GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

KERKELIJKLEVEN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKLEVEN

24 minuten leestijd

Nieuwe meeningen inzake lijden en sterven. (IV.)

We spraken over Heidegger. In nauw verband met zijn gedachten verdient nog een andere schrijver onze aandacht: Adolf Sternberger, met zijn boek: „Der verstandene Tod"; dit boek wil een onderzoek instellen naar Heideggers „existentlëele ontologie".

We wijzen op enkele punten.

a. Ook Sternberger wijst af alle troostredenen, die den mensch willen troosten over den dood. Wèg met die troostredenen over den dood! De dood z e 1 f is de troost. Immers: „wij sterven alle dagen"; ons leven sterft feitelijk zoolang het hier is. Daarom moet het „Dasein" den dood niet als „iets vreemds" beschouwen of behandelen, doch het behoort den dood „over te nemen". De „nietigheid" behoort tot het wezen zelf.

b. Wanneer dus de dood zelf troost is, dan is het in principe verkeerd, den troost te putten uit een toekomst aan deze zijde van het graf, of ook uit een nieuw gebied en rijk van leven, dat aan de overzijde van dat graf wordt gedacht. Want het „Dasein" zelf is iets beklemmends, iets, dat beangstigt (zie hierboven, over Heidegger). Daarom kan het ook niet zich opmaken deze beklemming, dit angstgevoel, te overwinnen, of er van verlost te worden. Het nihilistische alternatief: ö f inwilliging van het leven, ö f een tegenactie ter bevrijding van het „Dasein", b.v. in zelfmoord, is principieel fout.

c. Daarom behoort ook bij voorbaat aan alle speculatie het recht te worden betwist, ons óver den dood te troosten. Speculatie immers kan niets beslissen over den dood; en evenmin kan zij er goed aan doen, wanneer zij een hoop in ons wekt, welke zich zou gronden op een verwachting, die het leven ziet als een tegenstelling van den dood. Want onder het perspectief van de hoop wordt ook de dood heel en al meê veranderd.

d. Daarom is ook alle dialectiek verwerpelijk, als deze den dood zou willen overwinnen. Dialectiek is slechts een „verlegenheid" der philosophie.

e. Deze anti-dialectische houding rechtvaardigt zich door critlek op Hegels dialectiek, ook inzake dood en leven. Uit Hegels dialectiek brengt Sternberger de volgende punten naar voren:

1. Een bloot natuurt ij k leven, zegt Hegel, kan niet door zijn eigen kracht boven zijn onmiddellijke gegevenheid uitkomen in zijn ontwikkeling. Het wordt door iets wezenlijk „anders", alienum quid, d.w.z. door een macht, die (als antithese) tegenover de natuur (als these) staat, boven zijn eigenlijke en eerste gegeven bestaan opgevoerd tot hooger plan; en dit uit zijn eigen eerste bestaan uit-gescheurd worden is zijn „dood".

2. Deze opvatting van Hegel is doorzichtig, zoodra men maar weer denkt aan de grondgedachte van zijn philosophie. Hegels opvatting immers van de geschiedenis komt hierop neer, dat alle these wordt uitgedreven tot haar antithese. Slaat ze eenmaal daarin over, dan verkrijgt deze ontmoeting van these en antithese een hooger opbloeien in de langs evolutieweg zich voltrekkende synthese. In dezen zin is het dus te verstaan, wanneer onder 1 (hierboven) gesproken wordt van „iets anders", iets, dat antithetisch tegenover het eerst gegeven staat.

3. De kwestie van den dood is echter bij Hegel uitteraard nog wel iets meer dan een aangelegenheid alleen van het natuurlijke leven. De dood raakt ook het „bewustzijn". Juist dit „bewustzijn" wil boven alle begrenzing en „beperking" uitgaan, en wijl „hét begrensde , het „beperkte", tot het bewustzijn zelf oorspronkelijk behoort, daarom wil het bewustzijn feitelijk boven

zichzelf uitgaan, wanneer het den drang heeft, boven de „begrenzing" uit te gaan. In dien drang nu, om uit te gaan boven zichzelf, ligt feitelijk opgesloten, dat het bewustzijn zelf het bestaan van een „Jenseits", een werkelijkheid aan-den-óverkant poneert. Dit „Jenseits"begrip is dus geponeerd met het begrip van den enkelen mensch. Van den aanvang af is het principieel gegeven met het individueele bewustzijn, en is zoo dus mee opgenomen als factor in het evolutieproces, dat zich voltrekt in de geschiedenis.

