GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Een pijnlijk pers-incident.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Een pijnlijk pers-incident.

31 minuten leestijd

Onder dit opschrift schrijft Prof. Dr H. H. ICuypar n „De Heraut" cea artikel over een zaak, waar wij en nauwste bij betrokken zijn.

Wij hopen hierop in ditzelfde nummer te attendeeren.

Wij voeren daarin met Jen hooggeachten een eigenlijke polemiek. schrijver

Daarom volgen we ook de methode van de poleiek niet.

Wij lichten uit zijn artikel hier en daar een passalge it.

Om echter alle misverstand te voorkomen en objekief de meening van prof. Kuyper te doen kennen, emen we vooraf zijn artikel in zijn geheel op.

Dan is ieder in staat om ook het verband van de door ons gegeven fragmenten na te gaan.

Toen we onlangs waarschuwden tegen oen polejniek, die door onbrocderlijken toon meer afstootte dan won, hadden we het oog niet alleen op polemiek met degenen, die buiten onze kerken staan, maar ook op polemiek in onze kerken zelf. Niet dat we het afkeurden, dat over vraagstukken, die in onze kerken opkomen, in onze kerkelijke pers van gedachten gewisseld wordt on argument tegenover argument wordt gesteld. Een korkhofstilte begeeren we niet; en nog veel minder, dat men zwijgen zal, wanneer men meent, dat denkbeelden verkondigd worden, die voor ons kerkelijk leven niet ongevaarlijk zijn. Maar ook dan dient men, vooral wanneer zulk een strijd in den boezem va.n onze eigen kerken gevoerd wordt, toch te zorgen, dat de broederlijke toon bewaard blijft en al wat voor den persoon dien men bestrijdt, krenkend zou kunnen wezen, vermeden wordt. Hoeveel nadeel zulk een persoonlijke po'emiek aan de zaak des Hoeren kan doen, is wel gebleken in onze historie, toen de twee uitnemendste theologen, die we bezaten, Voetius en Maresius, jarenlang een verbitterden strijd togen elkander hebben gevoerd en elkander hebben aangevallen op zoo krenkende wijze, dat men zich thans nauwelijks een voorstelling daarvan maken kan. Terwijl de vijand voor de deur onzer kerk stond-en allerlei gevaarlijke richtingen, het rationalisme van Cartesius en het subjectivisme van Coccejus, onze Theologie bedreigden, bevochten de uitnemendste verdedigers onzer belijdenis elkander met de sclrerpste en vimrigsto wapenen. Heel onze kerkelijke wereld werd daardoor in beroering gebracht en onze Kerken hebben het «tan ook niet aan pogingen laten ontbreken om aan dien rampspocdigen broedertwist een einde te maken. De smaad, •waarmede do wereld spreekt van het „odium theologicuin", den haat der theologen, is niet geheel onverdiend.

Te meer betreuren we het daarom, dat nu ook in onze 'Kerken zulk ©en strijd is ontstaan, die er zelfs too geleid heeft, dat een onzer predikanten zich per missive tot al onze kerkeraden gewend heeft, om te klagen over de wijze, waarop hij in een onzer bladen was aangevallen. Een oensorschap over onze zusterorganen wenschen we ons niet aan te motigen: daarom hebben we, hoezeer van meer iTan eeno zijde hiertoe aangedrongen, in dit twistgeding ons dusver niet willen mengen. Maar nu de zaak Toor het forum, van onze ICorken is gebracht, zou geheel zwijgen toch niet geoorloofd zijn. tn het geding over den vroegdoop, waardoor deze strijd ontstaan is, mengen we ons niet. Dr van der Vaart Smit had in ons „Theologisch Tijdschrift" een reeks artikelen over den vroegdoop gepubliceerd, die ook naar onze overtuiging historisch niet juist waren en van een Doopsbeschouwing uitgingen, die we zeker niet deelen. Dat de redacteur van „Do Reformatie" hierop critiek leverde was zijn recht, en we zijn hem daarvoor zelfs dankbaar. Maar dez© critiek liep ten slotte uit in een persoonlijken aanval op hetgeen Dr van der Vaart Smit als de niet met name genoemde medewerker onder het opschrift: „van gereformeerde zijde schrijft men ons" in de „Kieuwo Rotterdammer Courant" schreef. Het valt niet te ontkemien, dat de wijze, waarop die aanval geschiedde, van zekere persoonlijke verbittering blijk gaf en wat nog meer te betreuren valt, dat aan de lezers de indruk werd gegeven, alsof Dr van der Vaart Smit de anonieme medewerker was, die nu al jaren lang in dit liberale orgaan onzo Gereformeerde Kerken bestookte, de beruchte sluipwesp. Al heeft de redacteur van „De Reformatie" later meer dan eenmaal verklaard, dat dit zijn bedoeling niet was geweest, we begrijpen toch, dat Dr van der Vaart Smit zich hierdoor gekrenkt hoeft gevoeld en den verkeerden indruk die hierdoor gewekt was, van zich heeft willen afwentelen. Zelfs had hij er recht op, dat het Wad, dat hem persoonlijk had aangevallen, zijn protest had opgenomen, evenals zijne verklaring, dat hij de beruchte „correspondent" uit vroeger jaren niet was.

