GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Een ervaren gids voor een gevaarlijk gebied

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Een ervaren gids voor een gevaarlijk gebied

6 minuten leestijd

R. W. J. Steinz: „De wonderwereld der beeldende Kunst". Uitg. Bosch & Keuning N.V., Baam.

De plastische kunst — beeld-en schilderkunst — staat bij vele van onze menschen buiten hun aandachtssfeer. Nog meer dan bij de Uteratuur is men geneigd afwijzend tegenover de uitingen der moderne schilderkunst te staan. Nu kan dit stellig zeer juist zijn, als het ligt aan den kunstenaar; als deze in zijn werk een levensovertuiging uitspreekt, die lijnrecht staat tegenover wat God ons in Zijn Woord leert en gebiedt. Berust de afwijzende houding echter alleen op onkunde, op het domweg veroordeelen van wat men niet kent en dus niet begrijpt, dan spreekt er een geestelijke armoede uit, die laakbaar is.

De heer Steinz heeft getracht hen, die niet uit onwil, maar uit onmacht, het gebied der beeldende kunst niet durfden betreden, tot gids te zijn en hun dat onbekende land als een wonderwereld te doen zien.

Of hij daarin geslaagd is, kan ik moeilijk beoordeelen. Wel heeft hij getoond een schrijver te zijn, die door zijn vlotten stijl en gezelligen gesprekstrant de moeilijkste onderwerpen bevattehjk weet te toehandelen, een vakman, die zijn stof zoo goed beheerscht, dat hij er duidehjk over kan spreken, zonder de problemen uit den weg te gaan.

Het aantrekkelijke van zijn stijl ligt hierin, dat hij geen doorloopend gewichtig betoog houdt over de plastische kunst, maar een soort van Socratische samenspraak componeert. Het voordeel hiervan is, dat hij de tegensprekers kan laten zeggen wat hij zelf wil, hun argumenten en beweringen in den mond kan geven, die hem prachtig te pas komen. Hij kan zijn betoog er door vereenvoudigen en telkens op de negatieve of positieve opmerkingen van zijn opposanten ingaan, daar die de kém van de zaak óf raken óf juist totaal verkeerd zien.

Achter in het boek staan een aantal reproducties van zeer moderne kunstwerken, behoorende tot ver uiteenlodpende kunstrichtingen. Beziet men die het eerst, zooals veel menschen doen, die een boek beoordeelen naar de illustraties, dan zullen velen zich verbaasd afvragen of dat nu kunst is. En daar is het den schrijver om te doen. Hij prikkelt tot lezen, omdat men wel eens wil zien, hoe iemand zooveel „geks" nog tot kunst zal weten op te vijzelen.

Gaat men dan lezen, dan brengt de schrijver zijn lezers weldra midden in de problemen. Met zijn denkbeeldig© opposanten formuleert hij al spoedig een kunstdefinitie: „Kunst is ernstig spelend of spelend ernstig in schoonheid uitdrukken een bepaald levensgevoel". Spoedig blijkt, dat dat levensgevoel voortkomt uit een Jevensbeschouwing en dat de wonderlijke, zonderlinge, vaak onbegrijpelijk lijkende moderne schilderstukken openbaringen zijn van wat er leeft, diep in het hart van den kunstenaar. Dat men niet klaar is, met een spottende opmerking aan die „idiote" dingen voorbij te loopen, maar dat het de moeite loont, na te gaan welke voor hem innerlijke waarheid de kunstenaar er in uitspreekt.

Een groot deel' van het boek is dan ook gewijd aan •Je bespreking, de verklaring van de opgenomen af­ beeldingen. Hier wordt de toon veelal anders. Wel treden nog soms tegensprekers op, maar dikwijls ook is de schrijver uitsluitend kunstcriticus. En men zal moeten erkennen, dat hij zijn weetje weet en zijn kijk aannemelijk weet te maken ook. Toch zajl hier de lezer soms het hoofd schudden, en zich afvragen of hier niet te veel verklaard wordt, of er niet hineininterpretiert wordt, wat een ander er nooit in zal zien. Men krijgrt bij deze uiteenzettingen wel eens het gevoel, een kunstcritiek te lezen uit een vakblad, met die vreemde terminologie, die blijkbaar bij schilderkunst behoort. Er is geloof voor noodig, wil men alles beamen, wat hier beweerd wordt.

