GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Nog eens: Gedwonflen huwelüken.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Nog eens: Gedwonflen huwelüken.

11 minuten leestijd

Een onzer lezers — doch die, naar bij ons Verzekert, spreekt uit naam van meerderen — is over m'n antwoord aan de B. te A. oiver gedwongen huwelijken niet tevreden.

Aan de B's verzoek, om bewijs uit de H. Schrift, dat wie gedwongen ten huwelijk gaan, schuldig staan aan overtreding van het 7de gebod, voldeed ik z.i. met m'n verwijzing naar Zondag 4].-van den Heidelberger niet. .

En omdat de B's gedachten ook bij liem en bij vele zijner vrienden leven, verzoekt hij! me daarom een duidelijk antwoord o-p de volgende twee vragen :

Ie. Wordt wel ergens in de Schrift vonnis gesproken over de gemeenschap tussclien ongehuwden die een huwelijk noodzakelijk maakt? En

2e. Valt ze wel metterdaad onder de zonden tegen het zevende gebod?

Bij deze laatste vraag teekent hij dan aan, dat • ze, naar zijn oordeel, allereerst overtreding is van gebod 5, en dat ze door iets bijkom.ends stellig ook zonde tegen gebod 7 kan worden, doch dit op zich zelve niet is, of dat daarin althans niet het karakteristieke ligt van dit kwaad.

Ofschoon een lange disciussie juist over dit onderwerp me niet bizonder aantrekt en zeker oiok haar gevaren heeft, wil ik toch, om 'tbela, ng der zaak, vooral voor ónzen tijd, en ook, helaas, voor onze kringen, gaarne aan P's verzoek-voldoen.

Maar het eischt een toegeeflijkheid, die 'kme stellig voorneem, uitzondering te laten blijven.

Wij praten met elkaar, ook in „De Reformatie" als Gereformeerde menschen, d.w.z. als menschen, die de belijtlenisschriften der Gereformeerde .Kerken! erkepnen als de uitdrukking van hun geloof, en die daa.iom een beroep op de belijdenis als ten. volle geldig erkennen. Niet om een autogestie die deze belijdenis hebben zou, maar omdat we haar saam erkennen als gegrond opi en in overeenstemming met het Woord onzes iiods.

Wie ten opzichte van ërnig deel der belijdenis van déze overeenstemming'niet overtuigd is, trachte daarover meerder licht te krijgen, of diene, zoo bet gevonden licht hem niet geruststelt, een gravamen in, maar 'hij mag nooit beginnen met in discussie de belijdenis buiten de deur te zetten. o

Onder beding, dat P. dus nooit meer doe wat m hij nu deed, en na eikenniug zij'nerzijds, dat hij w thans krijgt wat hij geen recht had te eiscihen — e wil ik hem de volle maat geven. —

Zijn eerste vraag moet ik', om hem geen o^irecht te doen, zeker een weinigje wijzigen. z m

Want als ik haar lees, gelijk ze d.iar staat: , , Wordt wel ergens i.n de Schrift vennis gesproken over de gemeenschap, die Jn huwelijk' noodzakelijk maakt? " dan is ze, zeker' ook naar P.'s oordeel spoedig beantwoord, en kan dat antwoord kwalijk anders dan bevestigend zijn. s o r g

Want gemeenschap die een fiuwelijk noodzakelijk maakt is geslachtelijke gemeensdhap; van ongehuwden. Geslachtelijke gemeenschapi van ongehuwden, zoo heel in het algemeen, is hoererij'. En dat de Schrift over hcererij vennis spreekt, zal wel voor iemand bewijs behoeven. h l a d

Doch' zoo-algemeen zal het door P. niet bedoeld zijn. Hij heeft gedacht aan gemeenschap, tuschen twee personen, die elkaar lieflcregen, die eze liefde voor elkaar uitspraken, en die l)eslO'ten, et elkaar te huwelijk te gaan. Hij' dacht m.a.w. an wat we „verloofden" noemen, O'f aan jongelui, usschen wie, zooals het te platten lande heet., tot vaste verkeering kwam. a „ t k g d e

Van een bestraf.ing of vonnis over jonge menclien, die bij dergelijke verhouding, door geslachelijken omgang hun voorgenomen huwelijk veraastten, beken ik, geen voorbeeld uit de H. Schrift e kennen. n li d n

Doch dit is Oiok zeer begrijpielijk. h

In het Oosten toch kende men onze lange verovingen of verkeeringen niet. m

Men kende er alleen een bruidstijd; die dan vaak el van veel langer duur was dan onze onderrouw, doch in niets leek op, onze verlovingen. li v

Dat het gevraagde vonnis of voorbeeld van een onnis niet is aan te wijzen, zegt dus weinig. e

Vooral onder ons, gereformeerden, die geleerd eljben, dat de Schrift ons nog opi een andere anier den regel geeft voor ^ geloof en wandel, dan n den vorm van bepaalde teksten'of voorbeelden. w

Het komt alles aan op de beantwoording van .'s tweede vraag: „Valt ze (de buiten-echtelijke emeenschap n.l.) wel onder de zonden egenhet 7egebod? "

'kAlcet eerlijk bekennen, dat een vraag als déze e meer dan een beetje verbaast.

