GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

KERKELIJKLEVEN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKLEVEN

19 minuten leestijd

Verbondswraak?

In onze om des tij ds wil slechts de hoofdzaken toucheerende artilielen over het verbond, kwamen we toe aan de kwestie der verbondswraak. Is die er nog, of is die er niet meer?

We laten eerst Dr Thijs spreken. Deze heeft zijn oor te luisteren gelegd bij anderen, en bevond, dat zij de verbondswraak oolv onder „het Nieuwe Testament" leerden. Daarmee is hij zelf het dan niet eens. Hij acht het een stuk van kapitaal belang, hetgeen het ook inderdaad is, wijl de loochening van Dr Thijs feitelijk de kern vormt van zijn oppositie tegen anderer verbondsbeschouwing. Dr Thijs schrijft:

„Tot verdediging van de meening, dat het genade- „verbond verkorenen en verworpenen omvat, wordt wel „aangevoerd, dat volgens de Schrift het verbond toch „verbroken kan worden en de wraak des verbonds den „bondsbreker treffen zal."

„Dat de Schrift" — 200 gaat Dr Thijs verder — „dat „de Schrift dit leert, moet worden toegestemd; alleen „maar: zij leert dat wel van het oude, maar „niet van het nieuwe verbond. Integen- „deel zegt ze, dat het nieuwe verbond niet „kan worden verbroken."

Bewijs voor deze stelling is dan bij Dr Thijs Hebr. 8 : 7—13. We gaan nu daar niet verder op in. We citeeren alleen nog maar Dr Thijs' ingrijpende „conclusies" uit deze Schriftplaats:

„Van een bondsbreuk kan dus ook geen sprake meer zijn. 'tKon onder de oude bedeeling „gebeuren, dat de gehoorzaamheid, waartoe het verbond „verplicht, niet werd betracht. Onder de nieuwe „b e d e e 1 i n g is dat o n m o g e 1 ij k, al zal die g „hoorzaamheid altoos gebrekkig zijn. Wel is het waar, „dat het verbond, zooalshetaanonsvers cJi ij n t, „verbroken kan worden. Zooals het aan ons ver- „s c h ij n t, behooren al de kinderen der geloovigen er toe „en zij vervullen niet allen de verplichtingen van het ver- „bond. Maar dan moet van zulken gezegd worden, dat „zij tot het verbond naar zijn wezen nooit hebben „behoord."

Tot zoover Dr J. Thijs.

Nu hebben we in ons voorgaande artikel reeds, niet zonder beroep op Prof. Grosheide en ook Prof. Aalders, trachten aan te toonen, dat deze beweringen, al worden ze als „conclusies" (let op het: „dus") aangediend, toch in werkelijkheid geen conclusies zijn uit Hebr. 8. Onwillekeurig slaan we daarom het oog op andere Schriftplaatsen. Want de kwestie, die door Dr Thijs zooal niet opgeworpen, dan toch met een paar forsche uitspraken als afgedaan beschouwd wordt, raakt wel degelijk de „interpretatie" onzer belijdenisschriften („interpretatie"; men weet wel, hoe ik dit overigens bedenkelijke woord hier bedoel). Als Dr Thijs kortweg constateert, dat het verbond thans niet meer verbroken kan worden, hoe is dan te verstaan, dat de Catechismus spreekt van een „ontheiligen", een „profaneeren" van het verbond onder het Nieuwe Testament? De Catechismus, die, in vraag 82, zegt, dat door toelating van openlijk ongeloovigen en ongehoorzamen „het verbond Gods ontheiligd, geprofaneerd wordt"? De Catechismus, die, in vr. 81 van de hypocrieten zegt, dat zij zich een oordeel eten en drinken? Kan dat oordeel soms óók verbondswraak zijn? Of daarmee dreigen?