Ook dit is vanzelfsprekend, want als het product een uiting is van een levens-en wereldbeschouwing, kan men het niet aanvaarden zonder geloof. Maar hier komt dan ook naast aanvaarding, volkomen afwijzing te staan.

Tegen dit hoofdstuk heb ik het meeste bezwaar. Bijna nergens wordt een woord van afkeuring, van afwijzing, gesproken. Zijn opzet, den lezer te behoeden voor domweg verwerpen van iets, wat hij niet begrijpt, brengt den schrijver er toe in het moderne jargon alle experimenten van de verschillende - ismen, tot kunst te verheffen. Hij spreekt van de juichendetinten, den bhjden glans, de diep mystieke sfeer, die er ligt over de werken van kunstenaars, die hij verderop karakteriseert als pantheïsten, existentialisten, wier levensovertuiging angst is. Het was beter geweest, dat de schr. dadelijk gewezen had op het verderfelijke, dat er in zulke kunstuitingen kan liggen, het puur anti-christeUjke, dat in den chaos de oplossing ziet van het levensprobleem.

Ik wil niet zeggen hiermee, dat de schr. hier niet op ingaat, maar hij had het directer kunnen doen, door de beoordeeling van den vakman te paren aan de veroordeeling door den christen. Dat de auteuf werk van Mondriaan niet wil beschouwd zien als behangselpatronen, kan ik waardeeren, maar dat hij, als christen de beteekenis vari' dit' werk zoo tioóg aanslaat, verbaast mij. Wij moeten radicaal - durvep afwijzen, op gevaar af, dat men ons rekent tot" de domme, dogmatische fanatici.

Heeft de schrijver vóór zijn critische beschouwingen, die hij als „een merkwaardig tuiltje bloemen" aankondigt en die een beredeneerde catalogus wil zijn, den technischen kant der kunst vooral behandeld, daarna beschouwt hij den geestelijken achtergrond. In zijn „drieërlei wereldbeschouwing", schildert hij weer lp levendige, heldere kleuren drie voorname zienswijzen; en wel Ie de mensch als een brok natuur, dus het materialisme en het vitalisme, 2e de mensch als God, het pantheïsme in zijn vele verschijningsvormen en 3e de mensch als schepsel, waarin de gevarieerde christelijke standpunten worden uiteengezet.

Wanneer ik hierbij aanmerk, dat m.i. het positief-Bijbelsche standpunt te weinig uitsteekt boven de véle andere, zoodat het schijnt, dat het in hetzelfde vlak ligt met deze, dan bedoel ik niet den auteur slapheid te verwijten. Maar hij schrijft voor de jeugd en hij wil hen een wonderv^ereld binnenleiden, waarvan zij geen notie hadden, een wereld van schoonheid, maar

tegen God, van menschverheffing eu grondeioos pessimisme, van levensangst en - wanhoop, die weigert vertroost te worden, en dit alles in kleur en lijn uitgebeeld zoo, dat het den beschouwer verbijstert; en dan vraag ik om zéér positieve voorlichting, opdat die jeugd de groote tegenstelling gaat zien en voelen tusschen de levensbeschouwing van vele moderne kunstenaars èn het uitgesproken Woord van God.

Over het algeheel Ujkt mij dit boek zeer geslaagd en kan het heel nuttig werken, om de jeugd op te wokken tot öïüsèümfezoek, tot zien en-aizicht'krijgen van een wereld, die als bij de literatuur ook, schoonheid en vergif oplevert, een wereld die men niet mijden kan, maar waarin men voorzichtig moet wandelen en dikwijls een betrouwbaren gids van noode heeft Het is jammer, dat de reproducties niet in kleuren konden worden afgedrukt; nu zeggen vete er van weinig of niets en moet men alleen afgaan op de verklaring van den schrijver, dat de kleurexpressie ervan prachtig is.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 3 juni 1950

De Reformatie | 8 Pagina's

Een ervaren gids voor een gevaarlijk gebied

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 3 juni 1950

De Reformatie | 8 Pagina's