4. De dood is dus voor het begrip van Hegel een punt op den weg van dit evolutie-proces. Dit geldt met name dan ook van Christus' dood. Het verhaal omtrent Christus' dood is een voorstelling omtrent het eigenlijke keerpunt in het leven van God. Want in dien dood van Christus legt de „absolute geest" zijn individueele existentie als existentie van dezen of dien bepaalden mensch af, en offert ook zijn bestaan als zinnelijke mensch op. Daarom komt de absolute geest door de opoffering van dit zinnelijke en individueele bestaan tot zijn zelfobjectiveering, zijn zelfverwerkelijking, en zoo tot zijn „hemelvaart". Zoo is de dood van Christus, en alle dood, een punt in het ontwikkelingsproces van den bovenindividueelen, en boven de natuur zich verheffenden absoluten Geest. Als zoodanig is hij altijd en in elk geval middel en doorgangspunt ter hemelvaart, en tot de volle verheerlijking en verrijking van den absoluten Geest.

Tegenover deze gedachten van Hegel nu neemt Heidegger, ook volgens de aan hen gewijde monografie van Sternberger, principieel positie. Van Hegels dialectiek wil Heidegger niets weten. Het leven heeft, zoo zegt Sternberger, niet te streven naar een „Jenseits" of naar een „Himmelfahrt", want de „Jenseits"-gedachte beteekent corruptie; ze gaat in tegen het wezen van het werkelijke bestaan zelf. De eindigheid van het „Dasein" kan niet worden opgeheven in oneindigheid, en mag nimmer als daarin overslaande worden voorgesteld. De z.g. eindigheid behoort tot het wezen van het „Dasein". Daarom behoort het eveneens ook weer tot het wezen van het „Dasein", dat het principieel afgesneden is van elke z.g. verlossing naar de opvatting van Hegel. Is Hegels philosophie idealistisch, dan is die van Heidegger anti-idealistisch. Wil Hegel de eindigheid met de oneindigheid als „these" en „antithese" met elkaar in verband zetten, dan is volgens Heidegger in dit verband het spreken van zulk een antithese imaginair. En dan, zoo zegt Sternberger, is het ook volstrekt overbodig, over deze eindigheid getroost te worden. Want evenmin als de eindigheid boven zich zelf vermag uit te gaan, evenmin kan ze ook zich zelf ver-nietigen. Ver-nietigen? O, neen. Het „Dasein" is zelf „niets", en daarom kan het niet ver-niet-igd worden. Het begrip van „verniet-iging" is zelf imaginair; wie dus daarover g e - troost wil worden, blij ft al maar door om ficties roepen. Maar tegen ficties behoeft men niet beschermd te worden, noch er over getroost te zijn. Het „Dasein" toch is zelf niet „vernietigd", ook in het sterven niet. Het was al „niets"; in het sterven wordt het niet tot „niets", maar blijkt het „niets" te wezen. Oók daarin blijkt het.

Het is duidelijk, dat dit standpunt consequent anti- Hegeliaansch is, maar niet minder, dat het ook volkomen anti-bijbelsch is. De Bijbel stelt den dood als v ij a n d voor, die te niet gedaan moet worden, en hij wil ons daarom juist troosten over den dood en verlossen van den dood, die „vreemd" is aan het bestaan, gelijk God het gewild heeft. Het standpunt van Heidegger—Sternberger evenwel neemt juist deze grondstellingen, deze vooronderstellingen weg; het lijft den dood bij het leven in, ontkent juist de mogelijkheid van een menschelijk „Dasein", waaraan het op den dood aangewezen zijn niet inhaerent zou zijn.