We noemden daar den Catechismus, en denken daarbij vanzelf aan Zacharias Ursinus, die in zijn totstandkoming zulk een ruim aandeel genomen heeft. Welnu, Ursinus heeft zelf zich bezig gehouden met de kwestie der bondsbreuk. Aanleiding daartoe was een debat over de beteekenis der besnijdenis en daarmee samenhangende kwesties^). In dat debat — dat ons nu verder niet te interesseeren heeft — was ook ter sprake gekomen de beteekenis van Genesis 17 : 14; we lezen daar (volgens vertaling Prof. Aalders): „de mannelijke onbesnedene, die zich het vleesch zijner voorhuid niet zal laten besnijden, die mensch zal uitgeroeid worden uit het midden van zijne verwanten, die heeft mij n verbond verbroken". Ursinus leidt ons hier wel een andere richting uit, dan Dr Thijs in „De Heraut" het doet. Op meer dan één punt. Ook in dit opzicht, dat hij de zonde der verbondsverbreking demonstreert, niet alleen aan deze oud-testamentische, doch óók aan nieuw-testamentische uitspraken, rakende de reeds gevestigde nieuw-testamentische gemeente. Naast den bondsbreker uit Genesis 17 : 14, en op één lijn met hem, plaatst hij de Farizeën en wetgeleerden, die „den raad Gods tegen zichzelve hebben verworpen", door Johannes' doop niet te zoeken, Lucas 7 : 30. Wij voor ons zullen hier geen discrepantie tusschen Dr Thijs en den vader van den Catechismus constateeren; want primo is deze uitspraak aangaande „den raad Gods" exegetisch te zwaar, om zoo maar in dit debat dienst te kunnen doen, en secundo zijn de Farizeën uit de periode van het Oude Testament opgekomen, hebben ze het Nieuwe niet aanvaard, en kunnen ze dus kwalijk als voorbeeld voor bondsbreuk binnen den nieuw-testamentischen verbondskring dienen, ook al zou men de Icantteekenaren willen volgen, als deze zeggen, dat de Farizeën en wetgeleerden, hier bedoeld, verwerpers waren van „de middelen, die God naar Zijn wijzen raad verordineerd heeft in het nieuwe verbond, om daardoor de menschen ter zaligheid te brengen". Lucas 7 : 30 blijve derhalve rusten. Maar — Ursinus gaat nog verder, en wijst ook op 1 Corinthe 11:29: die op onwaardige wijze van dit brood eet; die eet zich een oordeel. Misschien wordt nu meteen duidelijk, waarom wij zooeven reeds op dat „oordeel" heenwezen. Ursinus teekent bij deze plaats aan, dat verachting van het teeken overspringt op de beteekende zaak; wanneer nu van den éénen kant (blijkbaar hier van de zijde der menschen) de „conditie" met voeten getreden wordt, dan wordt ook de belofte, die van de andere zijde gedaan is (hier blijkbaar van Gods zijde) vergeefsch, ze werpt geen effect mee af; want dan is die andere partij niet meer gehouden tot naleving er van. We hebben hier een geval — aldus Ursinus — dat parallel loopt met Jeremia 31:32: het verbond, dat uw vaderen vernietigd hebben" (irritum facere — van effect berooven, ijdel maken); ook deze uitspraak, zegt Ursinus, ziet op nog iets anders dan alleen op de wet, en de wetsgehoorzaamheid; zij slaat ook op de beloften, zoo zegt Ursinus. Of hij hier goed exegetiseert, kan ons thans weer niet interesseeren: het is om de dogmatische inzichten van den vader van den Catechismus te doen. Dit is wel duidelijk, dat hij de „verbondswraak", gelijk hij die onder het Oude Testament ziet functioneeren (in onthouding van den beloofden zegen aan verachters des verbonds), óók ziet werken in degenen, die des Heeren Avondmaal profaneeren (staande op het terrein van het Nieuwe Verbond). In hetzelfde verband wijst Ursinus nog op Rom. 4 : 14: indien degenen, die uit de wet zijn, erfgenamen zijn, zoo is het geloof ijdel geworden en de beloftenis -te niet gedaan; alsmede op Gal. 5:2: zoo gij u laat besnijden, zal Christus u van geen nut zijn.

Hiermee is natuurlijk over het eigenlijke probleem nog maar weinig gezegd. Niet eens het begrip der verbondswraak is ter sprake gekomen. Gelijk het „oordeel", dat men zich eet en drinkt, in 't afgetrokkene geredeneerd, zoowel een tijdelijk als het eeuwige oordeel zou kunnen beteekenen, zoowel kastijdend als straffend wezen kan, zoo is ook de wrake des verbonds, zonder nader onderzoek, niet zoo maar als eeuwige „wraak" te beschouwen. Willem TuUinck, in zijn veelszins onklare tractaat „De Schending van het Recht des Verbonds gewroken" (verhandeling over Leviticus 26 : 23— 26), kent zoowel een „verbondswraak", die kastijdt voor een tijd en instrument der zoekende liefde is, als een andere, die vergeldt, verdoemt, den eeuwigen toom doet komen.