Of de weg, dien Dr van der Vaart Smit koos, om, nu dit hem, gelijk hij schreef, door de redactie geweigerd werd, een missive te richten tot al onze kerkeraden in Nederland, niet alleen om dien verkeerden mdruk weg te nemen, maar ook om zijn beklag te doen over de onbroederlijke wijze, waarop de redacteur van „De Refoi-matie" hem had aangevallen, betwijfelen we, vooral waar aan het slot van deze missive de kerkeraden werden opgeroepen, als een soort eercraad over dit geschil uitspraak te doen. Iets wat er reeds toe geleid heeft, dat sommige dezer Kerkeraden moties over dit verschil gingen aannemen en deze motie publiceerden. Al achten ook wij het zeer wenschelijk, dat, wanneer zulk een verschil bestaai, over en weer een eereraad benoemd wordt, die na beide partijen gehoord te hebben, uitspraak doet, de idee, dat allo kerkeraden in Nederland als eereraden zouden optreden en zich zouden uitspreken in zulk een geding, is een onmogelijke eisch. Een eereraad zou toch nooit uitspraak mogen doen op de aanklacht van de ééne partij, maar beide partijen moeten hooren. En hoe zou dit door onze meer dan 700 kerkeraden kunnen geschieden? We beweren daarom niet, dat de Kerken zich nooit over zulk een persgeding mogen uitspreken; wat Prof. Grosheide onlangs in het „Noord-Hollandsch Kerkblad" schreef over de roeping der Kerk tegenover de pers, zijn we geheel met hem eens. Wanneer iemand m'cent, in de pers onbroederlijk te zijn behandeld, dan heeft hij het recht, zich daarover bij de Kerk te beklagen, maar dan moet dit geschieden bij den Kerkeraad, (waaronder de redacteur van het blad, waartegen hij bezwaar heeft, behoort. En dan niet om zulk een kerkeraad tot een eereraad te maken, wat een kerkeraad nooit kan zijn, „rnaar opdat de ambtsdragers, door Christus gesteld^ over de gemeente, oordeelen over deze klacht, en wanneer ze deze klacht juist achten, den broeder persredacteur, die zich misgaan heeft, tot erkennmg van zijn ongelijk on tot ver"zoeuuig te bewegen. Dat een kerkeraad nooit een eereraad kan zijn, is duidelijk. Een eereraad lieeft geen zeggenschap uit eigen hoofde, maar alleen omdat beide partijen goedvinden aan dien eereraad de beslissing van het geschil op te dragen. Een kerkeraad, die over zulk een klacht te oordeelen heeft, doet dit niet omdat beide partijen dit goedvinden, maar krachtens de autoriteit door Christus hem verleend.

Zoo dreigt niet alleen dit persincident, door de wending, die Dr van der Vaart Smit er aan gaf, ons kerkelijk recht te vertroebelen, maar het toont ook, hoe hier een persoonlijke verbittering aan het woord is, die onder Christenbroeders niet behoort voor te komen en daardooi-smaad over Christus' naam brengt. De droeve gevolgen, die dit persincident hebben gehad, mogen wel tot een waarschuwing strekken aan degenen, die geroepen zijn om in de pers leiding te geven, om voor zulke persoonlijke aanvallen zich te wachten.

Op het vraagstuk, of het wenschelijk is, dat Gereformeerde predikanten als correspondent of medewerker van een liberaal blad optreden — een vraag, die ook bij dit geding ter sprake'is gekomen — zullen we thans niet ingaan. We willen die vraag liever in een afzonderhjk artikel bespreken. Onze bedoelijjl was thans aUeen om nogmaals naar aanleiding vai dit persincident onzen persredacteuren de bede aan I het hart te leggen, dat zij alles mijden wat tot zulke 1 persincidenten kan leiden, die niet alleen aan ^ I wereld, maar ook aan ons Gereformeerde volk erget-l nis geven.

Bede om een vijfvoudig corrigendum.

„Bede om een dubbel corrigendum."

Zoo betitelde wijlen Dr A. Kuyper een geschrift, 1 waarin hij tegen voorstellingen van Dr Rronsveld opkwam.

Geen ongeoorloofde zelfvernedering, maar bijzondere hoogachting voor den persoon van Dr Bronsveld gaf hem die woorden in de pen.

En nu ik aanstalten maak om te doen, wat ik nog nimmer heb gedaan en wat ik om veel liefs ook nooit had willen doen, n.l. polemiseeren met den Hoofdredacteur van „De Heraut" voel ik mij, opdat men zich in ndjn gevoelens niet vergisse, veilig door het illustre voorbeeld van Dr A. Kuyper Sr te volgen en het uit spreken van mijn bezwaren als een „bede" aau te dienen.

Dr A. Kuyper kon nooit voor Dr Bronsveld dat hooge respekt hebben, dat ik Prof. Dr H. H. Kuyper toedraag.

Eens was hij mijn leermeester, aan wiens invloed il; voor mijn vorming zooveel heb te danken. Thans ben ik zijn ambtgenoot, maar het is ver van mij, dat it mij als collega ooit met hem op één lijn zou willen stellen. Trouwens is hij niet facile primus inter pares! Toen ik in het vorige nummer schreef, dat onze betreurde Geesink zich gegriefd gevoelde, als men er van sprak, dat de Viije Universiteit slechts mannen van de middelmaat had overgehouden en dat hem dit leed deed ook om zichzelf, maar nog het meest om anderen, dacht ik daarbij speciaal aan Dr H. H. Kuyper. Omdat mijn gemoedsstemming op het oogenblik schier het tegenovergestelde van een jubileumstemming is, heeft het misschien te meer waarde, dat ik dit thans uit spi'eek. En ik ben ervan overtuigd, dat ik hiermee vertolk, wat allen denken, die hem van nabij kennen. Hel verheugt mij zelfs hem dit, nu hij weer zoover irersteld is, dat hij ook zijn akademischen arbeid Icon hciTatten en nu hij niet jubileert — immers moet van jubileumtaai in den regel een grooter of kleiner procent worden afgetrokken — dit te kunnen zeggen.

