GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

UIT DE HISTORIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE HISTORIE

10 minuten leestijd

Dr A. Kuyper Sr over de bevoegdheid der meerdere vergaderingen.

I.

Zonder mij ook maar eenigszins in de op gang zijnde discussies te willen mengen, moge ik hier enkele uitspraken van Dr A. Kuyper Sr over de bevoegdheid der meerdere vergaderingen opnemen. Het is zeker noodig ook naar de stem van dezen groote op kerkrechtelijk gebied te luisteren.

Dr Kuyper heeft een heirleger artikelen over kerkrechtelijke onderwerpen gegeven in zijn „Heraut". Rusteloos was hij, vooral vóór en tijdens de Doleantie, bezig zijn medebroederen te wapenen voor den komenden kerkdijken strijd. En liet is een lust om te zien hoe sappig hij ook de meest dorre onderwerpen wist te behandelen. De grondgedachten van het gereformeerd kerkrecht heeft hij er bij zijn medestrijders ingehamerd.

Behalve allerlei incidenteele artikelen schreef hij soms lange series. B.v. over het collegiale stelsel, het kerkelijke ambt, het ambt der geloovigen; over theorieën van kerkziuvering enz. Zelfs werd in de kolommen van „De Heraut" afgedrukt een soort kort begrip van het Gereformeerde Kerkrecht, geschreven door Voelius en vertaald door Dr Geesink.

Naar twee zijden heeft Dr Kuyper zijn kerkrechtelijke polemiek gevoerd. Voor alles tegen de bewonderaars van de hiërarchie der „Synodale Genootschapskerk". Aldus noemde Dr Kuyper later de Hers'ormde Kerk. Vooral de Irenischen moesten een trommelvuur verduren. Zij immers waren de vurige verdedigers van het synodale kerkrecht. Zij waren de aanhangers van „de recht ontzenuwende en plichtverzakende krankheid der thans gangbare lijdelij kheidstheorie''.

Maar ook streed Dr Kuyper over kerkrechtelijke grondbeginselen met de leiders der Christelijke Gereformeerde Kerk. Met Doe. H. de Cock, D. K. Wielenga e.a. Z.i. werden in de Chr. Geref. Kerk de kerkrechtelijke lijnen niet ziüver getrokken. De Afgescheidenen hebljen t. o. het Genootschap van 1816 een nieuw „Genootschap" gesteld. „Èn dit nu is o.i. stellig in strijd geweest met de beginselen van het Gereformeerde Kerkrecht... In strijd, omdat men niet de locale kerk weer in het licht gebracht, maar een nieuw onderdeel van een nieuw kerkgenootschap gesticht heeft. En in strijd niet minder, omdat men alzoo zelf een kerkgeheel in het leven riep, dat veel te veel op de leest van het collegiale stelsel geschoeid was.

Het enkele feit b.v. dat er heden ten dage gesclieidene kerken zijn, die niet als zelfstandige kerken, maar alleen als onderdeelen van het Christelijke Gereformeerde kerkgenootschap door den Staat erkend zijn, bewijst voldingend dat men zich beweegt in verkeerden koers". (Heraut No. 249; 1 October 1882.)

We willen in dit nummer iets meedeelen van een polemiekje, gevoerd lusschen Dr Kuyper en den bekenden Ds W. H. Gispen Sr. Heraut contra Bazuin.

De aanleiding was het bekende besluit van de „Opzieners van de Gemeente onzes Heeren Jezu Chrisli, te Amsterdam", genomen 24 Mei 1883, dat geen predikant „van nu voortaan in Zijne Kerk in den H. Dienst zal worden bevestigd, dan die zich bereid hebbe verklaard', om bijj de aanvaar^ ding zijner bediening ten overstaan van den lierkeraad de drie Formulieren van Eenigheid... met betuiging van hartelijke instemming, te onderteekenen". (Heraut No. 283, 27 Mei 1883.)

Met dit besluit was Ds Gispen weinig ingenomen. Hij geeft een stevige critiek erop in „De Bazuin". De Amsterdamsche Kerkeraad handelde „üidependentistiscli". Men leze:

Maar ik heb er 't kerkelijke handboekje nog eenfl op nagezien en daarin vind ik nergens sprake van onderteekening der Formulieren in den kerkeraad.

In de Synode van Dordt 1574, wordt van die onderteekening gesproken, en deze voorgeschreven als te moeten geschieden voor de Classis.