67 Wie haar stelt, brengt toch feitelijk lieel de methode van wets-uitlegging in geding, waarin Calvijn ons voorging, die alle gereformjerde Moralisten en Kerken volgden, die van gebod 1 lot gebod 10 ook onze Heidelberger toepast, en die l)ij elk der 10 geboden de sleutel blijkt, waardoor ons de schatkamers van 's !Heeren wonderbare Wet ontsloten worden; die aan de Schrift zélve ontleend is, zich meer bepaald rechlslrcek's aansluit aan het woord des Heeren .lezus: , , Voorwaar, Ik' zeg u, zoo-wie een vrouw aanziet, om haar te begeeren, die heeft reeds overspel met liaar in zijn hait gedaan", en die hierin bestaat, dat we in de ééne bepaalde zonde, die een gebod verbiedt, geheel een rubriek, beter gezegd, heel een familie van zonden getroffen zien, die met deze ééne zonde saamhangen en in haar, als de meest centrale of de scherpst-geteekende, haar vertegenwoordigster vinden.

Deze methode in 't algemeen verdedigen behoef ik niet.

Bij elk afzonderlijk gebod, ook J)i| gebod 7, rechtvaardigt ze zich zelve.

Gebod 7 raakt rechtstreeks en naar de letter enkel en alleen de zonde van echtbreuk, d.w.z. het breken van den echt.

Het breken van den echt bij ieder'zonder onderscheid ; ook, en niet het minst bij ons-zelven - - en op alle manier, niet alleen door wat we in het dagelijkscb spraakgebruik echtbreuk noemen, maar ook door fwisfgierigheid, boos humeur, zelfzucht, en al wat een huwelijk verstoren kan.

Dat alles wordt, gelijk onze Heidelberger zegt, in het zevende gebod verboden.

Het gaat dus in eerste instantie om de veiligstelling van het huwelijk tegen allerlei uiting van de zü-xrde, waardoor het belaagd en bedreigd wordt. Goed.

Doch daaruit besluite men nu niet, dat het hier eeniglijk en alleen gaal om de bescherming van het huwelijk, als heilige instelling Gods, geheel in 't algemeen, en dat er dus van geen overtreding van dit gebod spralce kan zijn waar geen 'huwelijk gebroken of geschonden kan worden om do eenvoudige reden, dat het er niet is.

Want — om nu even te laten rusten wat beter straks wordt gezegd - - we vinden hier in gebod 7, hel huwelijk niet in het algemeen en in het afgetrokkene.

Maar we o-ntmoeten het hier in zeer ooncreten v(jrm en in een zeer bepaald verband.

We ontmoeten het hier als het huwelijk van onzen naaste. Gebod 7 toch behoort tot de tweede tafel der Wet, en is een der geboden, die ons voorhouden., wat we onze naasten schuldig zijn.

„Gij zult niet echtbreken" beteekent dus-allereerst: gij zult niet breken de-n echt van uwen naasie.

En nu kan dat breken van des naasten echt ngetwijfeld allerlei vorm aannemen, maar zijn eest praegnanten vorm is toch wat onder ons en at evenzO'O onder Israël verstaan werd onder chtbreuk in engeren zin.

Gelijk naar het woord des Heeren: „Die twee ullen tol één vleesch zijn" in de lichamelijke geeenschap de eenheid, welke in het huwelijk lot tand komt, haar volle openbaring vindt, zoo ligt ok in wat echtbreuk heet in engeren zin, de adicaalste geweldpleging aan eens anders huwelijk. En wat is nu het 'kwaad, dat in dit uiterste verrijp-tegen des naasten echt aan het licht treedt? ÉSat kwaad is de niet door de vreeze Gods beeerschte en bedwongen zinnelijke lust.

Maar in deze hoofdloot van den onbedwongen ust, ttett dan gebod zeven alle andere, en in deze lle saam treft het in dien oaibedwongeii lust zélf en boozen wortel.

en boozen wortel. Zoo verstaan, verbiedt gebod zeven wel ter dege l wat onze Heidelberger in Zondag 41 opsomt: alle onlvuische daden, gebaren, woorden, gedachen, lusten, en wat den mensch daartoe trekken an." —

Daarom hebben alle gereformeerde .Moralisten in. ebod zeven het gebod der kuischheid gezien, .w.z. die zelfbeheersching, die uit liefde tot God n uit heilige liefde tot ons-zelven en tot onzen aaste, ook den zinnelijken drang, die het huwejk doet zoeken, pnderwerpf aan den geopenbaaren wil des Heeren.

Tot dien geopenbaaiden wil des Heeren behoort u ook, dat deze zinnelijke drang alleen in het uwelijk bevrediging mag zoeken.

En wel, opdat die be^rrediging geen dierlijke, aar een door de echtelijke liefdei toit het menscheijke, d.w.z. tot het geestelijk-zedelijke, opgeheene zij.

.\ 11 e e n in hel h u w e 1 ij k.

Doch het huwelijk is nog niet waar twee menschen lkaar liefhebben, en elkaar de trouw-b-elol'te deden.

Daar is stellig wél aanwezig een der eerste vooraarden voor het huwelijk. *

Daar is in zekeren zin het huwelijk ook in voorereiding.

Maar het huwelijk-zelf is er nog niet.

Zoo' heeft men wel in geestdrijverige kringen an vroeger en later tijd beweerd, om er dan ok naar te handelen, tot hef leven doodliep-in e poelen van bestialiteit, — in geestdrijverige ringen, die met al wat tot de gestalte en den vorm

van het leven behoort, den spot clreveii, of het zelis als uit den booze bestreden, wijl er immers iiiols was dan geest - maar zóó 'hebben onze 'ieieformeerde vaderen niet gecorde^ld.

Die liadden van de Sdirift geleerd, dat ©r een wezéu is der dingen, dodi ook' een vorm, dat beide düor (Jod gewild en Grods eigen sclicpping zijn, en dat liet wezen evenzeer den vorm behoeft als de vüi'm het wezen. •

In dal liclrt zagen ze ook het menschclijk loven, on in dat mensclielijk loven het huwelijk, teigelijk eon zijner rijkste cntiilcc.iïngen en ean zijner kosto-Hjksle gaven.

Met wozon van dat huwelijk zagen ze overal waar een mannen-eii eeu vrO'Uweiiziel elkander ihet (h' hefde van den éénen voor de écne', en van (h; óóne voor den éénen, beminnen - maar wat ze er, zonder méér, nog niet zagen, was de v u 1 m van hel huwelijk.

üic vuim kwam, oordeelden ze, eerst, als d.'> innei-lijko vereoniging van het voornemen tot .een verbinlenis vooi' het leven, voortschreed tot da daad der verbintenis zelve, onder medewerking ol bevestiging van al de levenskringen die bij hot huwelijk betrokken zijn: ouders, familie, kerk en hu 3'ge rlijke overh eid.

En zóó is het.

Zonder medewerking en sanctioncering van al deze partijen kan het onder ons nu eomnaal tot eeen fojmeel en. wettelijk huwelijik komen.

En ook in. deze dingen heeft een christen te zien zooveel beschikkingen van zijn God. Die verplichtingen die ze hem opleggen, heeft hij als (.rdinantiën tiods f e eeren.

ZG« gelden ze, gelukkig ook nog ondor.de chrislenen len onzent. 'r'!u-''^^'

lenen len onzent. 'r'!u-''^^' En daarmee is dan de vraag van P., naar 't me toeschijnl, beantwoord.

toeschijnl, beantwoord. Want, als alle sexueele gemeanschaj) buiten het Inuvolijk zonde is voor (iod, en ervan geen huwelijk kan gesproken worden, waar de voTm ervan, niet onder medewerking van alle partijen die er bij bcirckken zijn, tot stand kwam, dan is ook wel waarlijk alle gemeenschap die tot het huwelijk dwingl, een overtreding van het zevende geb-oil.

Oók van het 5de ongetwijfeld.

Ook (in de roekeloosheid, waarmee brood en maatschappelijke eere, vooral van de vrouw, in de waagschaal worden gesteld; want wie waarborgt, dat hel luiwelijk ooit voltrokken wordt? ) van gebod 6 en gebod 9.

Oók: , in het , , ongeO'rdineerd" begeeren, van gebod 10.

Doch óók, en meer reclitstreeks, van het 7de. gebod.

Ik hoop, dat P. door dit antwoord bevredigd zal zijn.

't Had misschien iets korter kunnen zijn. Dat ik wal breed werd, heeft zijn reden hierin, dat P.'s oordeel, naar me meermalen bleek, dat van meerderen is, en dat het niet zeilden als een schild wordt opgeheven over een zonde die met den dag moordender om zich heengrijpt.

Want, men denke het zich toch wél in: als de gemeenschap buiten huwelijk eigenlijfe alleen maar ongeoorloofd is, omdat men er door tekort doet aan het gezag dat Grod over ons stelde — dan bieden duizend lianden de middelen aan, om te zorgen dal het gezag geen schade lijdt, en dat de vuile lust zich toch bevredigen kan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 december 1927

De Reformatie | 8 Pagina's

Nog eens: Gedwonflen huwelüken.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 december 1927

De Reformatie | 8 Pagina's