Ik schrijf dit allerminst om hem te vleien.

Een vleier ben ik nooit geweest. Zal het ook nooit worden. Heb er geen aanleg voor. .Betreur het zelts, niet, dat ik dien aanleg mis. ..KSSË-feïy^r, : !, - •

Daarom zal allicht mijn getuigenis door hem als oprecht worden aanvaard.

Daarom zal hij het verstaan, dat ik het woord „bede" boven eenig ander prefereer.

Hij geloove mij: ik ben er niet ongevoelig voor, dat hij in de perspolemiek, welke ik tegen Dr v. d. Vaart Smit meende te moeten voeren, mij zakelijk in het gelijk en mijn geachten opponent in het ongelijk stelde.

Zulk een uitspraak van hem, die in de dogmatiek zeker niet minder goed thuis is dan in de kerkhistorie en hot kerkrechl, heeft hooge waarde.

Maar "wanneei-hij daartegenover de beschuldigiugen van Dr v. d. V. S. tegen den vorm van mijn polemiek feitelijk hem geheel in het gelijk en mij vrijwel geheel in het ongelijk stelt, is dit naar mijn innigst gevoelen even onverdiend als schrijnend. Ofschoon — ik haast mij er dit bij te voegen — ik er van verzekerd ben, dal het niet zijn bedoeling was om te schinjnen.

Vandaar, dat ik mijn bede om een coi-rigendum tot hem richt.

Zelfs om een vijfvoudig corrigendum.

AVant ik kan het niet anders zien of hij argumenteert uit een vijfvoudige vergissing.

Daardoor is een nieuw, althans voor mij, pijnlijk persincident geschapen.

En hoe gaarne ilv ook de discussie over deze forlueele zijde van de polemiek geheel had laten rusten, hoezeer ik ook weerstand heb geboden aan de verleiding om op andere persuitingen kritiek te oefenen, nu een zoo gezaghebbend man als de Hoofdredakteur zulk een vonnis over mij velde, mag ik niet zwijgen.

Ik hoop mij aan mijn voornemen, dat ik in ons blad van 4 Jan. j.l. kenbaar maakte, om mij niet verder legen Dr v. d. V. S. te verweren, streng te houden.,

ik heb mij vrijwillig en eenzijdig ontwapend.

Wanneer het de landsdefensio betreft, moge zoo iets onveraaatwoordelijk zijn, in den geestelijken strijd is dit, wanneer hij vleeschelijk dreigt te worden, niet alleen verantwoord, maar zelfs geboden.

Ware het mij om „Rechthaberei" te doen, dan zou zulk een eenzijdige ontwapening nadeel kunnen beteekenen, maar waar ik, zooals ik zeide, vreesde, dat verder doorgevoerde polemiek licht tot twisting zou leiden, zie ik er vooral voordeel in.

Mijn genomen besluit spijt mij dan oök niet, al ben ik daardoor naar vele kanten gebonden.

Wat ik nu schrijf is niet aan het adres van Dr v. d. V. Ö., maar aan dat van den Hoofdredacteur van „De Heraut" gericht.

Wellicht heeft deze discussie ook in ander opzicht nog een goede zijde.

Do beschuldiging is wel vernomen, dat er in onze kerken een kliekgeest heerscht, dat zij die leiding behoorden te geven bezeten zijn door een „adoration iiuituelle". •

Welnu, dit nieuwe persincident, hoe pijnlijk ook, beteckent niets meer of minder dan een logenstraffing daarvan.

Do Hoofdredacteur van „De Heraut" heeft waarlijk niet dei beschermende vleugelen over mij, uitgespreid of mij gespaard.

En ik, hoewel ik den eerbied hem verschuldigd, bij geen letter, welke mij uit de pen vloeit, uit het oog hoop te verliezen, zal ook van mijn zijde de gepaste vrijmoedigheid niet wegwerpen.

Stellig wordt het door hem niet anders begeerd.

Waar ik na deze inleiding er toe overga hem mijn „bede" aan te bieden, zal ik, gelijk het bij een „bede" voegt, hem in het vervolg van mijn artikel ook aanspreken.

Hooggeleerde Kuyper,

Gij vergelijkt in Uw aitikel de polemiek tusschen Dr V, d. V. S. en mij bij den strijd, welke in vroeger eeuw gevoerd is tusschen Voetius en Maresius. Gij schiijft: „Hoeveel nadeel zulk een persoonlijke polemiek aan de zaak des Heeren kan doen, is wel gebleken in onze historie, toen de twee uitnemendste Üicologen, die we bezaten, Voetius en Maresius, jarenliuig een verbitterden strijd tegen elkander hebben gevoerd en elkander hebben aangevallen op zoo krenkende wijze, dat men zich thans nauwelijks een voorstelling daaiTan maken kan. Terwijl de vijand voor de deur onzer kerk stond en allerlei gevaarlijke richtingen, het lationalisme van Cartesius en het subjectivisme van CoccejuSj onze Theologie bedreigden, bevochten de uitnemendste verdedigers onzer belijdenis elkander met de scherpste en \'innigsto wapenen. Heel onze kerkelijke wereld werd daardoor in beroering gebracht eii onze Kerken hebben het dan ook niet aan pogingen laten ontbreken om aan dien rampspoedigen broedertwist een tmde te maken. De smaad, waar-mede de wereld spreekt van het „odium theologicum", den haat der theologen, is niet geheel onverdiend. Te meer betreuren we het daarom, 'dat nu ook in onze Kerken zulk een strijd (spatiëering van mij, H.) is ontstaan, die er zelfs toe geleid heeft, dat een onzer predikanten zich per missive tot al onze kerkeraden gewend heeft, om te klagen over de wijze, waarop hij in een onzer bladen was aangevallen".

Dit doet mij vragen: wordt door deze vergelijking aan de bedoelde polemiek geen proportion opgedrongen, die zij in geen geval heeft? Zelf hebt gij daai-van blijkbaar iets gevoeld, toen gij zeidet, dat men zich van de krenkende wijze, waarop Voetius en Maresius elkander aanvielen, thans nauwelijks een voorstelling maken kan. Behoorde dit alleen geen reden te zijn om tusschen de beide gevallen geen parallel te trekken? Trouwens, wanneer men kennis neemt van de wijze, waarop heden ten dage wel polemiek wordt gevoerd (en dan heb ik volstrekt niet het oog op de bestrijdingsmethode door de socialistische en communistische pers, maar ik denk b.v, aan de artikelen in „De Maasbode" van de vorige week, waarin prof. Dr van Bakel onderhanden werd genomen om zijn kritiek .op een boek van pr. Dr van Ginneken) dan verstout ik mij om te beweren, dat noch door mij noch zelfs door mijn opponent „de scherpste en vinnigste wapenen", welke in onzen tijd worden gebruikt, voor den daig werden gehaald.

Maar dit niet alleen.

Hebben Voetius en Maresius jarenlang elkander bestreden, het was U immers bekend, dat dit allerminst in mijn bedoeling lag. In ^, 06 Reformatie" van 4 Jan. j.l. gaf ik uitdrukkelijk te verstaan, dat ik van mijn kant de polemiek op het onderhavige punt afbrak. En dat niet uit zekere hooggevoelendheid, omdat ik met mijn opponent niets meer van doen wilde hebben, maar louter en alleen om den broederlijken vrede niet in gevaar te brengen. Mag ik, wat ik toen schreef, nog eens.'laten afdrukken? Ik verklaarde dan: ^ ; : , , i'fl; ? : : *; t?

Inmiiddels wil ik van mijn kant die onverkwikkelijke geschiedenis niet langer laten voortduren.

Ons blad moet op dit punt met een sohoone lei het nieuwe jaar ingaan.

Het kan noodig zijn het optreden van eenigen broeder openlijk af te keuren.

Niemand minder dan de apostel Paulus ging hierin voor.

Maar aanhouden totdat die broeder ongelijk heeft bekend is o. i. niet geoorloofd.

Dat zou het karakter krijgen van twisten.

En Gods Woord leert het ons: doet geen ding door twisting of ijdele eer.

Daarom wil ik verder over de zaak heenstappen.

Niet.... mits Dr v. d. V. S. het ook doet.

Maar zonder eenig: mits.

Mocht ik Dr v. d. V. S. in eenig opzicht beleedigd hebben — dit zou dan tegen mijn bedoeling in zijn geschied en ik ben er mij niet van bewust — dan bied ik hem bij deze gaarne mijn verontschuldigingen aan.

Waar ik mij door verscbjUende zijner uitlatingen in publieken, maar meer nog 'in partikulieren geschrifte gekrenkt voel, is hem dit mijnerzijds, ook zonder dat hij er eenig excuus voor vraagt, van harte vergeven.

Zal ik in de artikelenreeks, waarin ik de stelling bestrijd, dat de ouders bij den doop van hun kinderen ook zelf mee den doop ontvangen, uit den aard der zaak meermalen den naam van Dr v. d. V. S. moeten noemen, zoo bedenke men, dat ik precies hetzelfde zou neerschrijven, indien een ander die stelling had verkondigd en er dies geen-aasje persoonlijks in schuilt. Men leze desnoods voor Dr v. d. V. S.: Willemse of Pieterse.

Bij het begin des jaars reiken we dan Dr v. d. V. S. publiekelijk de broederband toe, een hand trouwens die altoos broederband bleef en nooit werd ingetrokken.

P. S. Na het afdrukken van het bovenstaande ontvangik de circulaire, door D r V. d. V. S. a a n de K e r k e r a d e n g e a d r e s-seerd. De groote felheid en de vele onr e d el ij k h e d e n i ir dit stuk geven m ij nochtans geen aanleiding aan mijn artikel iets te veranderen of toe te voegen. Ik wil ook nu vooral het laatste gedeelte o n d e r 1 ij n e n.