Art. 14. De Nederlandsche Kerken onder het Kruis vergaderd te Emden 1571, besloten de belijdenis der Nederlandsche Kerken te onderschrijven. Waar en hoe vfordt niet gezegd. Art. 2. Zoo ook de Synode van 1578. Ze bepaalt, dat ook de professoren der Theolo^ gie de belijdenis zullen onderschrijven, maar niet "waar en hoe. Art. 51, 53. Insgelijks die ook van Middelburg 1581. Art. 37. Deze Synode bepaalde dat predikanten die weigerden, bij' kerkeraad of classis in hun dienst zouden geschorst worden. De Synode van 1618, 1619 nam de beide artikelen van hare voorganster letterlijk over. Zij deed echter meer. Zij stelde een formulier op, waarin de beteekenis dier onderteekening duidelijk wordt omschreven. De onderteekenaar treedt op als ressorteerende onder de classis. N. N. Hiji belooft, zoo hij na dezen eenig ander gevoelen krijgt, dit niet te zullen verbreiden zonder het te voren aan kerkeraad, classis en Synode te openbaren.

Kerkeraad, classis en Synode, onze vaderen dachten die steeds bij elkaar als meerdere en mindere vergaderingen van het eene lichaam: de kerk. De eisoh tot onderteekening ging steeds van de Synode, nooit van een kerkeraad uit. De vaderen leerden: „'t selfde seggen heeft de classis over den kerkeraad 't welk de particuliere synode heeft over de classe en de generale synode over de particuliere". D. K. O. Art. 36. Dat een kerkeraad meerder of zelfs gelijke macht heeft als eene generale synode, is, als ik mij niet geheel vergis, nooit de leer en de praktijk der vaderen geweest.

Het besluit van den Amsterdamschen kerkeraad draagt, naar mijn bescheiden meening, dan ook meer een Independentistisch en Gongreg(r)ationalistisch dan een gereformeerd karakter".

Tot zoover Ds Gispen.

Men ziel het, het probleem wordt scherp gesteld: Hoe verhoudt zich de macht van een Kerkeraad t. o. die van classes, synodes enz.

En op deze critiek van Ds Gispen antwoordt Dr Kuyper het volgende:

„Kenners van het gereformeerde kerkrecht zullen er zich over bedroeven, dat zelfs in „De BeLZuin" zulke ongereformeerde denkbeelden over kerkrecht worden aangekweekt.

Alsof een los inzien van een handboekje, een zonder verband met de beginselen citeeren van een paar bepalingen, voor de kennis van dat kerkrecht ook maar iets afdeed !

En erger nog, alsof daar nu waarlijk het wezen van 'het Gongregationalisme in school !

Waarlijk, eenige studie diende toch vooraf te gaan, eer men aldus een besluit critiseert, genomen door een rziad, waarin o. m. een man als Prof. Rutgers, verreweg de fijnste en beste kenner van ons gereformeerde kerkrecht, zitting heeft en het besluit bepleitte".

Met dit antwoord was Ds Gispen niet tevreden. Hij gaf repliek in „De Bazuin", maar ontvangt dan van Dr Kuyper in „De Heraut" van 24 Juni 1883 (No. 287) het volgende duidelijke antwoord:

„Met onverstoorbare kalmte en goeden luim heeft de heer Gispen onze bedenking beantwoord.

Hij is wel irenisch, maar gunt u dan ten minste het profijt dier ireniek ook voor u zelven.

Zijn ireniek wortelt niet in reactie tegen de belijdenis, maar in zijn natuur.

Toch ontslaat dit ons niet van de verplichting, om onzen geachten opponent den indruk te ontnemen, als spraken we zonder goeden grond.

Het verschil tusschen de kerkrechtelijke stelsels der independen ten en der gereformeerden is metterdaad onjuist door hem opgevat; even onjuist als zijn optreden te Kampen als praeses Synodi was, nadat de Synode waarvan hü praeses was, reeds voorlang was gesloten. *) ,

De zaak is namelijk deze: De congregationalisten leeren niet dat elke locale kerk een zelfstandige uiting en openbaring van de kerke Christi en deswege met macht bekleed is; maar heel anders, dat elke kring van Christenen, al waren het honderd kringen in ééne stad, elk voor zich die zelfstandige openbaring ziJn en deswege die autoriteit bezitten.

Zulke kringen noemen ze congregation. Vandaar de naam van congregationalisten.

Het zwaartepunt van hun stelsel ligt dus in de tegenstelling van „church" en congregation; d. i. van . locale kerk of kring van vromen.

De gereformeerden daarentegen waren van geheel ander oordeel, dat in elke plaats slechts ééne uiting of openbaring van de kerke Christi kan bestaan, en

330 dat niet een op zich zelf staande kring, maar alleen die gezamenlijke plaatselijke kerk (hetzij al dan niet in kerspelen ingedeeld) met macht bekleed was, en dus slechts in éénen kerkeraad die macht kon doen "werken.

