GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Spel krachtens bevel

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Spel krachtens bevel

8 minuten leestijd

LITERATUUR EN KUNST

Dr Buitendijk waarschuvyt in zijn boek: „Op de keper beschouwd", tegen, wat hij noemt: een , , Calvinistisch puritanisme". Hij schrijft (bladz. 16): „Nu valt het niet te miskennen dat de Calvinist in het algemeen huiverig is voor 't spel. Af keer van toneelspel en dans is karakteristiek voor die houding. Daarom doorgrondt hij de kunst niet in haar ludiek (spel)karakter. De Calvinist is meestal een zoeker van nutte lering, hij ziet de kunst te veel als colportage van godsvrucht, deugd en goede zeden, te weinig als spel, afbeelding van het spel van God, gespeeld tot eer van God".

Dr Buitendijk vindt dit „puritanisme", deze afkeer van toneel en dans, dat karakteristiek zou zijn voor de houding van de Calvinist, dan ook héél erg. Hij vraagt zich zelfs af (bladz. 17): „Is daarom het huidige Christelijke leven zo dof en negativistisch ? " Hij vindt het „kortzichtig" het spel te verwerpen. Immers „het spel kan uit de hoogste en subliemste ernst geboren worden." Het rederijkerstoneel deed de Hervorming in brede lagen van de bevolking ingang vinden, oude en nieuwe geuzenliederen inspireerden tot verzet tegen de tyrannic, Marnix' dolle spot met de Roomse kerkgebruiken deed Rome misschien meer afbreuk dan honderd ernstige vertogen, het Nederlandse Réveil werd geboren in de poëzie van Bilderdijk en Da Costa, de Blauwvoeterie van Rodenbach heeft de stoot gegeven tot de wederopstanding van het Vlaamse volk. Niet van het verstand, maar van gevoel, verbeelding, heldenmoed is vernieuwing des levens te verwachten. Daarom is elke cultuurgemeenschap dor en schraal, waarin niet bloeit het vreugderijke spel, de schone gestalte der verbeelding, de dronkenschap om het heilig ideaal."

Aldus Dr Buitendijk.

We behoeven er niet veel van te zeggen. Er wordt hier bijna geen woord gebezigd, dat niet voor bestrijding vatbaar zou zijn. Dat het rederijkerstoneel de Hervorming in brede lagen van de bevolking ingang deed vinden, is een stelling, die we voor 't eerst van ons leven horen. We zouden wel eens wiUen weten van Dr B. wat hij eigenlijk onder , , Hervorming" verstaat. Het losweken van Rome betekende heus nog niet, dat die „brede lagen" nu ook gewonnen waren voor de Hervorming, althans, wanneer men daaronder verstaat: Kerk-reformatie. En wat de „Biëncorf der "H. Roomsche Keroke" van Marnix aangaat, dat is toch wel iets méér dan „spel" geweest, of , , dolle spot". Tegenover Erasmus' satiren gesteld, vertoont de „Biëncorf" juist zó weinig spel en is de brandende ernst zó zeer de grondtoon, dat men kwalijk nog van „spel" spreken kan. Zo weinig is hier sprake van een tegenstelling tussen „spel" en wat Dr B. noemt „honderd ernstige vertogen", dat de franse bewerking van de „Biëncorf" een algemeen gebruikt „leerboek" werd onder de hugenootse jeugd, bij het onderricht in de gereformeerde beginselen. Evenmin kunnen wij verstaan hoe Dr B. de verzen van Bilderdijk en Da Costa onder „spel" zonder meer kan rangschikken, wanneer deze Réveil-mannen hun ernstige , , bezwaren tegen de geest der eeuw" gaan inbrengen. Hoe hij dan ook zeggen kan, dat niet van „het verstand, maar van gevoel, verbeelding en heldenmoed de vernieuwing des levens te verwachten is" is ons een raadsel. Dit is een redenering, welke zich nóch met de geest van de Hervorming, nóch met die van het Réveil dekken laat.

Wat Dr B. hier voor „spel" aanziet, is niet anders dan diepe ernst geweest en laat zich zeker niet iden­ tificeren met dat, waar Dr B. het eigenlijk over hebben wil en wat hij verdedigen wil: het toneel en de film en wat er meer aan modern vermaak geboden wordt.

Dat wil allemaal nog niet zeggen, dat wij tegen het „lachen zeggen: gij zijt uitzinnig", en dat we het vermaak uit den boze achten. De kwestie waar het allemaal op vast zit is, dat Dr B. zijn normen voor spel en ernst, voor arbeid en vermaak, voor cultuur en kunst ontlenen gaat aan het moderne humanisme en niet primair de vraag stellen blijft: wat zegt Gods Woord ons van al deze dingen. Daarom vervaagt bij hem de antithese, om plaats te maken voor de synthese.

De vraag, welke ons bij het bepalen van onze houding in deze materie, vóór alles bezig moet houden is: wat zegt Gods Woord hierover?

De , , Homo-Ludens-theorie" door hem overgenomen van Huizinga, belet hem deze vraag op haar juiste plaats te houden en te beantwoorden.