En daarom moet op het standpunt van deze denkers den man, die troostredenen houdt tegen den dood, de deur gewezen worden, wijl hij opponeert tegen een fictie, die hij eerst als kwade boodschapper in het leven indroeg. Ook elke troostrede, die op Christus' dood troostend wijzen zou, is op dit standpunt dwaas. Ze is dat niet alleen door de onderstelling, dat wij getroost moeten worden over onzen eigen dood, doch ook door de andere onderstelling, dat de tweede Adam tegenover den eersten te plaatsen zou zijn. Indien toch het op den dood asmgewezen zijn behoort tot het wezen van ons „Dasein", evenals de „nietigheid", dan zou de tweede Adam niet in é é n rechtsraam kunnen worden gebracht met den eersten. Want dan zouden zij ieder een gansch andere existentiewij ze hebben gehad. Indien het op den dood aangewezen zijn tot het menschelijke „Dasein" behoort in den strikten zin, waarin Heidegger dat beweerde, en indien de begrippen „dood" en „Dasein" inderdaad zóó op te vatten zijn als Heidegger en Sternberger dit doen, dan zou een Adam in het paradijs, een Adam, wiens „Dasein" in zijn modaliteit in den staat der rechtheid gansch anders is bepaald, geen waarachtig mensch kunnen zijn.

En dan zou ook de Christus, die volgens Rom. 5 optreedt ter verzoening en ter vertroosting tegenover den eersten Adam, niet alleen vreemd aan dien eersten Adam zijn en feitelijk buiten het rechtsverkeer met dezen staan, bij afwezigheid van een gemeenschappelijk rechtsraam, waarin zij beiden opgenomen zijn, maar dan zou tevens deze Christus, in plaats van zoon-des- Menschen te mogen heeten, feitelijk buiten de menschheid zijn geplaatst, en haar den ondienst hebben gedaan van een permanente misvatting inzake het probleem van leven en dood. In een „Dasein" toch, dat „niets" is, is geen plaats voor Christus' ambtelijke worsteling, die Hij voltrokken heeft, om het „Dasein" van den vloek van den eeuwigen dood te ontheffen, en het weer te vervullen met het gansch zeer groote gewicht der eeuwige heerlijkheid.

Daarom ligt er een heel complex van onchristelijke, en den bijbel reeds in zijn eerste hoofdstukken weersprekende grondgedachten achter, wanneer Sternberger oordeelt, dat er geen boven den dood uitvoerende troost is, dat de dood zelf reeds de troost is.

K. S.

„Om Sions wil".

Vanmiddag een leuke ervaring. Ik las in een geschrift van Ds S. Kamper te Meerkerk. Handelend over brochure III van Prof. Hepp citeerde deze een uitspraak van Prof. Honig, ter zake van de uitspraken van Chalcedon met betrekking tot de twee naturen van Christus, deed daarna een greep uit Prof. Hepps aanval op Prof. Vollenhoven, en constateerde tenslotte — in cauda mei — dat „de opvolger van Prof. Honig" (dat is dus ondergeteekende) Prof. Hepps aanval op zijn collega aan de Vrije Universiteit betreurde (hetgeen overigens verreweg de meesten doen). Natuurlijk is dat min of meer een vingerwijzing in de richting, waarin al eens meer door dezen broeder gewezen werd: men moet blijkbaar toch gelooven, dat Prof. Honigs opvolger een anderen kant uitgaat dan Prof. Honig zelf. Dat Prof. Vollenhoven bezwaar heeft tegen dilemma's, welker termen Calvijn liefst „begraven" zag, deert hem niet; het zij zoo. Dat hij van mij geen enkel woord vinden zal, waarin op Chalcedon critiek geoefend wordt, remt hem al evenmin. Dat hij overigens met geen enkel woord bewijzen komt, dat afwijzing van Prof. Hepps aanklacht tegen zijn collega's noodzakelijkerwijs inhouden moet eenige critiek op Chalcedon, heeft hem óók al niet bezwaard. Om Sions wil zal deze broeder niet zwijgen, behalve dan als 't op de beslissende argumenten aankomt. Het zij alzoo.

Maar dat ik, na de lectuur van Ds S. Kamper, eens den pas bezorgden gebonden jaargang 1936 van „De Bazuin" opende en heel toevallig bij eersten oogopslag van de hand van Prof. Dr A. G. Honig een hartelijke aanbeveling van de vereeniging tot beoefening der calvinistische wijsbegeerte trof (de vereeniging, die onder Prof. Vollenhovens leiding staat, en mijn collega Dijk onder haar leden telt), welke aanbeveling geschreven was reeds lang n a de thans door Prof. Hepp zoo fel bestreden lectuur van Prof. Vollenhovens geschrift, dat was toch wel wat leuk.

Ik zeg dit niet om Ds Kamper te helpen. Die is, vrees ik, in zijn overijling niet meer te helpen. Als ik, vóór ik namen van collega's aan de V.U. laat publiceeren, eerst omtrent de meening van bevoegde instanties me vergewis, verhindert het toch niet, dat deze auteur spreekt van overhaasting... Het kwaadspreken zal nog wel een poosje duren. Maar het leven gaat door.

K. S.

Bnnyan-tentoonstelling.

In de Openbare Christelijke Bibliotheek en Leeszaal, Havenstraat 71 te Hilversum, wordt de gelegenheid geopend tot bezichtiging van een Bunyan-Tentoonstelling; ze is geopend van 23 April—5 Mei 1937.

Ook is er een lichtbeeldenavond ter gelegenheid van de opening van de Bunyan-Tentoonstelling D.V. op Vrijdag 23 April a.s., in de bovenzaal van het Boaz-huis. Sprekers zijn alsdan de heer A. Jungerius en Dr K. Sprey.

Het leek ons wel de moeite waard, met een enkel woord op deze ongetwijfeld interessante tentoonstelling

te wijzen.

K. S.

Citaten-spel? — Neen!

In „De Heraut" van 18 April j.l. is een artikel te vinden van Prof. Dr H. H. Kuyper, waarin hij een feilen aanval doet op het citeeren van verschillende uitspraken van Dr A. Kuyper Sr en Prof. Kuyper zelf, zooals dat door mij in „De Reformatie" is geschied.

Op mijn verzoek heeft Prof. Schilder dit geheele artikel in de Persschouw overgenomen, zoodat ieder het lezen kan.

De aanval is wel heel scherp en treft ongetwijfeld het karakter en de eerlijkheid van den aangevallene. Wat hij deed was naar het oordeel van Prof. Kuyper „citatenspel", „weinig ernstig en waar". Ik zou „met woorden gegoocheld" hebben zelfs.

Met tegenzin ga ik op dit artikel antwoorden. Ik heb een afkeer van dit soort polemiek. Het gaat zoo weinig over de z a a k en wordt bijna altijd persoonlijk en bitter. Dit soort polemiek heeft aan den kerkdijken en theologischen strijd z'n kwaden naam bezorgd. Maar omdat het geoorloofd en verplicht is zijn naam en eerlijkheid te verdedigen, ga ik er toch toe over dit antwoord-artikel te schrijven. Ik zal trachten dat zoo rustig en zakelijk mogelijk te doen^).

En dan wil ik beginnen met er op te wijzen, dat heel de voorstelling, die Prof. K. van mijn citeeren geeft, gansch en al scheef en onwaar is, doordat hij een groote vergissing begaat, die in deze kwestie van beslissende beteekenis is.

Hij zegt n.l., dat ik citaten aanhaalde om er op te wijzen „hoe de bezwaren, door Prof. Hepp in zijn tweede en derde brochure (ik spatiëer) ingebracht, zich juist richten tegen dit werk van Prof. Vollenhoven".

Dit is er geheel naast! M'n bewuste artikel handelde uitsluitend over de tweede bi-ochure van Prof. Hepp. De derde brochure was, toen ik dat artikel schreef n.b., nog niet eens verschenen! Of, anders gezegd, ik besprak toen alleen de brochure, die handelde over de kwesties de ziel betreffende, niet die, welke de naturen van Christus tot onderwerp had. De beteekenis van deze vergissing voor de beoordeeling van de wijze van citeeren en de keuze van mijn citaten zal hierna wel blijken.

Om nu mijn citeeren van de bewuste uitspraken van Prof. Kuyper (ze zijn te vinden in het no. van „De Reformatie" van 26 Febr. j.l.), te laten zien als volstrekt eerlijk en waar, wil ik twee vragen beantwoorden.

lo. Mocht ik Prof. Kuypers beoordeeling van het bewuste boek van Prof. Vollenhoven citeeren?

2o. Heb ik dat juist en eerlijk gedaan?

