GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Toelichting bij het voorstel tot oprichting van een Gereformeerd Sociaal en Economisch Verband

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Toelichting bij het voorstel tot oprichting van een Gereformeerd Sociaal en Economisch Verband

15 minuten leestijd

(Inleidend woord, gesproken op de vergadering , van het „Geref. Soc. en Econ. Verband" dd. 19 September jl. te Utrecht gehouden.)

(I)

Mede namens de andere initiatiefnemers tot den oproep, dien wij in de maand Juni deden uitgaan, roep ik U een hartelijk welkom toe. Blijkens Uw aanwezigheid hier en de van U ontvangen sympathiebetuigingen, zijt gij bereid, met ons de oprichting te overwegen van een Gereformeerd Sociaal en Economisch Verband om met' elkander op nader overeen te komen wijze, overeenkomstig onze-gemeenschappelijk-als zoodanig erkende roeping, de sociale en economische vraagstukken in het licht van de Heilige Schrift en de Beüjdenisschriften der Gereformeerde kerken te bezien. In onze uitnoodiging aan U hebben wij duidelijk doen uitkomen, dat wij van oordeel waren, dat wij als Gereformeerde belijders daarbij ons moesten stellen op den grondslag van Gods Woord en de drie Forsnulieren van Eenigheid, zonder de leeruitspraken van de Generale Synode van Utrecht 1942 en volgende jaren. Trouw aan de belijdenisschriften der kerk werd daarbij uitdrukkelijk voorop gesteld.

Hoewel wij ons op het standpunt zouden kunnen stellen, dat over deze zaak reeds direct bij hét begin een communis opinio is verkregen, die ons ontslaat van de taak, onzen opzet nader te verdedigen of toe te lich--ten, zoowel wat den grondslag, als wat de doelstelling ervan betreft, toch meen ik, dat het nuttig kan zijn, op grond van tweeërlei overweging, ter inleiding van de bespreking, die wij hier hedenmiddag met elkander over deze zaak zullen hebben, het een en ander op te merken.

Zooals reeds gezegd, wordt daarmede beoogd ten eerste eenige richting te geven aan het hierna volgend gesprek en ten tweede kunnen wij dan enkele vragen, die door briefstellers ons reeds zijn gedaan, naar het gemeenschappelijk inzicht van de initiatiefnemers, beantwoorden, terwijl dan tevens aandacht geschonken kan worden aan de kritiek, die tegen onzen opzet is ingebracht, welke kritiek een plaats kreeg in de Nieuwe Drentsche Courant van 10 Juni j.l. en naar ik vernam ook in een Groningsch dagblad. Geen van beide dagbladen werd ons toegezonden, hoewel toch een correspondentie-adres door ons werd aangegeven. Wij betreuren dit als een gemis aan goede persms nieren, dat aan een door ons niet afgewezen gedachtenwisseling, noodelooze verhindering in den weg legr. Ook door de beantwoording en de weerlegging van deze uitgebrachte kritiek kan verheldering worden geschapen, voor zoover noodig, ten aanzien van hetgeen wij ons als roeping zien opgelegd, welke roeping wij dus in gehoorzaamheid aan God voornemens zijn op te volgen.

Om met het eerste te beginnen. In onzen oproep is sprake van het zich stellen op den grondslag van Gods Woord en de drie formulieren van eenigheid met a» reeds vermelde nadere verduidelijkende restrictie, wat daaronder dient te worden verstaan. Het behoeft voor Gereformeerde belijders, als hoedanig ik U mag aanspreken, nauwelijks betoog, dat, wanneer wij spreken van de drie Formulieren van Eenigheid als de belijdenisschriften der kerk als grondslag naast Gods Woord, wij dit niet doen in een volkomen geüjkstelling vai» Gods Woord met die belijdenisschriften. Deze belijdenisschriften zijn ons te allen tijde onderworpen aan Gods Woord als GoddeUjke openbaring van Genesis tot Openbaring.