We waren heel wat verder gekomen, wanneer Dr B. ons gezegd had wat „het spelen" en wat „Gods Wet" is naar de mening der Schriften. Hij maakt nu verschil tussen het „mogen" en , , moeten" van de paradijsmens. Maar wij geloven, dat deze twee daar steeds samenvielen. God heeft Adam niet geschapen als een , , naïeveling", maar als een „ambtsdrager", bij wie alle natuurlijke gaven te functioneren hadden naar een ambtelijke opdracht. Alles was bij de geschapen mens: opdracht, functie, bevel, wet, gebod en dat was tevens zijn heerlijkheid, zijn vreugde, zijn liefde, zijn spel. Het mógen en het móeten en het kunnen viel steeds samen, en dat was zijn paradijsvreugde.

Daarom is de ambtelijke plaats van de mens bij alles het uitgangspunt. De mens viel niet in twee stukken uit elkaar: een naïeveling, die in vrijheid wat spelen mocht en verder een ernstig werker, die onder het gebod stond. Hij was als beelddrager Gods geschapen. D.w.z.: heel zijn leven stond, van het ogenblik van zijn schepping af onder de heerlijkheid van het ambt. Hier hebben wij het criterium waar alles om draait. En daarom kunnen we ook nooit enig werk van de mens los zien van zijn ambt. Van alle arbeid van de mens, maar ook van zijn „spel", van zijn kunst gaat profetie uit. Achter alle kunstwerk staat de kunstenaar, de mens, die steeds krachtens zijn bevoegdheid, hem als Iseelddrager geschonken, werkt. En daarom geldt óók van wat Dr B. „het spel van de mens" gelieft te noemen, primair de vraag: geeft dit werk ware of valse profetie? Wat suggereert de mens die dit wrocht? Wat profeteert hij ons? Het analytisch gepruts en getheoretiseer over wat praevaleert: ethische normen of aesthetische beginselen bij een kunstwerk, deugt niet. We kunnen een kunstwerk nooit „an sich" beschouwen. Er staat een mens achter van vlees en bloed. Deze mens heeft iets gecreëerd. Heeft hij dat gedaan als beelddrager Gods, was hij hierin getrouw profeet, priester en koning? Of is zijn werk uitdrukking van valse profetie? De mens is nooit en nergens de „spelende naïeveling". Alles staat bij hem onder het gebod Gods, onder de „opdracht", onder het „mandaat".

En deze maatstaf moeten we als gelovigen aanleggen bij alles, waarmee wij in dit leven worden geconfronteerd: bij het boek dat we lezen, bij het toneelstuk dat we willen zien, bij de film, waarvan we willen genieten. Er is hier geen „spel", dat zich op een soort neutraal terrein zou kunnen bewegen.

En hiermede worden niet het spel en het vermaak als zodanig veroordeeld, maar zij worden gezet onder de klem van het gebod, dat zeer vnjd is.

Calvijn zegt dat in zijn „Institutie", tweede deel, hoofdstuk X, kort en duidelijk, als hij het heeft over: „Hoe men het tegenwoordige leven en deszelfs hulpmiddelen heeft te gebruiken". Hij zegt daar:

, , Door zodanige onderwijzingen leert de Schrift ons tevens wel degelijk, welk het rechte gebruik is der aardse goederen: een zaak die, om het leven wel aan te leggen, geenszins moet worden veronachtzaamd. Want moeten we leven, zo moeten wij ook de nodige hulpmiddelen des levens gebruiken. Wij kunnen ook de dingen niet missen, die de schijn hebben meer tot vermaak te dienen dan tot noodruft. Zo moeten wij dan de maat weten, die wij te houden hebben, om die met een rein geweten, hetzij tot nooddruft, hetzij tot vermaak te gebruiken. Die wijze schrijft ons de Heere in Zijn Woord voor, als Hij leert, dat het tegenwoordige leven voor de zijnen een zekere vreemdellngenrels Is, waarmede zij zich spoeden naar het hemels koninkrijk. Indien wij deze aarde alleen moeten doortrekken, zo moeten wij zonder twijfel haar goederen tot dat einde gebruiken, dat zij onze loop eer bevorderen dan vertragen ".

Wij geloven dat dit Schriftuurlijk gezegd is.

En daarom komen wij tot de conclusie, dat we bij alles wat we doen, ook bij ons spel, ons vermaak, onze cultuuropdracht en onze kunst, staan onder het beheersend gebod Gods, dat wij ook in deze dingen te kiezeii hebben tussen ware en valse profetie en dat we in het gebruik van deze dingen, ook haar te stellen hebben als middelen ter bevordering van onze „christenreis door dit leven".

En dat brengt mee, dat we onmogelijk met deze wereld een zelfde cultuur, een zelfde kunst, een zelfde spel en een zelfde vermaak kunnen scheppen of genieten.

De antithese loopt ook hier dwars tussen hem, die

God dient en hem die God niet dient.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 12 juli 1952

De Reformatie | 8 Pagina's

Spel krachtens bevel

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 12 juli 1952

De Reformatie | 8 Pagina's