GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

PROF. HOLWERDA EN ZIJN „EER” (II)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

PROF. HOLWERDA EN ZIJN „EER” (II)

12 minuten leestijd

HOOFD ARTÏKEL

Maar is er nu geen mogelijkheid om te bewijzen, dat ik de feiten niet anders heb gesteld dan ze ziin, zó, da.t ook de Heer Stap overtuigd wordt? Als ik zou komen met de notulen, welke reeds 11 Aug. 1945 in de kerkbode werden gepubliceerd over het onderhavige geval, wie nu eigenlijk uit de kerk zijn weggelopen, de minderheid van 29, die de discussie afbrak, en zich tot wettige kerkeraad proclameerde, of de meerderheid van 31, die juist de bespreking wilde openen, toen de verklaring van het niet voor vast en bondig kunnen houden kerkeraadsbesluit geworden was, dan. zal de heer Stap zeggen: Die notulen hebben voor mij geen bewijskracht, want ik herinner mij, wat Ds Popma in zijn kerkbode van 18 Aug. 1945 schreef: „De voorstelling, die Ds Holwerda geeft en die hij uit de notulen, opgesteld niet door de scriba van de ongedeelde kerkeraad (heeft? ), is b e s l i s t met de feiten in strij d". Neen, deze notulen hebben hier geen waarde. Het ontbrak in die dagen niet aan bepaalde proclamaties; De minderheid proclameerde zich tot wettige kerkeraad. Zij proclameerde haar voorstelling van zaken als de juiste. „U w kerkeraad geeft de gang van zaken weer", schreef Ds Popma steeds.

Is het dan niet volkomen eerlijk om te komen met de a f z e t t i n g s b u l zelf? Ik zeg niet, dat z ij de feiten zuiver weergeeft. Maar dat Iaat ik hier terzijde. Ik zeg alleen, dat deze bul voor de heer Stap authentieke waarheid moet zijn, omdat zijn kerkeraad toen gezegd heeft: dit is de waarheid voor God en mensen. Met welke waarheid kwam de zich als wettige kerkeraad proclamerende minderheid tot de classis, op grond waarvan zij de hulp der classis inriep? Wel, de minderheid kwam aldus klagen: „dat zij van oordeel is, dat Ds Holwerda (en dan volgen 30 andere namen) tezamen vormende de meerderheid in die genoemde kerkeraad, zich door dat besluit (nl. dat zij de leeruitspraken niet voor vast en bondig kunnen houden en alle hiermee in verband staande schorsingen en afzettingen van ambtsdragers niet erkennen) en de d a a r n a gevolgde handelingen hunnerzijds (nl. het op de Zondag 8 Juli beleggen van afzonderlijke Godsdienstoefeningen) hebben schuldig gemaakt aan de zonde van openbare scheurmaking en dientengevolge niet langer als trouwe ambtsdragers in de gemeente van Christus mogen worden geduld".

De eigen kerkeraad van de heer Stap heeft dus niet voor de classis verklaard, dat Prof. Holwerda de bestaande kerk had vaarwel gezegd, maar dat hij door het besluit van niet voor vast en bondig houden, en door de daarna gevolgde handelingen, het beleggen van eigen kerkdiensten, zich bezondigd heeft aan een daad van openbare scheurmaking. De eigen kerkeraad zeide dus: dat besluit is de alles zeggende en beslissende daad geweest. Wat vroeg daarom zijn eigen kerkeraad? Vroeg hij, om te constateren, dat Prof. Holwerda eigenwillig het kerkverband verbroken had, en vaarwel had ge­ zegd? Neen, hij vroeg de hulp en de medewerking der classis om Prof. Holwerda uit zijn ambt te ontzetten ! Het staat er zo: „dat zij uit de aard der zaa& buiten machte zijn in overeenstemming met dit hun oordeel de genoemde personen uit hun resp. ambten te ontzetten, weshalve zij de hulp en medewerking der classis inroepen, opdat zij in het vervolg bij uitsluiting als de wettige kerkeraad van de Gereformeerde Kerk van Amersfoort kunnen optreden". Waarom legde Uw kerkeraad zulk een verklaring af, zo hij eenvoudig had kunnen zeggen: de meerderheid, met Prof. Holwerda voorop, is uit de kerk weggelopen? Wij laten, aldus de heer Stap, hier de vraag onbesproken, of dat verstandig is geweest om tot afzetting over te gaan, waar de personen in kwestie metterdaad onze kerk hadden vaarwel gezegd. Maar de vraag, welke niet onbesproken kan blijven is: Waarom legde Uw kerkeraad deze verklaring af? Waarom deed hij dat, als de dingen zo kinderlijk eenvoudig lagen als U voorstelt? Het is, dunkt me, nog al eenvoudig: omdat het niet waar is, dat Prof. Holwerda de bestaande kerk had vaarwel gezegd. Hij had alleen maar verklaard niet voor vast en bondig te kunnen houden, en toen zijn verklaring kerkeraadsbesluit was geworden, liep de minderheid weg, en proclameerde zichzelf tot wettige kerkeraad, en brak alle discussie af!