Ieder voelt, dat hier vragen rijzen, die althans nadere overweging vragen. We moeten tot onze spijt hier afbreken, en hopen een volgenden keer verder te gaan.

K. S.

„Zwei Männer."

De radio — een forsche stem: Hitler's „historische rede" van deze week. •—

Wie herinnert zich niet uit die rede die ééne passage, waarin Hitler verklaarde, dat het eigenlijke probleem niet was Tsjecho-Slowakije, doch: de heer Benesj? Alsmede dat andere, dat op het oogenblik twee mannen in Europa elkander tegen gingen treden: de één was de heer Benesj, de ander hij zelf. Zwei Manner

Aan deze voor de waardeering van Hitler's ondernemen nog al gevaarlijke woorden, word ik indachtig, als ik uit enkele bladen de artikeltjes me voor oogen stel, die in den laatsten tijd de geschillen in onze kerken voorstellen als persoonlijke geschillen. Zwei Manner.... Herr Dr X, und Herr Dr Y Het eigenlijke probleem is niet genadeverbond, algemeene genade, kerkrecht, Rutgers—Kuyper, inwendige-uitwendige roeping, nihilisme, afwijking van de belijdenis, een ergerdan-vóór-Assen-toestand, een reeks van „confessioneele geschillen", dreigende deformatie, doch Herr So und So ter eener, en Herr Dieser und Jener ter anderer zijde. En als dat nu maar in orde was, dan liep alleg maar weer op rolletjes. Gelukkig — zoo rapporteeren enkele broeders — is er al één persoonlijk geschil tusschen twee broeders in der minne geschikt, en och mochten er nu maar meer van die soluties volgen. Dan ware verder alles goed.

Hierin is veel te waardeeren. We hebben respect voor ie naar den vrede haakt, en kunnen het best hebben.

dat enkele stuurlieden aan den wal (dat wil hier niets hatelijks zeggen, doch alleen maar, dat zij zelf geen last hadden van zulke persoonlijkheidsperikelen) blij zijn, als een of ander gehavend allerparticulierst pleizierjacht in veilige haven wordt binnengebracht. Eerst een hevige deining, dan een jaar, of langer, soms óók wel korter stilzwijgen, en dan een paar regeltjes, dat 't weer in orde is... och ja, alles is historie en dus de attentie waard.

Maar men wachte zich hier voor overdrijving. En vooral voor verwarring.

Voor overdrijving. Het is mij zelf gebeurd, dat ik ook eens een feilen aanval vol onjuistheden van grootendeels persoonlijken aard bi'eed heb beantwoord — publiek in publiek — daarna binnenskamers heb gesproken, daarna een verklaring gepubliceerd, dat 't persoonlijke in orde was, en kijk, een paar weken later was 't weer erg mis. Men kijkt zulke zinnen-van-pacificatie daarna eenigszins anders aan. En begrijpt niet goed, dat bladen, die van bepaalde persoonlijke geschillen niets hebben vermeld, nu ineens wèl die solutie melden. Ik dacht, dat 't alleen die bladen interesseerde, die er iets van verteld hadden...

Maar ja, — de verwarring, — die zal die onevenredigheid in spreken en zwijgen op haar geweten hebben. Tegen dit verwarren van persoonlijke veetes en zakelijke geschillen ga dan ook een waarschuwend woord uit. Sommigen meenen dat er op dit punt heel wat te beredderen valt. Die menschen weten meer dan ik. Het schijnt, dat er kerken zijn, waar vele leiders des volks het avondmaal niet kunnen vieren, of — het lichtvaardig doen. Dat schijnt althans, als ik die berichten gelooven moet inzake al die persoonlijke veetes, die uit den weg moeten. Ik weet daar zoo niet van en oordeel niet over anderer consciëntie. Ik kom er slechts tegen op, dat men geschillen over leiten maakt tot ruzies, voortkomende uit verkeerde „verhoudingen". Ik kom er tegen op, dat zaken, die het gereformeerde volk aangaan, en die men met veel nadrukkelijkheid voor het tribunaal der kerken gebracht heeft, nu worden weggestopt in de rubriek: personalia. Als dat een bewijs is van beter inzicht, dan moet dat bewijs rondweg als zoodanig worden aangediend. Maar het zal niet goed zijn een nevel van verdenking te laten hangen over hen, wier confessioneele trouw in verdenking gebracht is; vooral niet bij de onwetenschappelijke, maar niettemin nadrukkelijke manier, waarop dit nog pas door Prof. Hepp gedaan is, en waarover we onze legers hebben ingelicht, voor de zooveelste maal zonder antwoord te krijgen.