Het behoeft evenwel mede tot de ellende van onzen tijd, dat een formule voor een grondslag als die van „Gods Woord" wordt aanvaard ook door hen, die daaraan toch niet de beteekenis geven, zooals deze voorkomt in artikel V van de Nederlandsche Gelooïsbelijdenis: „Al deze boeken ontvangen wij voor heilig en kanoniek, om ons geloof daarnaar te reguleeren, daarop te gronden en daarmede te bevestigen. En wij gelooven zonder eenigen twijfel al wat daarin is begrepen." Ten aanzien van de belijdenisschriften deikerk stellen wij dus, dat daarin de waarheid van Gods Woord door de kerk is samengevat en beleden. Straks in het vervolg van mijn inleiding tot de bespreking zal zich nog wel de gelegenheid voordoen, om op de nooazakelijkheid van de plaats der belijdenis in dit geheel, terug te komen. Dan zal wel blijken, dat deze zaak van het grootste belang is voor den aanpak en ontwikkeUng van het voorgenomen werk.

Een tweede punt dat in dit eerste deel van deze inleiding een plaats ontvangt is de vraag betreffende de begrenzing van den kring tot welken de oproep is uitgegaan. De confessioneele grenzen zijn reeds aangegeven. In onzen oproep spraken wij van allen, die zich van God een plaats in ambacht, industrie of handel zagen toegewezen en dan zoowel ondergeschikten als leidinggevenden, zoowel werknemers als werkgevers. De eerste vraag is nu deze: moet dit limitatief of extensief worden opgevat. En dan is ons antwoord: extensief, zoo ruim mogelijk. Met name geldt, dat, naast werkgevers en werknemers, ook zij, die een vrij beroep uitoefenen, als b.v. notarissen, doktoren, advooaten, accountants, particuliere verpleegsters, om bij wijze van voorbeeld maar enkele beroepen te noemen, in onzen kring hartelijk welkom zijn. Hetzelfde geldt ook van hen, die een plaats hebben bij het onderwijs, eenigen overheidsdienst of welke publieke functie ook. De academici, die zich bij hun studie met het sociale en economische leven bezig houden, rekenen wij eveneens tot de uitgenoodigden, met predikanten en studenten, van wie hetzelfde zou gelden. Naar ik meen is hiermede wel duidelijk aangegeven, dat de grenzen, wat de toetreding betreft, zeer ruim zijn ge­ steld. Wanneer wij in onzen oproep eerst alleen een-d beperkteren kring hebben aangesproken, dan dient diti» zoo te worden opgevat, dat - ssdj ons vooraf van voly.#, doende instemmmg uit dezen kring verzekerd wilden it achten, alvorens verder te gaan. Zouden toch uit de A kringen van ambacht, handel en industrie geen of ••! weinig sympathiseerenden zich hebben aangemeld, dan - t zou dit werk een al te theoretischen inslag welUcht ^.• gaan verkrijgen, waarbij de mannen van de praktijk • zich afzijdig zouden houden. Het heeft ons verblijd en.; , onze verwachtingen overtroffen, dat ruim 50 geestverwanten hun instenuning met ons plan hebben betuigd en hun bereidheid hebben uitgesproken aan de verwerkelijking daarvan mede te werken. Uit menigen brief, dien wij ontvingen, bleek ons, dat men met ons van de wenschelijkheid, meer van de noodzakelijkheid •; , van dit werk was doordrongen en het juiste besef wist ; 1 op te brengen betreffende onze doelstellingen.

Een andere zaak, die eenige nadere toelichting verdient, is, dat wij nadrukkelijk hebben uitgesproken, niet te beoogen de vorming van een. organisatie met doelstelling en werkwijze als b.v. het C.N.V. en het TF Verbond van Christelijke Werkgevers in Nederland, "'^: noch naast, noch tegenover deze organisaties. Wij hebben zoowel welkom geheeten hen, die geen lid van één dezer beide organisaties zijn; als hen, die dit wel zijn. Dit beteekent niet, dat wij den arbeid van deze organisaties bij ons werk eenvoudig negeeren willen. Naar mijn overtuiging zouden wij ons werk onmogelijk behoorlijk kunnen volbrengen, wanneer wij niet kennis namen van en bij studie en bespreking met elkander ook daarin betrokken, 't optreden van deze en andere, soortgelijke organisaties. Daarvoor is hun invloed in sociaal economisch opzicht te belangrijk.