Als de heer Stap de moeite had genomen even na te denken over wat hij schreef, zou hij zelf de onhoudbaarheid van zijn woorden hebben ingezien. Vrijdagavond 6 Juli 1945 lag daar het kerkeraadsbesluit. De minderheid zeide: wij praten niet meer. Zo zijn wij uit elkaar gegaan met een regeling voor de kerkdiensten op 8 Juli. Maar wij waren op Zondag 8 Juli geen geschorste ambtsdragers, zodat de heer Stap nog met een schijn van recht zou kunnen zeggen: 'zij hebben als geschorste ambtsdragers eigenwillig kerkdiensten belegd. De afzettingsbul is gedateerd 12 Juli 1952. Bovendien, hoe kan de eigen kerkeraad van de heer Stap voor de classis de kwestie stellen van wettige en onwettige kerkeraad, als hij eenvoudig had kunnen verklaren: Prof. Holwerda c.s. hebben het verband met de Gereformeerde Kerken verbroken? Verder: wie de bestaande kerk vaarwel zegt, verliest alle aanspraken op de kerkelijke goederen. Hoe kan er dan een kerkelijke vei'deijng der goederen plaats vinden, waarbij beide partijen verklaren dit te doen onder voorbehoud van alle rechten, en beide in de acte van boedelscheiding pretenderen de wettige voortzetting te zijn van de Geref. Kerk te Amersfoort?

Ik gaf der waarheid wel getuigenis, toen ik zeide dat Prof. Holwerda weggescholden is. Toen hij aan die verklaring vasthield, en deze kerkeraadsbesluit werd, toen hebben wij in Amersfoort de kerkrechtelijke dwaasheid gezien van een minderheid, die zich tot wettige kerkeraad proclameerde. En toen heeft die minderheid gezegd van een kerkeraad, die niet eens geschorst was: zij hebben eigen kerkdiensten belegd. En toen is die minderheid Maandag 11 Juli '45 op de classis gekomen, heeft zij de hulp ingeroepen om ons uit het ambt te ontzetten. Zij nam niet eens de moeite om de classis zuiver in te lichten. Ja, zij ontzag zich niet de feiten onjuist weer te geven. Op die donkere Vrijdagavond triumfeerde te Amersfoort het Synodale kerkrecht. En de 'minderheid kon alleen daarom zo revolutionair optreden, met schending van alle kerkrechtelijke normen, omdat zij van te voren wist, dat zij èn de Synode èn de classis achter zich had, omdat toen het wachtwoord was: al wie zich niet conformeert, al wie niet voor vast en bondig houdt is daarmee ipso facto een openbare scheurmaker. Naar dat consigne heeft de minderheid die avond gehandeld.

En nu zou ik al tevreden zijn als de heer Stap die afzettingsbul nog eens nader bekeek, en aan Prof. Holwerda de e e r teruggaf, welke hem toekomt: een openbare scheurmaker te zijn naar het Synodale kerkrecht. Want dit is mijn ernstig bezwaar tegen zijn artikel, dat hij doet alsof Prof. Holwerda het is naar het Gereformeerde kerkrecht, dat inderdaad vervloekt een ieder, die uit zijn wettige dienst wegloopt, en de kerk vaarwel zegt, en schismatiek een andere kerkformatie sticht. En datisnu nietwaar. Prof. Holwerda is een openbare SQjieurmaker naar het kerkrecht van de S y n o- docratie, welke onderwerping eist aan alle besluiten der meerdere vergadering. De heer Stap weet heel goed — want Prof. Holwerda heeft het ook met

hem besproken — dat dit zijn droefheid was, dat er geen ruimte meer in de kerken bestond voor werkelijke conscientiebezwaren, en dat het dilemma — ook op de kerkeraad van Amersfoort — zo gesteld werd: conformeren of heengaan. Niet conformeren, dan naar artikel 79 en 80 er uit als een openbare scheurmaker, die het kerkverband aantast. Hoe is hij in die dagen geprest om toch vrijwillig heen te gaan!

Geef hem zijn eer weer terug! Ds Popma, die gebogen heeft voor de afgod der synodocratie, schreef in de brochure „Waarheid en Eenheid", bl. 13, dat een ambtsdrager, die het niet eens is met de aangenomen leer der kerk, behoort te verrichten een daad van grote zedelijke moed en zelfverloochening; hij moet nl. zijn ambt neerleggen". Hier tegenover merkt dan Prof. Holwcrda op in de brochure „Eenheid door Waarheid": „Ik mag hier wel zeggen, dat ik persoonlijk lange tijd overwogen heb om mijn ambt maar neer te leggen. Ik huiverde er voor terug, dat de gemeente in brokken zou vliegen; ik zag ook tegen al de narigheid van het kerkelijke conflict op voor mezelf. Ik heb gedacht: laat ik maar heengaan. Het was in alle opzichten voor het „vlees" de gemakkelijkste weg geweest. Maar ik heb het tenslotte niet gedurfd. Want wie van Christus het ambt ontvangt, ontvangt daarmee de opdracht om met de inzet van zijn hele persoon voor de leer der waarheid te staan alsmede voor het recht, dat de kerken naar het Woord Gods voor hun onderlinge samenleving hebben vastgesteld. Elke ambtsdrager moet de belijdenis en het kerkrecht verdedigen, ook al zou hij er zelf bij ten gronde gaan. Wie op een critiek moment zijn ambt neerlegt, zou het zichzelf gemakkelijk maken; hij ontwijkt de strijd en de narigheid, maar hij zou meteen Christus verloochenen en zijn opdracht ontrouw worden. Hij zou het ambt bedienen, , zolang het hem geen moeite bracht en geen smaad. Maar hij ging deserteren, toen het begon te spannen. En daartoe heb ik niet kunnen komen. O neen, ik denk er niet aan mezelf een kroontje op het hoofd te zetten. Wat ik deed, was niets meer dan mijn simpele plicht. Er zat geen greintje heldhaftigheid in. Het was niets meer dan simpele ambtstrouw. Maar dat men aan de overkant de moed heeft ons een gebrek aan zedelijke moed en zelfverloochening te verwijten, dat versta ik niet".

In deze woorden gaf Prof. Holwerda zijn zelfportret. En het laat zich herkennen in heel de kerkelijke strijd, die hij mee te Amersfoort gevoerd heeft. Het laat zich zelfs ook nog herkennen uit de afzettingsbul van de kerkeraad van de heer Stap. Zelfs uit deze, niet voor o n s, maar wel voor hem, authentieke waarheid, verrijst nog voor het oog het beeld van de man, die niet uit de kerk wegliep, maar die uit de kerk is weggescholden, omdat hij beUjdenis en kerkrecht tot het eind bleef verdedigen, en die reeds Ds Popma vermaande, om nu eens op te houden met een psychologie van het schisma, omdat de „feiten er toch niet door veranderen, dat wij uit elkaar gebroken zijn op dogmatische en kerkrechtelijke gronden en nergens anders om"! Maar het moment kwam, dat de minderheid zeide: wij praten niet meer. Zij hadden bovendien nog helemaal niet gepraat. Zij hadden alleen maar gezegd: Hij is schorsingwaardig. En alleen maar geprest om toch vrijwillig heen te gaan. En toen Prof. Holwerda Zondag 8 Juli 1945 het Woord bediende, deed hij dat in opdracht van zijn wettige kerkeraad, zelfs nog wettig in de ogen van de heer Stap, want niemand was geschorst, of afgezet. Of moet een niet-geschorste ambtsdrager soms het Woord niet bedienen als een minderheid zo maar zegt: pardon, mijnheer, wij zijn de wettige kerkeraad? Dat kan de heer Stap op zijn eigen standpunt alleen volhouden als hij zegt: op het moment, dat Prof. Holwerda zijn verklaring aflegde, op dat moment was hij ipso facto geschorst. Maar dan blijft er ook op zijn eigen standpunt niets meer over van zijn artikel, dat Prof. Holwerda de kerk vaarwel heeft gezegd, toen hij eigen kerkdiensten ging beleggen met zijn kerkeraad. Hij was toen reeds volgens de heer Stap een geschorste, ja afgezette ambtsdrager. En hij was het vanwege zijn verklaring niet voor vast en bondig te kunnen houden.

En hiermee is heel de legende, waaraan ook de heer Stap rustig blijft voortspinnen, aan flarden gescheurd. En Prof. Holwerda behoudt zijn eer, dat hij een openbare scheurmaker is naar het beginsel der synodocratie. Voor deze eer, die Prof. Holwerda met Prof. Greijdanus en Prof. Schilder en vele andere heeft, voor deze eer wil ik blijven vechten. Dat klinkt misschien wat wonderhjk. En toch is het dat niet. Want zo alleen behouden we de scherpe tegenstelling waar het om gaat, ook vandaag nog. Toen de Synodocratie zeide: het is revolutie, zeiden wij: het is reformatie. Toen wij zeiden: het is reformatie, zeide de Synodocratie: het is revolutie. En zo zijn wij beide, de heer Stap en ik, weer teruggeworpen op het Woord Gods alleen, en alzo teruggekomen bij de alles beheersende vraag: wie is hier verblind? De Strijdende Kerk van 24 Mei 1952 heeft zich ook bezig gehouden met mijn artikel en vraagt: of wij dan geen ogenblik de mogelijkheid durven stellen, dat wij gedwaald hebben? aangenomen de gaafheid van overtuiging en de bedoeling van de vrijgemaakte broeders? Hierop zou ik nu, ook aan de heer Stap, willen antwoorden: de zaaksgerechtigheid der vrijmaking ligt in het b 1 ij v e n bij de belijdenis en het kerkrecht.

Wij hebben ons niet schuldig gemaakt aan een interpretatie der belijdenis en van de kerkenorde. Wij zijn gebleven, die wij waren. Wij hebben niets toegevoegd en ook niets afgedaan. Wij spreken niet met een absoluutheid, welke alleen de Schrift toekomt. Wij spreken naar de Schrift, en doen belijdenis van de waarheid naar de Drie Formulieren van Enigheid. Dat dit spreken daardoor een absoluut karakter krijgt, is vanzelfsprekend. Wij moeten er zelfs voor willen sterven. En Prof. Holwerda is gestorven in trouw aan deze aangenomen leer en aangenomen kerkregering. En niemand kan zeggen: hij is weggelopen. Hij is uitgebannen. Dat heeft de Synodocratie gedaan ook met een absoluutheid, waarbij men geen ogenblik het element van zonde en dwaling heeft uitgeschakeld. Maar men is met zichzelf in tegenstrijd gekomen, toen men bij het sterven van Prof. Schilder en ook van Prof. Holwerda ging zeggen, dat de dood de tegenstellingen verzoent'. Daarmee heeft men ipso facto van alle schorsingen en afzettingen een spel gemaakt.

En aan de heer Stap zou ik nog willen vragen: publiceer de afzettingsbul van Prof. Holwerda, opdat ieder kan lezen wat Uw eigen kerkeraad verklaarde. Het besluit van niet voor vast en bondig houden, dat heeft het hem gedaan. En wat tenslotte de smarten en de vreugden van Prof. Holwerda betreft; dat kunt U nooit begrijpen, zolang U hem niet kent in zijn trouw aan de belijdenis, en het recht der kerk, in zijn trouw als „broeder en vriend van weleer". Maar zijn preek over Psahn 122 is de weg

om recht in zijn hart te kijken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 12 juli 1952

De Reformatie | 8 Pagina's

PROF. HOLWERDA EN ZIJN „EER” (II)

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 12 juli 1952

De Reformatie | 8 Pagina's