Wie van Tsjeeho-Slowakije een kwestie maakt, moet niet later beweren: het eigenlijke probleem is Herr Benesj. En wie applaus gaven of een zucht lieten hooren uit geprangde borst, toen confessioneele geschillen werden aangekondigd, moet niet na een paar maanden zeggen: Zwei Manner

Of — hij moet zeggen: we hebben ons vergist, 't Was „de kif" ('n kerkbode sprak zoo), of mis­ verstand.

K. S.

Opleiding predikant Argentinië.

In hartelijken dank ontving ik voor steun opleiding predikant voor Argentinië volgende giften:

ƒ 2, 50 van R. V. te Enschedé (kennisgeving van storting) ; „ 2, 50 door P. v. d. L. te Blerick bij Venlo (per kennisgeving van storting); „ 1, — van J. W. R. te Bussum (per verzamelgiro no. 10); „ 1— van Ds J. S. te R. (Gr.) (giro nr 53); „ 10, — van F. te A. (kennisgeving van storting); „ 1, — van J. J. te Watergraafsmeer (per postwissel); „ 5, — onder letter A. R. (per kennisgeving van storting). „ 1, — van Dr K. J. C. te K. „ 1, — van E. E. H. te A'dam—Noord. „ 10, — van B. M. te M. met bijschrift: „misschien komt er nog een tweede (Argentijnsche student) ? Geen goedkooper en doeltreffender middel tot evangelieverkondiging is denkbaar". „ 3, — van H. G. te E. (giro no. 79). Dat is dus tezamen ƒ 38, — (aclit en dertig gulden). Hartelijk dank. Och, als-t-u-blieft, is er nog meer? Mijn giro: 127278.

K. S.

Sods akkerwerk.

.-. Opgedragen aan Ds A. Merkelijn.

Gods ploegers ploegen in het barre land. Waar steenen stooten, en de voeten bloeden; En waar ze voren trekken eindeloos lang. Totdat de dag gaat dalen en de rust zich spreidt.

Vanwaar dat blij gelaat, die vaste hand? Die oogen, die de horizonnen hoeden? Maakt 't moeizaam vorderen niet moedeloos en bang? Is 't geen verspillen van den kostelijken tijd?

Zie naar omhoog! De zonnestralen zenden heur licht op 't kouter en de kluiten neer. — Gods regenbuien gaan welhaast de barheid breken. —

Zoo zendt de HEERE licht en zegen neer waar drommen volken, die in 't donker dolen, zich wenden tot Zijne knechten, die in kerkjes knielend smeeken.

EMAN EMMAÜS.

Studenten te Utrecht.

De Raad der Gereformeerde Kerk van Utrecht, verzoekt den ouders van hen, die met den aanvang van den nieuwen cursus te Utrecht gaan studeeren en aldaar op kamers gaan wonen, ook wanneer de betrokkene als regel den Zondag in zijn familiekring doorbrengt, mededeeling te doen aan het Kerkelijk Bureau, Burgemeester Reigerstraat 1.

(Redactie's van Kerkboden worden verzocht dezen oproep in hun blad over te nemen.)

Opnieuw nationaal-soGialisme.

Men heeft ons nog al eens kwalijk genomen, dat wij waal-schuwden tegen comité's als „Terug naar het evangelie" (waarvoor Dr H. W. van der Vaart Smit een rede hield), alsmede tegen vereenigingen waarin Dr F. J. Krop een leidende functie innam, zoolang daar tevens ook nationaal-socialisten een beheerschende plaats innamen^). Toch heeft de waarschuwing nog steeds zin; en ons respect voor personen — met Dr Krop maakte ik eens op de prettigste wijze kennis — kan ons toch niet terughouden van het inbrengen van bezwaren, als het om de zaak gaat. Zoo willen we ook nu, ter bevestiging van wat we vroeger schreven, wijzen op een nieuw orgaan: „Evangelie en volk". Het verschijnt maandelijks, en voert aan den kop een symbool, dat behalve aan het kruis ook heel sterk aan den Duitschen adelaar en aan het hakenkruis herinnert. Dat dit blad niet vrij is van de nationaal-socialistische signatuur, die we ook reeds constateerden bij het comité „Terug naar het evangelie", blijkt zoowel uit de namen van het bestuur der Orde van getuigen van Christus (welker embleem in den kop van het orgaan te vinden is), als uit de namen van den z.g. „Opstelraad", hetgeen zooveel zeggen wil als: redactie. Bovendien wordt die verwantschap ronduit erkend, want de verschillende comité's „Terug naar het evangelie" etc. moesten, zoo lezen we, hun mededeelingen geregeld kwijt kunnen. De namen van het ordebestuur zijn: G. J. K. baron van Lynden van Horstwaerde, Baronesse van Lynden van Horstwaerde, Mr F. P. Guépin, F. A. baron van Lynden, Dr W. Th. Boissevain, en tot den opstelraad behooren: G. J. K. baron van Lynden van Horstwaerde, Dr W. Th. Boissevain, J. Boll, Ds Mr L. C W. Ekering, Mr F. P. Guépin, J. Kranenburg, J. H. Scholte. Secretaris-penningmeester is J. H. Scholte, Weimarstr. 139, Den Haag.