Of er in de geschiedenis onzer kerkelijke pers een voorbeeld van zulk een vrijwillige en eenzijdige ontwapening' bestaat, weet ik niet. Ik was het mij volkomen bewust, dat het afzien van verdere verdediging voor mij onaangename gevolgen kon hebben. Deze zijn ook niet uitgebleven. Toch heb ik geen berouw over die daad. Mijn verlangen om broedertwist te voorkomen is er sedert 4 Januari eer sterker dan zwakker op geworden. Maar gelooft U nu ook niet, dat, indien hetzij Voetius hetzij Maresius zich had vermand om een dergelijk besluit te nemen, hun strijd een geheel ander verloop zou hebben gehad? Daarom gaat dunkt mij de vergelijking door U getrokken, mank. Ze wekt een overdreven voorstelling van het geschil. Het doet mij werkelijk leed, dat Gij Uw lezers aan mijn verklaring met geen woord hebt herinnerd. Natuurlijk is opzet Uwerzijds hier buitengesloten. Toch geloof ik, dat bij een zuivere beoordeeling mijn artikel van 4 Jan. mee als voorname faktor heeft te gelden.

Mijn bede om een eerste corrigendum komt dan ook hierop neer: zoudt Gij niet willen erkennen, dat Uw vergelijking aan de gevoerde polemiek een al te donker aanzien gaf?

Vervolgens.

Ik lees in Uw artikel: „Maar deze critiek liep ten slotte uit in een persoonlijken aanval op hetgeen Dr van der Vaart Smit als de niet met name genoemde medewerker onder het opschrift: „van gereformeerde zijde schrijft men ons" in de Nieuwe Rotterdammer Courant schreef. Het valt niet te ontkennen, dat de wijze, waarop die aanval geschiedde van zekere persoonlijke verbittering blijk gaf".

Vooral de laatste woorden troffen mij pijnlijk.

Om van zekere persoonlijke verbittering b 1 ü k te geven, moet die er ook zijn.

En nu kan ik U in alle oprechtheid verzekeren, dat ook zelfs een wortel van bitterheid jegens Dr v. d. V S. in mijn hart niet wordt of werd gevonden.

Ik ken U te goed, dan dat Gü deze verzekering niet aanstonds van mij zoudt willen aanvaarden.

Toch meen ik van de waarheid daarvan tot op zekere hoogte zelfs het bewijs te kunnen leveren.

Zekere persoonlijke verbittering Onderstelt toch altijd een persoonlijke relatie.

Welnu, een bepaald persoonlijke relatie heeft er tusschen Dr V. d. V. S. en mij nooit bestaan.

Daarvoor ken ik hem te weinig.

De keeren, dat ik hem in mijn leven ontmoette, zijn gemakkelijk te tellen. Als ik hem soms heb gesproten, was dit steeds vluchtig en immer bij gelegenheid van vergaderingen. Indien ik mij niet vergis, heb ik slechts eenmaal geschreven — en dat juist in de laatste maanden en in mijn kwaliteit van redakteur. Ik heb er niet het minste bezwaar tegen, indien hij dit schrijven zou willen publiceeren. Velen, die jarenlang vertrouwelijk met mij hebben omgegaan, hebben mij nog nooit over Dr v. d. V. S. hooren spreken, wat toch licht zou zijn geschied, indien er „zekere persoonlijke verbittering" in mij huisde. In den omgang met enkele anderen kwam het gesprek weleens op hem. En ofschoon ik het over het geheel niet raadzaam acht, dat partikuliere gesprekken op de publieke markt komen, durf ik in dit geval wel voor te stellen: indien iemand ooit zekere persoonlijke verbittering jegens Dr v. d. V. S. bij mij ontwaarde, zal hij mij een genoegen doen dit openlijk uit te spreken. Ik stel de kolommen van deze rubriek daarvoor te zijner beschikking.

Neen, wanneer ik kritiek op hem oefende, was dit louter en alleen om wat hij SCHREEF. En dan was mijn kritiek in persoonlijk gesprek altijd zachter dan die in de pers. Trouwens, dat is zoo mijn gewoonte. In de pers heeft men de problemen scherp te stellen, zoodat ieder ze begrijpt. Tegenover vertrouwden is zulk een scherpe probleemstelling uiteraard niet zoo noodig. Men spreekt daarbij ook niet in het algemeen belang, iets, wat in de pers steeds moet gebeuren.

Om de bezadigdheid, waarmee Gij de pen voert, kan ik

U niet genoeg prijzen. Toch - weet ook Gij uit ervaring, dat aan schier iedere polemiek een ietwat scherpe kant zit Dat brengt het karakter van polemiek met zich. Mag, "wanneer die scherpe kant eens wat duidelijk zichtbaar is, daaruit besloten worden tot het bestaan van „zekere persoonlijke verbittering"? Het feit laat zich denken, dat men tegen iemand, die men de hartelijkste vriendschap toedraagt, in de pers toch krachtig moet optreden, gedachtig aan het: amicus Plato, magis amioa Veritas.

Niet om een oude historie op te rakelen, doch om een argumentum ad hominem te gebruiken, herinner ik even aan de polemiek, welke Gij in 1905 met prof. Lindeboom hebt gevoerd. Toen prof. Lindeboom een beschuldiging tegen II had teruggenomen, erkendet Gij van Uw zijde, dat dè wijze, vraarop Gij het optreden van dezen door ons beiden zoo hoog gewaardeerden collega bestreed, geprikkeldheid verried. Van persoonlijke verbittering, in welke geringe mate ook, wist Gij u vrij. Indien Gij dan een psychologische verklaring hadt willen geven van mijn kritiek op Dr v. d. V. S., hadt Gij daarbij verder mogen wagen dan „zekere geprikkeldheid" te onderstellen? Afgedacht van de vraag of ik die verklaring zou onderschrijven, zou ik mij zeer wel kunnen voorstellen, dat Gij daartoe kwaamt. Maar nu Gij van „zekere persoonlijke verbittering" gewaagt, kan ik mij dat niet begrijpen.