En hiermee nu hing heider opinie omtrent de verbinding of correspondentie van kerken saam.

De independenten leerden wel terdege, dat men wel vergaderen kan met de deputaten van andere congregation, maar dat dit niet hoefde en nooit bond.

Terwijl de gereformeerden omgekeerd leerden: Omdat de locale kerken alle openbaringen van die ééne zelfde kerke Ghristi zijn, daarom komen ze bijéén en moeten die saamhoorigheid zooveel doenlijk openbaren. Vandaar hun eisch om èn classe én Synode te doen optreden.

En veel meer nog, om te belijden, dat èn deze classis èn deze Synode met macht waren bekleed.

Maar hoe?

Zóó dat deze Synode of classis rechtstreeks van Christus macht over de kerken zouden ontvangen hebben?

Neen, en nogmaals en driewerf neen. Dat is het episcopale stelsel.

Maar omgekeerd aldus: dat de classis haar macht ontvangt van dekerkeraden; en dat de Synode haar macht ontvangt van de classis.

Niet dus de classis staat onder de Synode en de kerkeraad onder de classis. Maar integendeel, de Synode staat onder de c 1 a s s i s en de classis onder de kerkeraden.

De macht vloeit niet uit de Synode naar de classis en uit de classis naar de kerkeraden, dat is episcopaal; maar de macht vloeit omgekeerd uit Christus in de kerkeraden, uit de kerkeraden in de classis en uit de classis in de Synode.

Zóó, en zóó alleen is he* gereformeerde stelsel.

Hieruit nu vloeit voort, dat de zaken van B e 1 ij - d e n i s als regardeerende allo kerken saam door de kerkeraden en de dassen aan de Synode worden opgedragen, en dat dientengevolge onze vaderen ook zeer juist, zoolang het kerkverband goed liep, de onderteekening van de Formulieren van de Synode lieten uitgaan.

Maar hieruit vloeit dan ook tevens voort, dat, zoodra het kerkverband misloopt, en geen waarborgen meer oplevert, en dus de kerkeraden dit niet langer aan de Synode kunnen opdragen, de kerkeraden als nu z e 1V e n hebben te doen, wat ze eerst op anderen overdroegen.

Zoo deden onze vaderen dan ook, toen in de Remonstrantsche troebelen d^ Synode spaak liep. Toen toch hebben onze vaderen onverwijld door dekert era den laten onderteekenen.

En onze goede gereformeerde predikanten van dien tijd zeiden toen niet: „Dat heb ik al eens gedaan! 'Dat doe ik niet meer ! Ik laat mij niet dwingen !" Of ook: „Dat hoort bij de Synode !"

Neen, «maar afzien van al deze uitvluchten en hoogheden, dankten ze als trouwe wachters Zions de kerkeraden voor hun betoon van trouw en ijver, en onderteekenden voetstoots.

Die weigerden of aan de kerkeraden hun recht betwistten waren alleen deArminianen.

Op de classis vroeg men toentertijd de onderteekening evenzeer".

Tol zoover dit debat.

Men bedenke, dat Kuyper dit schreef in Juni 1883. Een paar maanden voor zijn kerkrechtelijk hoofdwerk: „Tractaat van de Reformatie der Kerken" verscheen. Dat werk was toen in substantie reeds geheel gereed. Reeds op 5 Febr. 1882 had Kuyper dit werk aangekondigd. (Heraut No'. 215.)

Voor wie deze discussie en het citeeren ervan zou willen controleeren, zij vermeld, dat ze te vinden is in „De Heraut" No. 285 en 287, 10 en 24 Juni 1883.

Een volgende keer nog wat moer!


1) Dr Kuyper zinspeelt liier op liet feit, dat bij de inauguratie van de drie nieuwe docenten der Theol. Sctiool te Kampen — Bavinck, Lindeboom en Wielenga — op 9 en 10 Jan. 1883, liet Moderamen van de Zwolsclie Synode van 1882, die genoemde docenten had benoemd, in qualiteit aanwezig was. Dit feit tiad Dr Kuyper becritiseerd als in strijd met het gereformeerde kerkrecht. „Naar gereformeerd kerkrecht houdt een Praeses Synodi op praeses te zijn, zoodra hij het slot-Amen der Synodale vergadering heeft uitgesproken. De Praeses Synodi leeft zoolang de vergadering leeft. Geen oogenblik langer." (De Heraut, 266 en 268.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 juni 1938

De Reformatie | 12 Pagina's

UIT DE HISTORIE

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 juni 1938

De Reformatie | 12 Pagina's