't Is bekend, dat Prof. Kuyper sinds de Predikantenconferentie van verleden jaar telkens gewezen heeft op allerlei beschouwingen en leeringen, die onder ons

Gereformeerde volk ingang vonden en die z.i. den toestand der Gereformeerde Kerken gevaarlijker deed zijn dan zelfs in 1926. Vooral in zijn bekende redevoering op de Synode van Amsterdam betoogde Prof. Kuyper dat met groote kracht en ernst.

Onder die leeringen, waarover Prof, Kuyper zoo bezorgd was, waren ook verschillende beschouwingen, de ziel des menschen betreffende, b.v. de onsterfelijkheid der ziel, het voortbestaan, de wederopstanding des vleesches enz.

In „De Heraut" heeft Prof. Kuyper meermalen op dien gevaarlijken toestand gewezen en ook noemde hij de kwesties en beschouwingen, die zijn onrust en bezorgdheid hadden gewekt.

Zoo lezen we in „De Heraut" van 15 November 1936: dat de gevaren, die onze Kerken bedreigen, niet minder groot zijn dan in 1926 en veeleer een nog ernstiger karakter hebben aangenomen.

Het artikel, waarin hij dit schrijft, eindigt aldus:

Het zou te ver voeren, wanneer we wilden aantoonen, welke „meeningen" of leergeschillen thans aan de orde zijn gekomen en hoe diep deze ingrijpen in het geestelijk leven, in onze belijdenis van God, in het Middelaarswerk van Christus, in de onsterfelijkheid der ziel en de wederopstanding des vleesches, in de beschouwing der Kerk, van het genadeverbond enz. om het bewijs te leveren voor wat we schreven. Maar wie geen vreemdeling is in ons kerkelijk Jerusalem en ook weet, wat onder dit alles gist en woelt, zal waarlijk niet durven zeggen, dat het overdreven is, wanneer de stormbal wordt geheschen.

Ook in zijn jaaroverzicht over het kerkelijk leven in 1936 („Heraut" van 3 Januari) noemt Prof. K. die leergeschillen en hij noemt ze ook daar zeer ernstig. Letterlijk schrijft hij:

Streng was die Synode waar ze optrad tegen p o- 1 i t i e k e organisaties, wier beginselen ze veroordeelde, maar wat deze leergeschillen in den boe' zem onzer Kerken betreft, die veel ernstiger het leven onzer Kerken bedreigen, nam ze wel een groote behoedzaamheid in acht.

In het nummer van 24 Januari spreekt Prof. K. met name over de geschillen betreffende de ziel en hij betoogt daar, dat tegen de geloofswaarheid van de „onsterfelijkheid der ziel"

bezwaren worden ingebracht of voorstellingen worden gegeven, zelfs met een beroep op de Schrift, die niet anders zijn dan hernieuwing van zeer oude dwaalgevoelens, welke reeds lang door onze Theologen bestreden en afdoende weerlegd zijn.

Wat nu eigenlijk precies de afwijkingen zijn, die t.a.v. de leer der ziel de rondte doen, kan Prof. Kuyper evenwel niet precies zeggen:

Vraagt men echter, waarin deze afwijking bestaat en waaruit ze voortkomt, dan is het moeilijk daarvan een juiste omschrijving te geven. Men hoort wel van uitlatingen van predikanten, die zelfs op hun catechisatie zeggen, dat wat onze Catechismus leert in Zondag 22, dat onze ziel na dit leven van stonden aan tot Christus zal opgenomen worden, niet juist is, want dat de ziel met het lichaam sterft. Er zijn ook wel brochures verschenen, waarin deze onsterfelijkheid der ziel besproken en ontkend wordt. Voorts verluidt wel, dat er predikanten zijn, die, wanneei men wijst op wat Calvijn in zijn Institutie daarovei heeft geschreven, verklaren, dat Calvijn verouderd is en men, nu het nieuwe licht is opgegaan, met hem geen rekening meer heeft te houden. Maar dit alles zijn afgeleide beekskens, en waar de bron zelf een bedachtzaam zwijgen bewaart, is het niet zoo makkelijk aan te geven, welke bezwaren men tegen deze „onsterfelijkheid der ziel" heeft. Misschien dat Prof. Hepp, die al wat hij aanvoert met citaten documenteert, hierover de noodige klaarheid kan geven. Ik kan slechts aanduiden, waarin die bezwaren bestaan.

Prof. Kuyper richt hier zijn blik dus vooral naar de „bron", die „een bedachtzaam zwijgen bewaart". Wat met die bron is bedoeld, is duidelijk, is ook door ieder begrepen! Prof. K. kon daar niemand anders mee bedoelen dan Prof. VoUenhoven en misschien ook Prof. Dooyeweerd, maar toch vooral den eerste, want deze had zich 't meest over deze kwestie uitgelaten. De heer Janse wordt, waar hier duidelijk gezinspeeld wordt op een brochure van hem, tot de „afgeleide beekskens" gerekend.

Kort na dit artikel vei'schijnt brochure II van Prof. Hepp, handelende over voortbestaan, onsterfelijkheid en substantialiteit der ziel. Zooals ik reeds schreef in het bewuste artikel, worden daarin naast de meeningen van den heer Janse, vooral die van Prof. VoUenhoven inzake deze kwesties besproken en scherp veroordeeld. Minstens 12 maal wordt Prof. VoUenhoven geciteerd. En al deze citaten — misschien op één uitzondering na — zijn citaten uit Prof. Vollenhovens boek: „Het Calvinisme en de Reformatie der wijsbegeerte". Trouwens dat kon ook niet anders, want behalve een verouderde, niet in den handel zijnde, brochure en een verslag van een bespreking op een referaat, is nooit iets anders gepubliceerd van Prof. Vollenhovens opinies inzake de betreffende kwestie, dan wat in dit boek is te vinden. ; '

Wie dus Prof. Vollenhovens opinies inzake de ziel enz. veroordeelt, veroordeelt daarmee ook de gedeelten van het betreffende boek, die daarover handelen. Want die gedeelten zijn tot dusver de eenige, althans de eenigbetrouwbare vindplaatsen van Prof. V.'s meeningen in dezen.

Hoe reageerde nu Prof. Kuyper op de brochure van Prol Hepp, waarin ook voorkomt een breedvoerige teekening en afwijzing van Prof. Vollenhovens meeningen inzake de „ziel"? Prof. K. schrijft in „De Heraut" van 7 Februari het volgende:

We kunnen de lezing van deze brochure niet warm genoeg aanbevelen. Ze is een meesterlijk betoog, zakelijk en wat de critiek betreft afdoende... deze brochuie toont wel, dat de toestand ernstig is, veel ernstiger dan menigeen vermoedde of erkennen wilde.

Kon men nu dit oordeel anders opvatten dan een volkomen instemmen met Prof. Hepps critiek? Ook met diens critiek op Prof. Vollenhovens meeningen? Maar nog eens: critiek op diens meeningen is tegel ij k critiek op het bewuste boek, op dat boek alléén, een andere „bron" is er tot op heden niet voor. En kan men zeggen als een bepaald boek de eenige bron is voor zekere meeningen en men die meeningen mee verwerpt: maar van dat boek heb ik toch niets gezegd! Een boek is toch geen bladen-bundel maar weergave, uitdrukking van meeningen.

En waar nu de zaken zoo stonden, kon het dan anders of we zetten het oordeel van Prof. K. over dat bewuste boek gepubliceerd in Febr. 1934 en dat we ons levendig herinnerden, naast wat Prof. Kuyper in Febr. 1937 zei van de meeningen en beschouwingen in datzelfde boek, en in dat boek alléén, verdedigd? Wie kan dat oneerlijk, onwaar noemen?

En nu zegt Prof. Kuyper wel, dat hij in 1934 niet alle bedenkingen noemde — maar kón, mocht ik veronderstellen, dat hij meeningen, waarover hij nu den stoiTQbal hijscht en door welker verbreiding hij den toestand van nu ernstiger acht dan in 1926, bij een bespreking van een boek, waarin die meeningen gelanceerd worden, ongenoemd zou laten onder de bezwaren, die hij wél noemt?

Waar zoo de feiten zijn, durf ik met volle vrijmoedigheid aan lederen objectieven beoordeelaar de vraag voorleggen of mijn citeeren van Prof. Kuypers boekbespreking uit 1934 als onwaar, oneerlijk moet worden betiteld en woordgegoochel mag worden genoemd.

'k Wil nog even opmerken, dat ik Prof. Kuyper in dat artikel nergens „weinig betrouwbaar" heb genoemd. Duidelijk en klaar heb ik gezegd, wat m.i. de oorzaak was van die nare geschiedenis. Want ik eindigde: we denken het liefst aan een afschuwelijk misverstand. De wegneming van dat misverstand was méé het doel van mijn schrijven, 'k Geloof, dat Prof. K. verkeerd was ingelicht, temeer omdat hij zelf schreef een juiste omschrijving van de geschillen moeilijk te kunnen geven en hij zelf ook gewaagt van geruchten, die tot hem doorgedrongen waren.

'kKom nu tot de tweede vraag, deze n.l. Heb ik juist en eerlijk geciteerd?

Prof. Kuyper zegt duidelijk: neen. Hij verwijt mij, dat ik een ernstig bezwaar van Prof. K., door hem tegen het boek van Prof. VoUenhoven aangevoerd, heb weggelaten en dan natuurlijk, dat spreekt vanzelf, opzettelijk.

Inderdaad is het uitspelen van iemands lof op een boek met weglating van de critiek, als men iemands volledig oordeel over dat boek suggereert weer te geven, onwaarachtige tactiek.

Maar van zoo iets was in het onderhavige geval in geen enkel opzicht sprake.

Ik zeide reeds, dat ik in het bewuste artikel alleen de tweede brochure van Prof. Hepp besprak, dus alleen het oog had op de kwesties de ziel betreffende. En — 't is in het artikel van Prof. K. na te gaan — de critiek die ik heb weggelaten, is een critiek van Prof. K. op een beweren van Prof. VoUenhoven inzake de beide naturen van Christus! Maar daar ging het in brochure II en dus ook in mijn artikel gansch niet over. Met die critische opmerkingen had ik in dit geval niets te maken.

Maar nog duidelijker kan ik maken het volkomen overbodige van het citeeren van Prof. Kuypers g e- h e e 1 e bespreking van het boek van Prof. V.

Men moet n.l. weten, dat het bewuste boek van Prof. V. verdeeld is in twee hoofddeelen. Een s y s t e m a - t i s c h en een historisch deel.

In het systematische deel bespreekt Prof. Vollenhoven de kwesties de ziel rakende. In het historisch gedeelte zegt hij een en ander over de beide naturen van Christus.

In brochure II haalt Prof. Hepp dan ook u i t s 1 u i- tend stukken aan uit dat systematische deel. Daarin vond hij de uitspraken, die hij zoo hedenkelijk achtte en daarom zoo scherp critiseerde.

Men voelt nu wel, dat ook ik alleen met dat systematische deel van Prof. Vollenhovens boek te maken had en eveneens alleen met Prof. Kuypers critiek op dat systematische deel. Wat Prof. K. over het historisch deel opmerkte (dus ook zijn critiek op Prof. V.'s beschouwingen inzake de twee naturen enz.), bleef volkomen buiten beschouwing, ja moest buiten beschouwing laten.

't Ging mij er niet om weer te geven wat Prof. K. over het boek als zoodanig zei — dan had ik alle opmerkingen en bezwaren moeten weergeven — neen 't ging er alleen om, uit te zoeken of Prof. K. in 1934 ook die groote ketterijen had ontdekt, waarover hij in 1937 verontrust was en waarvan hij de teekening, zooals die door Prof. Hepp ondernomen was, een meesterlijk, zakelijk betoog noemde, wat de critiek betreft afdoende en waarvan hij de lezing niet warm genoeg kon aanbevelen. Maar zie, al die dwalingen en fouten bleven destijds onvermeld.

De critiek op het systematische deel door Prof. Kuyper uitgebracht, heb ik eerlijk weergegeven. Ook de beide bezwaren die hij daartegen inbracht, n.l. inzake de wet als grens tusschen God en kosmos en de beteekenis

van het begrip souvereiniteit, heb ik duidelijk genoemd.

En daarom met een volkomen geruste conscientie geef ik mijn citeeren zoowel wat het geoorloofde als de juistheid er van betreft aan het oordeel van alle objectieve beoordeelaars over.

Maar nog iets wil ik opmerken over het bewuste artikel.

Ondanks het voor mij zeer pijnlijke, geheel zonder grond als oneerlijke woordgoochelaar te worden voorgesteld aan de lezers van „De Heraut", is er toch iets in, dat mij zeer heeft verblijd, waarom ik er zelfs dankbaar voor ben. Want 't gaat mij tenslotte alleen om de zaak.

Maandenlang heeft Prof. Kuyper de meeningen óók van Prof. VoUenhoven gesignaleerd als diep ingrijpend in het geestelijke leven, in het Middelaarswerk van Christus, in de onsterfelijkheid der ziel en de wederopstanding des vleesches enz. Prof. K. voelde zich verplicht den stormbal te hijschen, want het waren leergeschillen, die zeer ernstig het leven der Kerken bedreigden, oude dwaalgevoelens, welke reeds lang waren weerlegd. De toestand was veel ernstiger dan in 1926, veel ernstiger ook dan menigeen vermoedde of wilde erkennen.

Het was, volgens Prof. K. in „De Heraut" van 14 Maart j.l., duidelijk genoeg gebleken, dat het volstrekt niet ging over meeningsverschillen zooals ze in de kerk geweest zijn en die, mits ze binnen de grenzen der belijdenis blijven, ook geduld kunnen worden! Er behoefde na wat Prof. Hepp publiceerde (weer dus 't meegaan met Prof. Hepp en 't aanvaarden van diens beschrijving en beoordeeling als thans in hoofdzaak juist!) geen enkele twijfel meer te bestaan, dat deze opvattingen èn met de Schrift èn met de Belijdenis In strijd zijn. Letterlijk schrijft Prof. Kuyper:

We behoeven op de andere punten hier niet weer in te gaan, zooals de onsterfelijkheid der ziel en de vereeniging der beide naturen van Christus in eenigheid des Persoons. Maar dat het hierbij gaat om meeningsverschillen of, zooals men ook wel gezegd heeft, om „philosophische duidingen", die met onze Confessie niets te maken hebben, zal toch door geen enkel deskundige worden beweerd.

En — dit moeten we steeds vasthouden — verreweg de voornaamste „bron" van deze „ketterij en" was het boek van Prof. Vol- 1 e n h o V e n : „Het Calvinisme en de Reformatie der Wijsbegeerte". Voor de „afwijkingen" inzake de ziel was het één der bronnen. Voor de „afwijkingen" inzake de naturen van Christus de eenige.

Dit wetende, lezende, overwegende, komt er vreugde op als we het jongste artikel van Prof. K. lezen. Want na opgemerkt te hebben, dat verschil van inzicht, vooral waar het moeilijke, wetenschappelijke vraagstukken betreft, ook bij professoren, die de beginselen der Vrije Universiteit liefhebben, kan voorkomen en door het volk gedragen moet worden, zonder dat daardoor het vertrouwen in onze Universiteit behoeft verloren te gaan, vervolgt Prof. Kuyper:

Anders staat het natuurlijk, wanneer zulk een strijd een zoodanig principieel karakter zou aannemen, dat daaruit een conflict noodzakelijk zou moeten voortkomen. Dat dit thans het geval is, zou ik zeker niet gaarne beweren. De hoop hl ij ft nog altoos, dat hier veel misverstand in het spel is, dat bij nadere bezinning kan worden opgelost.

Voor die woorden zijn we innig dankbaar. Ze effenen den weg naar een zuivere peiling van de verschillen. Ze brengen de kwestie naar juister proporties terug.

We hopen van harte, dat de stormbal eens door Prof. Kuyper aan de kerkelijke kusten geheschen, naar de teekenende opmerking van Ds Boeijinga van Haarlem, zal blijken alleen maar gehangen te hebben aan Prof. Kuypers eigen zielestrand; en dat straks de stormwaarschuwingsdienst van Bloemendaal zal seinen aan alle posten: attentiesein neer! C. V.


1) Over mijn citeeren van Dr Kuyper inzake de „onsterfelijkheid der ziel" zal ik in de rubriek: „Uit de Historie" schrijven. Die kwestie draagt een minder persoonlijk karakter.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 april 1937

De Reformatie | 8 Pagina's

KERKELIJKLEVEN

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 april 1937

De Reformatie | 8 Pagina's