Met het voorgaande wil niet gezegd zijn, dat daarmee voor eens en voor altijd, wat er ook gebeuren moge, een uitspraak zou zijn gedaan betreffende door ons te stichten verband te nemen initiatieven. Wij hebben eenvoudig-weg geconstateerd, dat de genoemde organisaties geen leiding kunnen geven aan een door ons bedoeld overleg, op grond van hun geheel afwijkenden grondslag. En aangezien wij een principiëele bezinning ten aanzien van de zich voordoende vragen van het allergrootste belang achten voor Gereformeerde belijders, die denzelfden grondslag aanvaarden, hebben wij daarvoor een gesprek-centrum willen stichten._ Er zullen er onder ons zijn, die daarenboven ook in de genoemde organisaties met hun medeleden, die niet de Gereformeerde confessie belijden, het gesprek blijven voeren. Er zullen er ook zijn, die, van het vruchtelooze daarvan overtuigd, hun plaatsen in deze gelederen niet of niet meer innemen, of die een confessioneele organisatie ook als vakorganisatie het eenig juiste achten en uit dien hoofde zich buiten de beide genoemde vakorganisaties houden. Hoe belangrijk ook in dezen de onderlinge afwijkingen van stand-, punt m.i. ongetwijfeld kunnen zijn, voor de samenwerking in het op te richten verband zal dit geen overwegend bezwaar behoeven te vormen. Men is toch één in de overtuiging, dat, welke ook de bezinning in de genoemde organisaties moge zijn, waaraan al of niet wordt deelgenomen, in geenen deele deze bezinning voldoende of afdoende kan worden geacht, om de conclusie te wettigen, dat daarmede aan onze roeping als Gereformeerde belijders in dezen zou zijn voldaan.

In zooverre de leiding van deze organisatie zelf wel op het standpunt zou staan, dat zij beide voldoende en afdoende leiding aan de principiëele bezinning op de sociaal-economische vraagstukken geven aan hun aangesloten leden, zij erkend, dat wij in dezen met haar van inzicht moeten verschillen.

In het confessioneel uitgangspunt van ons overleg is feitelijk ook meteen gegeven, dat wij zoowel werknemers als werkgevers in dit overleg samen willen betrekken. Wij achten dit overleg over deze vraagstukken tusschen hen, die een leidinggevende, en hen, die een aan leiding ondergeschikte positie innemen in het arbeidsproces, gewettigd, zooal niet geëischt, door het gemeenschappelijk door God den Heere belast zijn met een arbeidsopdracht. Gods Woord bindt ons daarin samen en juist waar hier het overleg zal gaan op den grondslag van de gemeenschappelijke belijdenis der kerk, erkennen wij de roeping en den plicht, met volledige handhaving van de onderscheiding in de op-' drachten, die God aan een elk verleend heeft en die van den één gezag en leiding en van den ander gehoorzaamheid aan dat gezag en die leiding vorderen, met elkander als geloovigen het gesprek te voeren. Het is daarbij denkbaar, dat onderwerpen aan de orde kunnen komen, die zoo vol'edig in de interessesfeer van één der beide groepen liggen, dat de andere daarvoor iets mindere belangstelling aan den dag zal leggen. Doch ook dan, wanneer in sectie-verband, gesteld dit zou wenschelijk worden geacht, deze zaken aan de orde zouden kunnen komen, komt het ons voor, dat dit toch altijd zoo zal dienen te geschieden, dat ook de anderen in alle vrijheid dergelijke vergaderingen zouden kunnen bezoeken en aan de discussies zouden kunnen deelnemen. Dat in een overleg als door ons beoogd, wat de samenvoeging van deze beide groepen betreft, met' name een ideaal als van ds Sikkel in vervulling zal kunnen gaan, daarvan zijn wij ons bewust. Thans kom ik terug op hetgeen in den aanvang reeds werd opgemerkt ten aanzien van het punt, dat wij samen van oordeel zijn, dat wij dit werk wil'en doen op den grondslag van Gods Woord en onze Gereformeer-

de belijdenisschriften. Wij stelden de mogelijkheid, dat de beide Christelijke organisaties van werkgevers en werknemers af één van beide met ons van Inzicht zouden of zou verschillen ten aanzien van de vraag, of de door hen op veel ruimere basis gegeven prlncipieele leiding al of niet als voldoende en afdoende is te beschouwen. Beide staan op z.g. alg. chr. of wel interconfessioneel standpunt, wat hun eigen organisatie betreft. Dit interconfessioneel standpunt behoeft met name ten opzichte van het C.N.V. nog eenige nadere' verduidelijking. In dezen kring heeft men toch zich van den term interconfessioneel bediend, om daarmee niet alleen een samengaan van protestanten van verschillende kerkformaties aan te duiden, doch ook een samengaan van protestanten en roomschen, gegeven het feit, dat tot op 1919 toe vakbonden, die Roomsche leden hadden, bij het C.N.V. waren aangesloten. Toen in 1919 de vakbond der mijnwerkers naar d^ R.K. centrale overging; nadat reeds eerder tusschen de Roomsche en Protestantsche textielarbeiders het samengaan in één organisatie was beëindigd, was er een praktisch einde gekomen aan de beleving van dit interconfessioneel standpunt, in zooverre dat Roomschen en Protestanten samen niet langer hun plaats vonden in 't C.N.V. Wel zijn nog Oud-Roomschen, zooals Smeenk in zijn , , Christelijk Sociale beginselen" (tweede deel) vermeldt, bij de christelijke werknemersorganisaties aangesloten. Men staat dus thans vrijv/el practisch op het standpunt, dat interconfessioneel of interkerkelijk, zooals men het ook wel noemt, omvat de verschillende protestantsche groepeeringen. Dat men evenwel 't eerder genoenide ruimer standpunt principieel zou hebben prijsgegeven, daarvan is mij niets bekend. In ieder geval ging dit uiteengaan van Roomschen en Protestanten niet op grond van bezwaren door de Protestanten daartegen geuit, maar op grond van het feit, dat de Ned. bisschoppen in 1906 en herhaald in '09 ernstig en nadrukkelijk hadden uitgesproken, dat de Roomsch-Katholieken zich dienden te vereenigen in eigen organisaties, waarin de katholieke beginselen tot hun volle recht zouden komen.

Wat de Christelijke werkgevers-organisatie betreft, is ons niet bekend, dat zij zich uitgesproken heeft over het al of niet juist zijn van een principieel overleg op den door ons gestelden grondslag. Zij moge zelf op ruimeren grondslag zich bewegen, daarmee is nog niet gezegd, dat zij zoover zou gaan, dat zij het verwerpelijk zou achten, wanneer men op de basis - van de Heilige Schrift en de Gereformeerde Belijdenisschriften een bezinnings-centrum zou vormen ter bestudeering van sociaal-economische vraagstukken. Ten opzichte van de werknemers-organisatie staat deze zaak echter wel iets anders.

Toen in een plaatselijke afdeeling van het Verbond van Protestants-Christelijke Werkgevers in Nederland door een inleider de wenschelijkheid werd bepleit, om ook Christenen van vrijzinnigen huize tot de organisatie toe te laten, vond dit sterke tegenkanting en ging de zaak, voor zoover mij bekend, van de baan. Men heeft daarentegen in het dagblad Trouw, van 22 Februari j.l. kunnen lezen, dat men in het C.N.V. ook de Vrijzinnige kosters binnen de organisatie wil accepteeren. In de twintiger jaren had men zich daar ook reeds uitgesproken voor het opnemen van de z.g. kleurlooze middenstof in de organisatie. Toen in De Gids van Aug. 1921 een inzender den voorslag deed, om die kleurloozen dan als hospitanten te betitelen en te onderscheiden van de andere leden, van v/ie verlangd kon worden, dat zij den grondslag aanvaardden en die derhalve vol stemrecht hadden, kwam de redactie van dat orgaan hiertegen op met de opmerking, dat, waar men de propaganda onder deze kleurlooze middenstof wilde gsian aanvatten, het verkeerd zou zijn op de wijze, als door inzender voorgesteld te gaan handelen, want dan zouden die k'eurloozen er voor bedanken tot de chr. organisatie toe te treden. Zonder kleur te bekennen, waren dus de kleurloozen welkom. Onder den titel: „Toelating van Andersdenkenden" werd in hetzelfde nummer van De Gids betoogd, dat, „hoewel er keur moest worden aangelegd, opdat er geen elementen in onze vakbeweging gebracht worden, die onze beweging zouden kunnen doen verwateren, toch de keur niet al te streng diende te zijn".

