GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Literaire vriendschap.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Literaire vriendschap.

8 minuten leestijd

In den jeugd-omigang met boeken is ook iets, dat aan de bekende „school-vriendschap" doet denken. Een heel apart soort vriendschap van eenigszins verdachte kwaliteit!

Je zit naast elkaar in hetzelfde schjoolbankje, jè ademt tezamen hetzelfde luchtje, je deelt mot elkaar angsten, knikkers en oorvijgen. Je kunt jè niet voorstellen, dat er aan zoo'n vriendschap ooit een einde kan komen, nog wel zonder „finale"! En toch gebeurt het, bijna zonder uitzondering, dat het onbeleefde leven de twee „dikke" vrienden van elkaar wegduwt, en het vreemdste is, dat ze het heelemaal zoo erg niet vinden, elkaar kwijt te zijn geraakt in het gedrang van de nieuwe wereld, zonder zelfs fatsoenlijk afscheid te hebhen genomen.

Het was een vriendschap als van twee galeiboeven, die door het lot aan dezelfde roeibank zitten geketend; als van' twee reizigers, die 's zo» mers in 't Zelfde pensionnetje een paar weken lang de nauwe veranda en gammele kapstok deelen.

't Was de ontmoeting van „schepen, die voorbijgaan in donkeren nacht".

Een heel eigensoortige vriendschap!

Geen fcomediespel of auto-dessuur, — wèl echt emotioneel, natuurlijk als een grasscheut, diie plotseling, uit een weggewaaid zaadje, over den rand van een dakgoot groeit, —• maax kortstondig, niet passend in den eenmaal aangenomen levensvorm, niets anders achterlatend dan stoffage voor verbleekende herinnering.

Ook boeken kunnen zalke „voorbijgaande schepen" zijn, boeken, die je in je jeugd hebt ontmoet. Je klampte nieuwsgierig het geheimzinnig schip aan, er Monk een luidruchtig ahoi, en Je zat een paar uurtjes, dadelijk intiem, te gezelsen, maar straks, als het anker valt in een andere haven, en nieuwe „vrienden" naast je aan het rockt-.ifeltje ëen conversatie beginnen, is „dat andere" al bijna uit het bewustzijn vergleden en ge vraagt: Hoe was dat ook weer?

Krijg nu nog eens zoo'n jeugdboek in handen, zoo'n oude Stretton, die ]e weeli en sentimenteel, ook vroom, of een Verne, die je dol maakte, en, ^— als ge tenminste door den modernen tijd eenigszins aangeraakt zijt en de gelouterd-literaire smaak u niet geheel vreemd bleef, — zult ge, bij de opkomende aandoening van dankbaarheid voor nooit wederkeerende jeugd-sensatie, toch hot gevoel van teleurstelling niet kunnen onderdrukken.

Met uw nuchtere groote-menschen-oogen xiet ge het mooie boek van vroeger als een papieren draak.

Na een paar bladzijden te hebben gelezen, zacht ge verwonderd: Hoe heb ik dat vroeger kunnen genieten? Zelfs de meest oprechte piëteit, waartoe ge u verplicht acht, is niet in staat dit dopde boek weer levend te maken.

Het is eerst, alsof er in dat boek iets veranderd werd, of een ruwe Hand er het warme hart heaft uitgescheurd, of een lompe Voet de bloeiende perkjes heeft platgetrapt, maar de werkelijkheid is. dat g ij z e 1 f veranderd zijt, en nu dóór den schijö het wezen ziet.

Voor uw kritischen blik vervaag.t het jeugd-paradijs als een fata morgana, en de desillusie om het verloren geluk weegt nauwelijks op teg; en het trotsch besef, dat ge teniet gedaan hebt hetgoen •eens kinds was.

Maar God deed u in uw jeugd ook andere boeken ontmoeten, dan de kunstlooze lektuur, die alleen de kinderziel in verrukking brengt.

Er zijn ook schatten nij, die uw trouwe vrLenlschap waard blijven, en die ge, juist nu, ouder en rijper geworden zijnde, eerst recht in staat zij't op hun waarde te schatten.

Door een verborgen ziele-affiniteit hechten wij in onze jeugd aan dingen, die in zichzelf arm en leeg zijn. We omringen ze met het aureool van onze scheppende fantasie. We kleuren ze met het projektielicht, dat schijnt uit onzen eigen geest.

Maar het omgekeerde van deze verheerlijking hoeft ook paats.

We komen in het tijdperk van onke menschelijke onrijpheid ook in aanraking met boeken, die we lazen zonder er de verborgen heerlijkheid van te merken.

Niet uitsluitend van het iconinkrijk Gods is de gelijkenis waar, dat de menschen onwetend loopen over een akker, waarin een schat verborgen is

Er zijn klassieke boeken, die in onze jeugd wel iets aan ons deden, maar waar we den rijkdom zelfs niet van gisten, en waarvan we de heerlijkheid nog moesten ontdekken.

Ik neem als voorbeeld de Camera Obscura van ilildebrand. Niet bepaald een geesLelijk, noch ook een positief christelijk, boek, maar toch een kunstwerk, dat ge beschouwen moogt als een geschenk van Gods voorzienigheid, en waarvan gij rein kunt genieten als van een typisch-Hollandsch landschap of van een vroolijk-ernstig oui-Ho]landsch doek.

Wat h e b je eigenlijk a 1 s k i n d aan een mooi natuurtafereel, — wat zie je als kind in een Rembrandt?

Ge merkt alleen een paar frappante dingen, die even ontroeren, en doorleeft de kortstondige sensatie, dat ge voor een majesteit staat, maar h.? t rechte en echte gaat aan de onmondige ziel voorbij.

Eerst later valt de sluier van de verscholen heerlijkheid weg, en leert ge vriendschap sluiten, — nu duurzame vriendschap, — met wat ge eerst om bijkomstige redenen aandacht waard keurdet.

Wat vindt een onrijp mensch in de Camera mcoi ?

De tocht van Mr fïendrik Johannes Bruis op zekeren brandendheeten Vrijdagachtermiddag naar den koepel van zijn akademievriend. Dr De'uw, en in dit verhaal bijzonderlijk de beschrijving yan den woedenden vader, die zijn spartelenden zooa, onder het geroep: „Ik zal die burenplagers we\ krijgen", in het turfhok opsluit. Mogelijk heeft het tafereel van het ontvluchte boefje, dat van een boomtak den af reizenden bezoeker zijn studen tenscheldnaam „Buikje", naschreeuwt, nog den diepsten mdruk gemaakt. Ja, vooral dat laatste is , , or!; te gillen".

En dan heeft de Camera zeker ook hiet h'art y.in den jongen lezer gestolen door de koddige en zeer gedét.ailleerdé schildering van den drenkeling, Petrus Stastokius Junior, die, als slachtoffer van zijn verliefdheidsgalanterie, overboord gaat en daar ligt, „zijn schoenen nog aan boord, de panden van zijn jas nog zwevende op de golven, zich op zijn handen ophoudende op den bodem des waters, en het beslikte, maar nog altijd bebrilde, gelaat niet dan met moeite boven houdende".

Kog andere „treffende" passages uit de Camera zijn oorzaak geweest, dat de Hollandsche jongen met dit boek een oprechte vriendschap sloot, een vriendschap, die echter met verwaarloozing van de eigenlijke ziel van den literairen vriend gepaard ging-

De schat bleef in den akker verborgen.

Maar nu is de kwajongenstijd, waarin de kwaliteit van het boek niet het minst naar zijn vermogen om den lachlust op te wekken, beoordeeld werd, voorbij. '., I ! I '

De „leuke" boeken liggen allen in de rommelkast en ze blijven daar begraven in stof en duisternis tot de voddenjood ze voor een kwartje witaneemt, of een nieuwopgroeiend, even speelsch, geslacht ze onder gejuich uit hun graf haalt.

Maar waarom deelde de Camera niet in het lot van een dusdanige oneervolle begrafenis?

Om wat oorzaak bleef de sobere bruine band zijn plaats houden naast de statige deelen van E" Voto en bij de allernieuwste snufjes van Maltzahn, Runo en zijn Hollandsche evenknieën?

Hoe komt het, dat de jeugdvriendschap, die t-e met de Camera sloot, niet even onbarmhartig als de vele andere amikale verbonden werd verbroken?

Omdat dit boek iets neeft, dat uw vriendschap waard blijft, een stuk Hollandsch leven, een brok Hollandsche kunst, waaruit de aandachtige ziel altijd weer nieuwe schoonheden put.

Kegge noemde zijn vriend Hildebrand, uit •^•'^kbeid: „Onsterfelijke", maar wat hij zei was pfofetie, — de Camera neeft deze grap tot ; ; en verblijdende werkelijkheid gemaakt.

Fn nu komt het er op aan de vriendschap met dit boek tot uw eigen genot en nut (wiat hier h'etzelfde is) te beleven.

Na het vroolijk spel met de leuke verhaaltjes in de Camera, komt nu de ernstige exploitatie v-an de kunstrnijn, die telkens nieuwe goudaderen blootlegt.

Een voorbeeld van zulke fcunstontginnerij, door vriendschap bepaald, is een opstel van Car el Scharten in „De Roeping der kunst", getiteld: „Hildebrand, de onsterfelijke, of de geheimen der Camera O-biseura". In de inleiding vraagt hij:

„Zijn er dan noi? geheimen in de Camera Obsöüra, dat meest geliefde boek o^nzer letteren, dat elke Hollandsche jongen van veertien jaar kent en niemand orider ons niet verscheidene malen herlazen heeft met altijd versche vreugd? "

Het geheim van dit boek vergelijkt hij met Itet geheim van verkwikkend water:

„Waarin ligt het verkwikkende van water? Noch in izijn klaarheid, noch in zijn fonkeling, noch eigenlijk ook in zijii frischheid.... En w'at is het bekoringsgeheim der Camera, die, bij nadere bescbofuwing', lang niet overal izoo klaar is, doch integendeel meermaals gemengd met vreemde bestanddeelen en twijfelachtige smaken? In deze mengeling ligt 'n nieuw geheim weggesloten, het geheim, waarom de geniale schrijver van dit heugelijk boek het bij dat ééne liet; het geheim, hoe Hildebrand... Beets werd; en altijd Beets was gpweest, en altijd Hildebrand bleef...."

'Na deze onduidelijke zinspeling komt Scharten tot de verklaring van het geheim, ontleend aan de eigen woorden van Beets in de voorrede van de zesde uitgave der Camera:

„Ik kan de ; zoo ongemeene gunst, welke dit boek bij mijn landgenooten gevonden heeft, aan niets anders toeschrijven dan daaraan, dat het mijner 287 onbekomme rde jeugd, ik weet zelf niet hoe, over het algemeen eenigazins gelukt moet wezen, met waarheid te schetsen, zioodat in mijne kleine tafereelen de Mensch den Mensch, en de Nederlander izijn Vaderland gevonden heeft."

Dat is het zegt Scharten:

„De oorzaak van de onweerstaanbare bekoorKjkheid der beste stukken uit dit boek ligt in het natuurlijk-opgewelde, de tierige levensliefde (en de lust die schrijvend uit te vieren) der onbekommerde jeugd, — gelijk de leschkracht Van water daarin bestaat, dat izijn smaak van alle smïu ken de eenvoudigste is, de onveranderlijk jonge smaak van wat izóó uit de aarde bront, of van den hemel stroomt."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 juni 1922

De Reformatie | 8 Pagina's

Literaire vriendschap.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 juni 1922

De Reformatie | 8 Pagina's