Zelfs meent Gij, dat het niet te ontkennen valt, dat ik van die verbittering blijk gaf.

Ik kan het echter niet stellig genoeg ontkennen.

Ziehier dan mijn bede om een tweede corrigendum: zoudt Gij niet willen toestemmen, dat Gij in de passage aangaande „zekere persoonlijke verbittering" te ver zijt gegaan?

Wat ik daareven citeerde, geeft mij aanleiding een bede om een derde corrigendum tot II te richten.

GiJ zegt, dat mijn kritiek uitliep in een persoonlijken aanval op hetgeen Dr v. d. V. S. als de niet met name genoemde medewerker onder het opschrift „van Gereformeerde zijde schrijft men ons" in de „N. R. Gt." schreef.

Waarheid is evenwel, .dat ik kritiek oefende op een anonymus, die in de „N. R. Gt." zich aandiende als „van „Gereformeerde zijde", „een Gereformeerd medewerker" „onze Gereformeerde medewerker" of iets d e r g e-1 ij k s en dat diens houding ten aanzien van Dr v. d. V S. wel mijn aandacht trok, maar dat ik niet met afdoende zekerheid kon zeggen: hij is het. In „De Reformatie" van 23 Nov. j.l. gaf ik er rekenschap van, dat ik met drie mogelijkheden rekening had te houden. De mogelijkheid, dat Dr v. d V. S. het niet was, stond mij ook voor oogen. Zelfs was er iets, dat mij deed twijfelen of hij het wel kon zijn. In „Ger. Theol. Tijdschrift" van September 1928 toekende Dr v. d. V. S. aan , , Een enkele, die op onbehoorlijke wijze een „discussie" opende en voortzette, wordt door mij noch genoemd noch beantwoord" en „Deze minne politiek reken ik niemand toe dan dengene, die ze drijft en dien ik het meeste eer, door zijn naam niet te noemen", waarmee op mij werd gedoeld. Doch zie, in de

„N. R. Ot." werd mijn naam ook genoemd en werd ik wel bestreden. Dit maande mij tot voorzichtigheid om er Dr - V. d. V. S. op aan te zien. Wat ik dan ook aan het adres van dien anonymus meende te moeten zeggen, was geheel en al tot een anonymus gericht. Al ware het later gebleken Dr v. d. V. S. niet te ziJn, dan zou ik daarin geen letter behoeven te wijzigen. Mijn aanmerkingen golden een onbekende.

Daaruit volgt echter, dat U zich — afschoon absoluut te goeder trouw — niet geheel korrekt uitdrukt, wanneer U dit als een persoonlijken aanval tegen Dr 'v. d. V. S. kwalificeert.

Had ik op dat oogenblik geweten, wat ik nu weet, dan zoudt U gelijk hebben.

Maar U, die als historicus het steeds in praktijk brengt de gebeurtenissen te beoordeelen naar hun datum, zult mij gereedelijlk 'toestemmen, dat dit ook bij dit stuk behoort te geschieden.

F o r s c h was die aanval. Ik zag geen andere manier om den anonymus uit zijn tent te lokken'

Maar persoonlijk was die aanval niet.

Aangenaam zou het mi] zijn, indien U dan ook mijn bede om een derde corrigendum wildet gehoor geven en mededeelen, dat mijn aanval op den anonymus van de „N. R. G t." niet als persoonlijk tegen D r v. d. V. S. g e r i c h t mag worden beschouwd.

Gij vervolgt: „. .. .en wat nog meer te betreuren valt, dalt aan de lezers de indruk werd gegeven, alsof Dr van der Vaart Smit de anonieme medewerker was, die nu al jaren lang in dit liberale orgaan onze Gereformeerde Kerken bestookte, de beruchte sluipwesp. Al heeft de redacteur van „D e Reformatie" later meer dan eenmaal verklaard, dat dit zijn bedoeling niet was geweest, we begrijpen toch, dat Dr van der Vaart Smit zich hierdoor gekrenkt heeft gevoeld en den verkeerden indruk van zich heeft willen afwentelen".

Met dit laatste doelt gij ongetwijfeld op zijn circulaire.

Om openhartig te zijn, had ik dit argument niet van IJ verwacht.

Er zijn er die van meetaf hebben begrepen, dat ik met den door mij bestreden anonymus niet de door U ge­ noemde sluipwesp op het oog had, omdat zij gelijk zoovelen meenden op te merken, dat niet alle stukken, die in de „N. R. Gt." onder de aankondiging „men schrijft ons van Gereformeerde zijde" of iets dergelijks werden opgediend uit een en dezelfde keuken kwamen.

Maar goed. Laat ik nu enkele data mogen noemen.

Ik schreef dit in „De Reformatie" van 23 November.

Den 29sten November ontving ik de circulaire van de heeren Redert en Troost, waarin zij uitspraken, dat men uit mijn artikel „zou kunnen onderstellen, dat hij (n.l. Dr V. d. V. S.) de schrijver was „yan Geref. zijde" in de „N. Rott. Ct." van enkele jaren geleden".

Zeer voorzichtig drukten zij zich uit. Zij beweerden niet positief: het „Reformati6"-artikel geeft dien indruk Maar: men zou daaruit kunnen onderstellen. Dit wees echter in de richting van misverstand.