In het openings-artikel wordt, wat ook precies in de lijn ligt, druk gewerkt met de leer van de pluriformiteit der kerk. Zooals dat meer gebruikelijk is, loopt het betoog uit op een pleidooi, dat tot hypothese neemt de pluriformiteit der waarheid; en zoo worden we dan opgewekt om alle theologische twisterij er aan te geven, en worden we zelfs gewaarschuwd om niet te spotten met de pogingen, in Duitschland ondernomen, om tusschen Roomsch-Katholiek en Protestant een fusie te krijgen. Tenslotte brengen Hoedemakeriaansche herinneringen, vermengd met nationaal-socialistische ideeën. Dr Boissevain tot een betoog, waarin het toegeruste volk van Luk. 1 vs. 17 zoo ongeveer het Nederlandsche is. Exegese en dogmatiek zullen in zijn ooren vergeefs hier protesteeren.

Laat men zich vreemd van dit alles houden en deze „Nederlandsche christenen" uit den weg gaan. Een toegerust volk? Maar met dezelfde post, waarmee dit blaadje mij bereikte, kwam ook een bericht binnen, dat een vrije ontptooiïng van het kerkelijke leven onder wat men ondeugend zou willen noemen „de Sudeten-Hollanders" meer en meer door de autoriteiten in Duitschland wordt tegengegaan. Prachtige toepassing op de ideologie van een „toegerust volk" en van een christendom, dat niet aan politiek doet. Blinde leidslieden der blinden.

K. S.

De Groofe Catechismus van Zacharias Ursinus. (IV.)

71. Waarom was het noodzakelijk, dat Christus waarachtig God en waarachtig mensch was? Omdat Hij anders niet de Middelaar Gods en der menschen kon zijn.

72. V/at is dus het ambt van den Middelaar? Het verbond tusschen God en de menschen, die van God waren afgevallen, herstellen.

73. Waarom kon dit verbond zonder Middelaar niet vastgesteld worden?

Omdat de gerechtigheid Gods vorderde, dat God om der zonde wil op de menschen in der eeuwigheid vertoornd moest zijn. Daar het dus onmogelijk was, dat God, in strijd met Zijn gerechtigheid eenige gemeenschap aanging met het menschelijk geslacht, moest er noodzakelijk iemand als tusschenpersoon optreden, die God voor ons verbiddende, aan de gerechtigheid Gods voldoening gevende, en alle beleediging voor de toekomst wegnemende, de menschen, die van God waren losgescheurd, wederom met Hem zou verbinden.

7i. Waarom moest dese Middelaar des verbonds een waar mensch zijn?

Omdat de gerechtigheid Gods vorderde, dat de zonde door lijden en dood, zou geboet worden. Doch omdat de Goddelijke natuur niet lijden en sterven kon, (moest dit geschieden) door een mensch.

75. Waarom moet Hij waarachtig God zijn?

Ten eerste, omdat iemand, die alléén schepsel is, zou bezweken zijn onder den last van den toom Gods tegen de zonde.

Ten tweede, omdat iemand, die alléén schepsel is, aan God geen voldoenden losprijs voor de zonden zou hebben kunnen betalen.

Ten derde, omdat wij niet voor des Vaders aangezicht kunnen gebracht worden, dan getooid met de gerechtigheid en het eeuwige leven. Derhalve moest de Middelaar in dit leven Zijn Kerk vergaderen en bewaren, met den Heiligen Geest begiftigen en haar later opwekken tot de eeuwige heerlijkheid, hetwelk alles te doen alléén in de macht van God staat.