Doch niet alleen nam men voor eigen organisatie dit standpunt in, men achtte in het algemeen daar een onderzoek buiten die organisatie, op den grondslag als door ons beoogd, niet noodig. Toen ds J. G. Kunst in April 1925 een referaat hield voor de Gereformeerde Predikantenvereeniging over het onderwerp: „Gereformeerde beginselen voor het sociale leven" en daarbij riep om een onderzeok naar die beginselen, omdat er een tekort was, dat zich zou gaan wreken, terwijl wat er geboden werd verschil van waardeering gaf, waarbij hij dit onderzoek met het oog op de Ethischen vooral noodzakelijk achtte, kwam de redactie van De Gids in het nummer van April 1925 daartegen op met de opmerking, „dat de bestudeering van de sociale kwestie vanuit de Gereformeerde levens-en wereldbeschouwing, vooral noodig is met het oog op de Ethischen, wil ons minder juist voorkomen. Het wil ons voorko~ men, dat aUe Christenen, die Christus' Koningschap alom erkennen, op het terrein van het sociale leven niet tot zoover uiteenloopende conclusies zullen komen". Wanneer men echter b.v. in rekening brengt, dat de vroegere voorzitter van het C.N.V., de heer Diemer, een tegenstander was van economische medezeggen­ schap voor de arbeiders in de onderneming, dat ook Amelink in De Gids van Februari 1922 deze medezeggenschap in de ondernemingen voor de arbeiders afwees, omdat dit tot een veelhoofdige directie zou leiden en alleen van medezeggenschap voor de arbeidersorganisaties in het bedrijf als complex van ondernemingen wilde weten, en men ziet den tegenwoordigen voorzitter, den heer Ruppert, warm ijveren _voor deze economische medezeggenschap ook in de ondernemingen, dan is daarin reeds een praktische weerlegging van deze voorgaande overweging van het C.N.V. gegeven, dat alle christenen, die maar het koningschap van Christus erkennen, niet tot zoozeer uiteenloopende conclusies kunnen komen, op het terrein van het sociale le'^. Wanneer iemand als dr Dooyeweerd in A.R. Staatminde, jaargang 1926, zich zoo sterk tegen deze m-edezeggenschap der arbeiders uitspreekt, dat hij spreekt van de ongoddelijkheid van het streven dezer ondernemingsdemocratie en schier geen woorden kan vinden sterk genoeg om zijn Calvinistische geloofsgenooten daartegen te waarschuwen, zelfs zoover gaat, dat hij dit maar niet een aantasten van de ondernemerssouvereiniteit, maar van de souvereiniteit van God den Heere acht te zijn en een varen in het zog .van den socialistischen ijsbreker, dan blijkt daaruit toch wel, dat inderdaad Christenen, die Christus' koningschap erkennen, wel degelijk tot uiteenloopende conclusies kun­ nen komen. Sprak ds Kunst in 1925 van de Ethischen, wij zouden in dezen tijd met name de Barthlanen, ook al zijn ze als voorlichters in de kringen van het C.N.V. regu, als een richting willen noemen, met het oog waarop een Gereformeerd confessioneel onderzoek der sociale en economische vraagstukken van het grootste belang is.

P. GROEN.

Wording Sociaal en Economisch Verband.

De mededeeling van het bestuurslid van de plaatselijke afdeeling van Patrimonium blijkt door mij niet geheel zuiver te zijn weergegeven. Men leze als volgt (De Ref., 14 Oct. il.):

Nadat men als afdeeling 15 jaar lang tevergeefs bij het Verbondsbestuur had aangedrongen op schriftuurlijke leiding en voorlichting, had deze afdeeling 2 jaar geleden de band met het verband verbroken.

De opmerkzame lezer van mijn artikel in het Jubileumnummer zal hebben geconstateerd, dat in den laatsten zin verwezen werd naar een citaat, dat evenwel niet voorkwam in het artikel. Plaatsgebrek dwong om ongeveer 1/3 deel van den oorspronkelijken tekst te schrappen en daardoor viel ook dit citaat weg. Het moge hierbij nog volgen. Men leze dus den betreffenden slotzin in verband met deze woorden van dr Dijk: „wij zijn rijk genoeg. Rijk aan een schat van beginselen, rijk aan het schoonste idealisme, dat bezielen moet In den reformatorischen strijd".

G.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 4 november 1950

De Reformatie | 8 Pagina's

Toelichting bij het voorstel tot oprichting van een Gereformeerd Sociaal en Economisch Verband

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 4 november 1950

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken