekleurd" noemde. Immers noteerde ik bijvoorbeeld voor 1908—09 't getal 33, terwijl in' het desbetreffend 4-tal jaren 6 studenten de theologie hadden opgegeven. En diezelfde teruggetredenen hebbep voor meer dan één totaalcijfer dienst gedaan. Telling naar denzelfden maatstaf als elders moest hier dus van den beginne af worden prijsgegeven. Reeds had mijn zegsman ook mijn' zoo gunstigen indruk bij de beschouwing der officieele studentenUjsten gecorrigeerd door de opmerking, dat er onder deze s studenten" een aantal waren, die {reeds als predikanten waren gevestigd. Dit gold degenen, die hun f 5.— bleven storten, hoewel reeds zijnde in het ambt: eene regeling, die overigens nergens wordt aangetroffen en die dus ook Prof. Kuyper's vergelijking met Utrecht niet toelaat. Mijnerzijds was, meende ik, alles in orde, wanneer de toelichting maar volledig was. En dat was zij.

't Is duidelijk, dat als de Vrije Universiteit mij, evenals elke andere, een lijst van de voor 't eerst èn van de bij herhaling ingeschreven jstudeerende" (niet-predikant-) studenten had kunnen doen toekomen, alles in orde zou zijn^ geweest. Van het verblijf van zoovele buitenlanders te Utrecht droeg ik geen kennis; ik had er niets op tegen gehad, als ook de prorector der Vrije Universiteit ze er had bijgeteld. Integendeel. Dat Prof. Kuyper hierop wijst als op eene incongruentie, die trouwens ook door mijzelf reeds was aangewezen, is zijn volle recht. Maar zijn fout is, dat hij nu zijnerzijds niet zonder meer de buitenlanders opgeeft en dezen bij de novitii telt, a'thans daaromtrent niets zegt, — èn dat hij niet een tabel van totaaló.]{e: K aanbiedt zonder de predikantenrecensi, maar een nieuwe tabel van totaalcijfers stelt naast die van zijn' prorector en mij, waarin' de predikanten v-eer wèl zijn meegeteld —, een tabel, die op alle punten nog wel 'afwijkt ook van de mij door den prorector gezonden studentenlijsten. Prof. Kuyper's eerste tabel geeft »de werkelijke cijfers" der novitii; zijn tweede de totaalcijfers, zooals ze jaarlijks aan de Regeering zijn toegezonden en die dus „volkomen betrouwbaar" zijn. Ik plaats de beide rubrieken naast elkaar.

I. Eerstejaarsstudenten 1906-07 1907—08 1908—09 1909—10 1910-11 1911-12 1912—13 1913—14 1914—15 u4 J) 3 o > . 12 16 7 8 16 15 19 19 13 .B> '^ 8 1 10 6 6 5 10 12 • 13 10 II. Totaalcijfers Volgens Prof. Kuyper (Regeeringscijfers) 91 103 86 80 78 • 84 89 89 — Volgens de studei> tenlijsten 88 89 83 75 67 71 74 74 79 44 44 33 30 27 27 33 40 45

Ik wil noch kan een poging wagen om het uiteenloopein der tabellen van de Regeeringscijfers en vande jaarverslagen-en-studentenlijsten te verklaren. Ware op geen van deze laatste een buitenlander opgenomen, dan was 't verschil door dit feit opgehelderd. Maar dat is zoo niet. In elk geval schijnt mij dit zeker, dat voortaan, de toepassing van het systeem der andere Universiteiten ook voor de Vrije Universiteit alle aanbeveling verdient.

Ten slotte merk ik op, dat wat ik als conclusie voor de Vrije Universiteit constateerde bij deze nieuwe tabel geenerlei wijziging ondergaat: > Over achteruitgang heeft zij tot heden niet te klagen". Alleen is —dit moet erkend — door 't meetellen der predikanten het overzicht van het aantal der studeerende »studenten" zeer onzuiver en de ware staat van zaken niet duidelijk te overzien. Ook is, bij de vorige jaren vergeleken, het 4-tal novitii voor dezen cursus zeer opvallend, het laagst getal dat waarschijnlijk ooit, zeker in de laatste 13 jaren, is bereikt, al zal 't weldra bij de generale telling ih de vele tientallen verzinken. Gegeven dit 4-tal, 't kleinste van alle Universiteiten voor den cursus 1915—16, kwamen de opmerkingen der heeren Fabius en De Vries bij het begrootingsdebat wel op een voor hen allerongunstigst, oogenblik.

Wat ons 20-tal aan de Gemeentelijke Universiteit betreft; 't zal wel duidelijk zijn, dat het geen oogenblik bij mij is opgekomen om daarover te glorieeren. Om het aantal op zichzelf was 't mij natuurlijk minder te doen, dan wel om het-al of niet juiste van de bewering over 't «verloopen» der theologische faculteit(en) uit de stukken aan te toonen, waartoe alleen ik 't aantal noodig had. En dit al of niet «verloopen» is te constateeren, afgezien van het feit, of elke Universiteit een eigen systeem van telling heeft. Het aantal studenten aan iedere Universiteit afzonderlijk, geteld naar eigen ntaatstaf, wijst 6f stabiliteit óf achteruitgang öf vooruitgang aan. Niet alleen om te »prêcher pour ma paroisse" ging het mij bij de publicatie der statistiek, maar ook om te trachten een eind te maken aan allen praat in 't wifde over den deerniswekkenden toestand van het aantal theologen aan onze Universiteiten en .om zoo mogelijk aller oogen te openen voor den jeitelijken toestand. Dat men dus daarvan kennis neme en voor 't overige elk er eijn les aan ontleene! ^

Amsterdam.

H. A. VAN BAKEL.

Het had Prof. van Bakel zeker meer tot eere gestrekt, en het ware ook eerlijker en oprechter geweest, wanneer hij na de afdoende bewijzen door ons geleverd, dat zijn statistiek niet deugde, dit rondweg erkend en amende honorable gedaan had. Over het feit, dat zijn statistiek onrecht aan de Vrije Universiteit aandeed, kan geen verschil van meening bestaan. Wie aan de Rijksuniversiteiten meetelt èn de buitenlandsche theologen èn degenen die na hun' candidaatsexamen hun studie voortzetten, heeft geen recht om in dezelfde statistiek deze beide zeer belangrijke categorieën voor de Vrije Universiteit er af te trekken. Al wat Prof. van Bakel in dit lange stuk aanvoert, raakt dan ook de quaestie niet, waarom het hier gaat. Dat hij de door hem gepubliceerde cijfers van den prorector der Vrije Universiteit ontving-, hadden we terstond meegedeeld, en de vraag hoe de pro-rector tot deze becijfering kwam, doet in dit geval niets terzake. Het waren niet de officieele cijfers, maar cijfers door den pro-rector met het oog op een bepaald doel saamgesteld en die daarom nooit als vergelijking met de andere Universiteiten dienen konden. Had Prof. van Bakel er bezwaar tegen, de zoogenaamde predikantstudenten mee te tellen bij de "Vrije Universiteit, omdat deze categorie aan de Rijks-Universiteiten niet bestaat, dan had hij in een noot kunnen vermelden, dat de cijfers van de Vrije Universiteit z.i. naar verhouding te hoog waren, maar het gaf hem niet het recht die cijfers tot meer dan de helft te verlagen. Laat hij aan statistici van professie deze statistiek voorleggen en elk hunner zal hem zeggen, dat een-dergelijke manier van tabellen saam te stellen, ongeoorloofd is.

Op de verdere argumenten van Prof. van Bakel nogmaals in den breede in te gaan, heeft daarom geen zin, nu ons

I) Het hierna volgend gedeelte van dit artikel is, met eene andere inleiding, ook ter plaatsing aangeboden aan De Hervorming.

hoofdbezwaar onwederlegd bleef. Slechts twee kantteekenipgen veroorloven we ons Vooreerst verklaart Prof. van Bakel, dat hij in zijn statistiek wel degelijk de candidaten in de Theologie heeft meegerekend. Dit nu kunnen we ten stelligste tegenspreken en hier is bewijs in absoluten zin te leveren. Hij zegt zelf, dat hij heeft opgeteld de nieuw ingeschrevenen + de drie voorgaande jaren, d.w.z. de studenten van vier cursussen. Nu kopt het aan de Vrije Universiteit zoo goed als nooit voor (in de laatste 10 jaar was dit slechts éénmaal het geval) dat een student' in het 4e jaar van zijn studie candidaatsexamen aflegt. Prof. van Bakel heeft dus op dit punt zeer stellig vergist. En in de tweede plaats verklaarde Prof. van Bakel-zich niet te begrijpen, dat de cijfers van het officieele verslag niet geheel kloppen met de doorhem •gebruikte studentenlijsten. Laten we hierop mogen antwoorden, dat ditzelfde verschijnsel zich evenzeer voordoet aan de Rijksuniversiteiten, waar de Rector in zijn jaarverslag telkens meedeelt, , dat de door hem verstrekte cijfers niet geheel overeenstemmen met die in de studenten almanakken. Het zou te ver voeren hier, een uitvoerige verklaring van dit verschijnsel te geven. Natuurlijk is het getal studenten altoos vlottend; er komen telkens nieuwe bij, en er gaan 'andere af door examen te doen. Het hangt er dus van af, op welk tijdstip van het jaar de lijst vastgesteld wordt; een lijst in September vastgesteld, zal er anders uitzien dan in Januari. Maar deze verschillen zijn be^^ trekkelijk gering en geven zeker niet het recht om de officieele cijfers, zooals Prof. van Bakel doet, voor. minder betrouwbaar te verklaren. . . . "

Ten slotte willen we gaarne de uitdrukking, die in ons vorig artikel stond, dat de statistiek van Proi. van Bakel geen eerlijk spel was tegenover de Vrije Universiteit, terugnemen. Ze bedoelde niet anders te zeggen, dan' dat door deze statistiek aan de Vrije Universiteit geen fair play gegeven was, omdat zij in dezen wedloop met de ar»dere Universiteiten te zwaar belast was geworden. Maar de bedoeling was geen oogenblik. Prof. van Bakel van oneerlijkhëid te betichten; we wezen zelf aan het slot van ons artikel die gedachte zoo beslist mogelijk af.

Hiermede meenen we, dat deze quaestie is afgedaan. Langer dit debat voort te zetten, zou te veel van het geduld onzer lezers vergen.

DR. H. H. K.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 26 december 1915

De Heraut | 4 Pagina's

Het antvtroord  van Prof. van Bakel.

Bekijk de hele uitgave van zondag 26 december 1915

De Heraut | 4 Pagina's