76. Waarom heeft Hij niet op de gewone wijze der nattair, inaar door de kracht des Heiligen Geestes moeten ontvangen worden?

Opdat geenerlei zondesmet in Hem zou kunnen overgebracht worden.

(Zie voor vervolg pag. 464)

77. Waarom toch moest Rij, zonder eenige eonde wezen?

Omdat de Godheid geen natuur, met zonde besmet, kon aannemen, en ook omdat Hij geen Gode welgevallig Middelaar en Offer zou hebben kunnen zijn voor anderen, wanneer Hijzelf niet volkomen vrij van de zonde was geweest.

78. Wat heteeltent het dan nu: ie gelooven in Christies, die ontvangen is van den Heiligen Geest en geboren uit een maagd?

Het is: in zijn hart verzekerd te zijn, dat de Zoon van God, terwijl wij allen in zonden en onder den toom Gods ontvangen en geboren worden, als een waarachtig mensch zonder zonde ontvangen en geboren is, opdat Hij ons door Zijn verdienste en de gemeenschap met Hem zuiver en heilig zou maken.

79. Wanneer gi} zegt, dat Hij GELEDEN heeft, wat verstaat gij dan daaronder?

Met slechts die laatste daad van onze verlossing, waarin Christus gevangen en gekruist is, maar alle ellenden en smarten, die Hij van moeders lijf tot aan het graf toe, naar ziel en lichaam, verduurd heeft.

80. Waarom wordt de naam van den STADHOUDER, onder men Hij geleden heeft, uitgedrukt?

Ten eerste, opdat de Romeinsche stadhouder een bewijs zij, dat, ten tijde toen Christus leed, de koninklijke schepter reeds van de Joden weggenomen was, zooals voorzegd was; en dat derhalve geen andere Messias te verwachten is.

Ten tweede, opdat wij er aan herinnerd worden, dat wij niet slechts de straf, maar ook de rechtvaardige verdoemenis in het Goddelijk gericht ontkomen zijn, omdat Christus onschuldig door den aardschen rechter voor ons veroordeeld is.

81. Waarom heeft God gewild, dat Hij aan het KRUIS zou sterven?

Opdat Hij zou aanwijzen, dat de vervloeking, waaraan wij onderworpen waren, op Hem is afgewenteld. Vervloekt was immers, die aan het hout hing.

82. Waarom kon Hij ons slechts verlossen door te STERVEN?

Omdat de Goddelijke rechtvaardigheid en waarheid niet toelieten, dat de zonde anders dan door den dood verzoend werd.

83. Waarom wilde Hij ook BEGRAVEN worden? Ten eerste, om te bewijzen, dat Hij waarlijk gestorven was.

Ten tweede, opdat Hij door Zijn begrafenis, gelijk door Zijn dood, voor ons de zalige rust in onze graven zou verdienen.

84. Wat verstaat gij onder Zijn nederdaling ter helle? Dat Hij de smarten des doods en de verschrikking van Gods toorn, waardoor de verdoemden tot wanhoop gebracht en tot in der eeuwigheid gepijnigd worden, in Zijn ziel en Zijn geweten"), zonder echter wanhopig te worden, ervaren heeft.

85. Maar kon God ooit op Christvs vertoornd morden, of Hem ooit verlaten?

Nooit. Maar Hij heeft Zijn gunst en bijstand voor een tijd zóó verborgen, dat de menschelijke natuur van Christus in die benauwdheden komen moest, door welke de van God verlatenen en verworpenen gepijnigd worden.

86. Waarom heeft Hij ook deze pijnigingen moeten verduren?

Omdat de zonden van ons allen op Hem samengeworpen waren, daarom heeft Hij zóó Gods toorn daartegen gevoeld, evenalsof Hij alléén alle zonden van alle menschen bedreven had.

G. B.

1) Refutatio Thesium cuiusdam Velitis, hastas ab aliis amentatas ia cientis, ad oppugnandum sacramentorum finem primum, principalem & proprium, nempe quod Deus per haec, tanquam visibilia signa & pignora, suam erga nos gratiam testificando, fidem & beneficiorum suorum communicationem in nobis augeat atque confirmet. Opera, II, Heidelbergae, Lancellot, 1612, Kol. 1665 sqq., zie 1669/1670.

1) Vgl. „Ref." van 12 Aug. en 9 Sept. j.l.

6) euni in anima et conscientia sua expertum esse.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 september 1938

De Reformatie | 14 Pagina's

KERKELIJKLEVEN

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 september 1938

De Reformatie | 14 Pagina's