Den SOsten November kwam bij mij een schrijven van Dr v. d. V. S. binnen.

Die drukte zich vrij wat krasser uit.

En waar ik tot - geen prijs misverstand wilde wekken, haastte ik mij om in „De Reformatie" van 7 Deo. — spoediger kon het toch wel niet! — alle mogelijk misverstand weg te nemen, door te verzekeren niet te hebben beweerd, 'dat Dr v. d. V. S. de „sluipwesp", zal ik nu maar zeggen, was.

Dit werd voor denzelfden kring van lezers neergeschreven als het vorige.

Ten overvloede herhaalde ik het later nog eens. Eilieve, wat kan men meer doen?

Is dat waarlijk niet genoeg om misverstand, zoo het gewekt is, uil den weg te ruimen?

En mag het dan nog verklaarbaar worden geacht, dat men doet, alsof deze tegenspraak niet gevolgd ware?

Dat ik mijn oorspronkelijke verklaring wel kon toelichten, maar niet terugnemen, berust op informaties, welke niet voor publicatie vatbaar zijn.

De pers heeft nu eenmaal haar geheimen.

Al tracht ik die tot «en minimum te reduoeeren, persgeheimen zullen er altijd blijven bestaan.

In „De Heraut" van 5 Eebr. 1905 merktet Gij op, dat Gij er niet aan dacht uw redactie-geheimen bij iemand te gaan biechten.

Volkomen terecht.

Daarom kan ik hier niet in verdere détails treden. Ik weet het: het wordt door U ook niet begeerd.

Ik acht dat ook niet wenschelijk om niet den schijn op mij te laden op mijn verklaring van 4 Jan. te willen afdingen.

Wel hoop ik, dat Gij thans miJ n bede om ee vier de.corrigendum zult inwilligen en Uw oordeel zult wV'ïien. herzien, dat na een tegenspraak, tweemaal (op 4 Januari voor de derde maal) gedaan, nog van een „verkeerden indruk, die hierdoor gewekt was", de rede tan zijn.

Ten slotte een bede om een laatste corrigendum.

U maakt als Uw gevoelen kenbaar: „Zelfs had hij (Dr V. d. V. S.) er recht op, dat het blad, dat hem persoonlijk had aangevallen, zijn protest had opgenomen, evenals zijn verklaring, dat hij de beruchte „correspondent" van vroeger jaren niet was".

Zonder nu de uitdrukking „persoonlijk had aangevallen" nader te analyseeren, meen ik toch te moeten opmerken, dat hieromtrent ten onzent geen vast recht, ook geen gewoonterecht bestaat.

Ik zou vele voorbeelden van ouderen en van recenten datum kunnen opsommen, waaruit blijkt, dat ook onze christelijke pers de beoordeeling of zulk een ingezonden stuk geplaatst zal worden aan zichzelf behoudt.

ledere redaktie ontvangt weleens verzoeken om een protest, dat door een ander blad, waarin de betrokkene werd aangevallen, geweigerd werd, op te nemen. Zelden worden zulke protesten dan geplaatst en men wacht er zich wel voor over de weigering daarvan den staf te breken.

Een bewijs, dat men de vrijheid van de pers in deze wensoht te eerbiedigen.

Te minder bestaat er aanleiding om een protest te plaatsen, wanneer de protestant andere organen te zijner beschikking heeft. Zakelijk kon Dr v. d. V. S. zich verdedigen in „Ger. Theol. Tijdschrift" en als de anonyme medewerker in de „N. R. Ot." zelf.

Toch ga & in den regel in de inwilliging van een vraag om een protest op te nemen zeer ver.

Ik zou zeker ook aan het verzoek van Dr v. d. V. S. voldaan hebben, indien zijn protest in den goeden vorm ware gesteld.

Maar gelijk ik reeds eer vermeldde, gebruikte hij daarin de uitdrukkingen „persoonlijk, hatelijk, hoonend" om mijn schrijven te typeeren, uitdrukkingen, welke toch ongetwijfeld iets beleedigends hebben. Evenmin als Gij U in Uw eigen huis zult laten beleedigen, zult Gij dit toch ook in Uw blad toelaten.

Nu wil ik gaarne aannemen, dat Dr v. d. V. S. het niet zoo erg heeft gemeend. Vooral wat ik in de rubrieik „Op en om ons erf" in het laatste nummer van „De Bazuin" zij het ook in geheel ander verband las, doet mij konkludeeren, dat Dr v. d. V. S. misschien wel wat spoedig van zulke kwalificaties gebruik maakt. Daaruit vernam ik, dat Dr v. d. V. S. nog geen jaar geleden in de „Leidsche Kerkbode" ten aanzien van prof. v. d. Schuit sprak van een „hatelijke houding", „kweeken van partijzucht en partijscbap", „verdachtmakende terminologie", „generaliseerend uitbuiten van de discussie", „hinderlijk en ergerlijk, wanneer men iemands meening geweld doet", enz. Gemeenlijk bedoelt iemand, die tot dergelijke uitdrukkingen gemakkelijk de toevlucht neemt, het beter dan hij (het zegt.

Dit neemt echter niet weg, dat men zóó toch /een protest, dat bestemd is voor een blad, waarin men werd aangevallen, niet inkleedt.

Om Dr V. d. V. S. zooveel mogelijk tegemoet Ie komen nam ik den zakelijken inhoud van zijn protest op.

En toen miJ bleek, dat hij daarmee geen genoegen nanii, schreef ik hem, dat ik hem gaarne de gelegenheid bood zich in „De Reformatie" te verdedigen, mits hij het zakelijk deed en ziöh van voormelde kwalificaties onthield.

Die laatste heeten. voorwaarde kan toch kwalijk onbilhjfc

Dr V. d. V. S. weigerde echter en gaf tevens te verstaan; dat men uit mijn mqtiveering, bij de zakelijke weergave van zijn protest gegeven, n.l. dat ik meende hem een dienst te bewijzen om het niet woordelijk, vanwege den minder korrekten vorm, te plaatsen^ van alles en nog wat kon afleiden., : -> ^!'; ? ^? f: - \i'^: : .MHpSifï^ï: i-ii

Om hem oók'hiefin weer tegemoet'te kómen, " ên'Onl alle misverstand af te snijden, heb ik toen ook aan mijn lezers meegedeeld, waar die motiveering precies op sloeg. Ik citeerde hem letterlijk.

U zult toch moeten toegeven, dat ook in deze van mijn kant alle toeschietelijkheid is betracht.

En waar U oordeelt, dat „evenzeer zijne verklaring^ dat toy de beruchte „correspondent" van vroeger jaren niet was", door mij behoorde geplaatst te worden, moet ik daartegenover opmerken, dat Dr v. d. V. S. mij nooit deze verklaring ter plaatsing heeft toegezonden.

Ik heb er eigener beweging melding van gemaakt.

Zakelijke verdediging binnen redelijke grenzen zou aan Dr V. d. V. S. nimmer zijn geweigerd, ofschoon van een verplichting in deze m. i. niet kan worden gesproken.

Ik hoop, dat deze inlichtingen U tot het inzicht zullen hebben gebracht, dat ook in dit opzicht geen verwijt my kan treffen.

En daarom is mijn bede om een vijfde corrigendum deze: gelieve de passage; waarin U te kennen geeft wat ik als publicist had behoor en te doen en dat door m ij zou z ij n nagelaten, terug to nemen.

Deze historie nog eens uit de windselen te doen, stuil mij na mijn verklaring van 4 Jan. niet weinig tegen de borst.

Indien een ander zich in de pers had uitgelaten gelijlc Gij, ik zou verder hebben gezwegen.

Maar juist omdat ik als redakteur van „De Reformatie" het op zoo hoogen prijs stel door U als hoofdredakteur van „De Heraut" billijk te worden beoordeeld, h< > ]) ik deze geschiedenis voor zooveel noodig nog eens uiteengezet.

Wat mij door Dr v. d. V. S. werd aangedaan heb ik hem van harte vergeven.

Daarom spreek ik den wensch uit, dat men het mij niet moeilijk make, het ook te vergeten.

Gij zult nu edhter gevoelen, waarom ik met Uw oordeel geen vrede kan hebben.

Ik vlei mij, dat door dit artikel U het een en and«r zal ziJn opgehelderd. .'; '"•''"''.

Hiervan ben ik zeker, dat ik van U geen antwoord oi> mijn bede te verwachten heb, als eertijds Uw Vader van Dr Bronsveld ontving.

Ds Fernhout naar Inflië.

VergiK ik mij niet, dan is onze medewerker, di, ; onze rubriek „Geestelijke Adviezen" verzorgt op een wijze, welke boven onzen lof verheven, is, .thans, reeds op reis naar Indië. 'WÊ^Ê0M, .ë

Velen zullen ham daarom benijden, ' maar niemand zal het hem misgunnen.

Integendeel zullen onze lezers hem toebidden, 'dat hij veel in onze schoone Koloniën moge genieten, de zijnen in welstand moge ontmoeten om daarna veilig tot ons terug te keeren.

De plaats in ons blad blijft natuurlijk voor hem open.

Men kan ten allen tijde verzoeken om geestelijk advies aan ons adres inzenden.

Wij bewaren die dan wol tot Ds Fenihont weer thuis is.

Wij kunnen wel medsdeelen, dat niets hem liever is, dan dat er een flinke stapel brieven voor hem gereerl ligt.

Is er bij zulk een geestelijk advies haast, kan men den terugkeer van Ds Fernhout niet afwachten, , dan wordt er door de redaktie wel raad geschaft.

Maar anders laten we ons he.t liefst door hem daarin leiden.

Bij het portret van Prof. Geesink.

Bij het overlijden van prof. Geesink gaf menig ]> lail een portret van hem uit zijn laatste levensjaren.

Eerlijk gezegd hadderi wij liever gezien, dat dit ons wai-e bespaard.

Hij maakt daarop geheel den indruk van iemand, wiens levenskracht is vergaan.

Hij wekt zoo meer deernis op dan herinnering, die lot dankbaarheid noodt.

WaaJ'om illustreerde men niet liever met een beeltenis uit den tijd, welke aan zijn inzinking voorafging?

Met portretten is de pers niet altijd gelukkig.

rioms wordt iemand, die in mannelijke kracht staat, afgebeeld als baardelooze knaap.

Dan weer wordt een ander den volke getoond in de periode, waai'op de ouderdom zijn meedoogenloos •vverk zichtbaar verricht.

bladere bezinning over de wij^e van uitbeelden zouden wij, hartelijk willen aanraden.

HEPP.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 februari 1929

De Reformatie | 8 Pagina's

Een pijnlijk pers-incident.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 februari 1929

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken