Vu cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Vu te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Vu.

Print this document

De Dokter en de Sjeik

De rol van Johan Pilon en Abdallah Khayr bij de stichting van de Moshav Nes Ammim in Galilea, 1959-1962

83 minuten leestijd

In DNK nr. 75 (december 2011) is het een en ander geschreven over de oprichting van de christelijke moshav Nes Ammim in Galilea. Drijvende krachten achter dit door de Fransman Claude Muller-Duvernoy bedachte project waren de Nederlandse zendingsarts Johan Pilon en diens Zwitserse collega Hans Bernath in Nazareth. Het plan kreeg kans van slagen doordat de druzische sjeik Abdallah Khayr bereid bleek de op zijn naam staande ‘village lands’ van het dorp Abu Sinan te verkopen. De onderhandelingen hierover werden aan de zijde van Nes Ammim gevoerd door Johan Pilon. Hij was gereformeerd, opgegroeid in Indonesië, waar zijn moeder was gestorven in een Jappenkamp. Als student medicijnen had Pilon in 1942 en 1943 de deportatie van de joden uit Amsterdam aanschouwd. Toen hij als arts in Tiberias de staat Israël leerde kennen raakte hij betrokken bij Duvernoy's plan voor een niet-missionaire christelijke landbouwnederzetting, die bij zou dragen aan de opbouw van de joodse staat en daardoor aan de verbetering van joods-christelijke betrekkingen. Doordat het Joods Nationaal fonds niet bereid bleek om voor dit doel land ter beschikking te stellen, leek het project al in een vroeg stadium te mislukken, tot Khayr op het toneel verscheen. Pilon had geen enkele kennis van de druzen of van hun achtergrond. Voor hem ging het om een zuiver zakelijke transactie. Na het trauma van de Tweede Wereldoorlog was Nes Ammim gericht op de joden, niet op de druzen. De druzische achtergrond van dit stuk land heeft in de historiografie van Nes Ammim tot dusverre weinig aandacht getrokken. Dit artikel is een eerste poging om in die leemte te voorzien.

Een druzisch dorp

Sjeik ‘Abd Allāh (Abdullah of Abdallah) Salman Saleh Khayr (1906-1977) woonde in Abu Sinan: 117 huizen in 1932, met daarin 311 druzen en 274 christenen.1 Het dorp lag in de heuvels van West-Galilea, met uitzicht op de kustvlakte ten noorden van Akko. Voor zover bekend hadden de druzen zich in de elfde eeuw afgesplitst van de sjiïtische Islam. Ze waren monotheïsten, geloofden in zielsverhuizing en hadden elementen overgenomen van de platonische filosofie. Hun aantal in Israël bedroeg in 1958 naar schatting 20.800. De Khayrs vormden een van de drie belangrijkste druzische hamula's of ‘extended families’2 in Galilea. Oorspronkelijk kwamen ze uit Libanon. De twee andere vooraanstaande hamula's waren de Tarifs van Julis en de Muadi's van Yarka. Hun sjeiks vormden samen het spiritueel leiderschap van de druzische gemeenschap in Israël, onder voorzitterschap van een Tarif. Het was deze familie die het graf van Nabi Shu’ayb (Jethro) bij Hittin had laten herstellen, en die in de druzische gemeenschap het meeste gezag genoot.3

Kleinere families als de Al Biri's werden tot de clan van de Khayrs gerekend. Over onderlinge vetes in de achttiende en negentiende eeuw deden moeilijk verifieerbare maar kleurrijke verhalen de ronde. De Khayrs hielden hun krijgshaftige voorgeslacht in ere. ‘Selon ce qu’on raconte, la famille Kheir acquit par l’épée la situation prépondérante qu’elle occupe, ayant réussi à vaincre les tribus contre lesquelles elle s’était battue.’4

Abdu'l-Bahá in Abu Sinan

In de havenstad Haïfa had zich in de tweede helft van de negentiende eeuw de Bahai-gemeenschap gevestigd. De meeste bahai waren afkomstig uit Perzië, waar ze bloot hadden gestaan aan bloedige repressie. Er waren echter ook bekeerlingen bij uit Europa en vooral Amerika. Hun leider, Abdu'l-Bahá (1844-1921), werd als een profeet beschouwd. De druzen in de regio respecteerden hem als een man van heilige levenswandel. Toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak besloot Abdu'l-Bahá met de Bahai-gemeenschap uit Haïfa naar het veiliger geachte Abu Sinan te vertrekken. Daar woonde de bejaarde sjeik Saleh Khayr met diens vier zonen, schoondochters en hun uitgebreide familie. Tot de groep die Abdu'l-Bahá naar Abu Sinan vergezelde behoorden dokter Habib Mu’ayyad (1888-1971), Abdu'l-Bahá's dochter Ruha Khanum en de Amerikaanse Edith Sanderson (1871-1955) en Lua Getsinger (1871-1916).

Aan de door hen gemaakte aantekeningen danken wij een beeld van de huishouding waarin de toen negenjarige Abdallah Khayr opgroeide. Zijn familie bewoonde een huis waarvan de oudste delen in 1617 door de emir Fahru'd-Din Mani gebouwd waren voor diens zoon Ali. Naar de maatstaven van Abu Sinan was het een paleis, en het werd vaak zo genoemd. In 1868 had het dorp naar schatting 260 druzen en 140 Grieks-orthodoxen geteld. De Fransman Victor Guérin vond het huis van de Khayrs opmerkelijk:

La maison du cheikh, située sur le point culminant de la colline, et de date récente et relativement assez bien bâtie. Précédée d’un vestibule à jour dont les arcades s’appuient sur de petites colonnes, elle domine non seulement le village, mais encore tous les environs.5

Habib Mu’ayyad schetst een even aantrekkelijk beeld van Abu Sinan in 1914:

A hamlet (…) on a choice hill, with a pleasant and vivifying air and water. The people cultivated fig and olive trees and grew grapevines. The inhabitants were mostly Druze, with a few Catholic or Jewish residents, all of whom were engaged in farming. The Druze are mostly robust people, adapted to mountain life. Though their religious convictions are not known with any degree of certainty; that is, they believe in a single, all-powerful Omnipotent One who revealed Himself through His manifestations.6

In het huis van de familie Khayr werd gediscussieerd over godsdienstige onderwerpen. Met de bahai spraken zij over de mythische figuur van al-Khidr:

Khidr, a prophet of pre-Mosaic times, is greatly honoured by the Druzes. He, according to their sacred legend, having drunk of the Water of Immortality, is now alive, and will live for evermore. He dwells in the Invisible Kingdom, but assumes bodily form and appears to those who love him in their dreams.

The places where Khidr is seen in dreamland are held sacred. These holy places are numerous. Muslims also hold these shrines in veneration, make pilgrimages to them, praying for such benefits as healing, and vowing to return and give thanks, when their prayers are granted.

The Cave of Elijah on Mount Carmel is one of the shrines, where Khidr is also honoured both by the Druzes and Muslims. Important pilgrimages are made to this cave at certain seasons of the year, where a lamb is sacrificed in memory of Abraham and of Isaac, whom they look upon as friends of Khidr, also associated with Moses and Elijah.7

De druzen koesterden bovendien verering voor de zesde sjiïtische fatimidenkalief van Egypte, al-Hakim bi-Amr Allah (985-1021). De goddelijke manifestaties waren vele. Dit geloof hadden bahai en druzen met elkaar gemeen. Door sjeik Salih Khayr en diens zonen Yusuf en Salman werden Abdu'l-Bahá en diens gevolg gastvrij opgenomen in het ‘paleis’ van de familie. Dat bood vanaf het balkon in westelijke richting een schitterend uitzicht. Daar beneden strekten de door de plaatselijke fellahin gebruikte ‘village lands’ van Abu Sinan zich uit tot aan die van het aan de kust gelegen al-Summayriyya. Abdu'l-Bahá werd door de Khayrs bejegend met alle respect: ‘They loved Him, trusted Him, and honoured Him, with all their hearts, feeling and believing that His wisdom grasped the future as well as the present. Prayers were chanted at these meetings, the Druze friends joining with the Baha’is.’8

Habib Mu’ayyad herinnert zich de ruime binnenhof en de divan: ‘the reception room, vast and comfortable, of the male portion of the family’. De dames bewoonden een eigen vleugel. Yusuf Khayr, de oudste zoon van Salih, fungeerde als ‘shaykh of the Khalwa – the sacred House of Prayer – which is entered by none but the Druzes who are initiated.’ Hij behoorde kortom tot de ‘uqqāl, de ingewijden in de leer. Met Ruha Khanum bezocht Sitarih Khanum (Sarah Louisa Blomfield) de Khayrs opnieuw in 1922, na het overlijden van Abdu'l-Bahá. Ook Sitarih Khanum heeft het huis van de familie beschreven, waar haar oog viel op de welvoorziene bibliotheek:

The view from these windows is glorious, and the whole atmosphere of the place full of calm and rest. Across one end of this room were book-cases filled with beautifully bound books. How I longed to know what they contained! Sacred writings naturally; but their religion is secret, none but the initiated are ever permitted to either enter their houses of worship (khalwa9), or to read their holy books.

They are not Christians, although they reverence the Lord Christ. They are not Jews, but they reverence Moses and some of the other prophets: Nabi-Shu’ayb, the father-in-law of Moses, is one of the saints they esteem. (…) The Druzes wear a white amice, under the zombaz, a long, black coat, which, with a large snow-white turban, has a pleasing and dignified effect. Both men and women are extraordinarily fine, noble-looking, strong and healthy people. (…) Tilling the ground, growing corn, olive oil and fruit for their simple needs, spending most of their days in the fresh, pure, bracing air. (…) The ladies are amazingly lovely, with slight, graceful figures, regular features, wonderful eyes with long lashes (…).

What their beliefs are, and their mode of worship, no outside person is ever permitted to know. But their religion is deep and real, as shown in their lives. The Druzes are kind, courteous, and nobly hospitable. Strict, very strict, in their morality – the husband of one wife; no lapse from virtue is permitted – the penalty would be terrible, even death. No Druze family would suffer dishonour. No Druze, either man or woman, can with impunity breach any of their religious laws.10

Sjeik Saleh wordt in Bahai-literatuur op internet ‘the gracious and courteous chief of the Druze village of Abu Sinan’ genoemd. De connectie tussen Saleh Khayr en de Bahai-profeet had ook een politieke component. De opmerking van Abdu'l-Bahá dat de dagen van het Ottomaanse bestuur geteld waren bleek in 1918 maar al te juist te zijn. Tot dusverre waren de Khayrs niet meer dan een gezeten familie op het platteland. Gesteund door de woorden van Abdu'l-Bahá begonnen zij te vermoeden dat leden van de familie in de toekomst een belangrijker rol zouden kunnen gaan spelen dan voorheen. Die verwachting werd vooral gekoesterd van de intelligente Abdallah, zoon van sjeik Salman en kleinzoon van sjeik Saleh.11

Een studie bij de Britten of Amerikanen lag voor de hand. De Fransen beschouwden zichzelf als de patroons van de met de Rooms-katholieke Kerk gelieerde maronieten, met wie de druzen in Libanon regelmatig in conflict geraakt waren. De Franse abbé J.J. Bourassé had in 1871 een inktzwart beeld geschetst van de druzen als fanatieke struikrovers:

Les Druses professent un paganisme à peine voilé. Rien n’égale leur fanatisme. Ils se sont placés plus d’une fois sous la protection de la Grande-Bretagne; et par la seule raison que la France exerce un patronage séculaire à l’égard des Maronites, l’Angleterre n’a pas hésité à couvrir de son pavillon les intrigues et meme les violences des Druses. Que chacun ici garde son role: le drapeau de la France ne flottera jamais sur les tentes de ceux qui depuis des siècles sont la terreur de leurs voisins et l’opprobe de leurs amis.12

De Khayrs van Abu Sinan gingen onder het mandaat samenwerken met de Britten. Hun reputatie van krijgsheren taande: zij merkten dat zij in de moderne tijd moesten samenwerken met machthebbers die opereerden op een hoger niveau dan dat van dorpsvetes.

In populaire Europese literatuur viel over de druzen vrij weinig te vinden. De Nederlander J. Krayenbelt hield het er in 1895 op dat het deïsten waren, zonder een persoonlijk godsbeeld en met een theologie die uit een mengelmoes bestond van Islam, jodendom, christendom en heidendom. Net als Bourassé vermeldde hij hun krijgshaftige aard.13 De door Israël trekkende theologiestudent Ies Walpot bekeek de druzen in 1958 met de ogen van een toerist: ‘Vrouwen in kleurige klederdrachten, mannen in lange Arabische broeken en witte hoofddoeken. (…) Druzen zijn voortreffelijke zangers en dansers.’14 Toen Pilon een jaar later een afspraak maakte met de sjeik van Abu Sinan dacht hij te maken te zullen krijgen met een soort clanhoofd, dolk aan de zij. Tot zijn verrassing ontmoette hij een westers gekleed heer, die uitstekend Engels sprak.

‘Abd Allāh Salman Saleh Khayr

De in 1906 geboren Abdallah Khayr stond bekend als ‘grand propriétaire terrien’, ofwel grootgrondbezitter. Hij was bovendien een ontwikkeld man. Aan de Amerikaanse Universiteit in Beiroet had Khayr een graad in de letteren gehaald (politieke wetenschap), naast een rechtenstudie aan de Hebrew University in Jeruzalem. Degene die dit mogelijk gemaakt had was niet minder dan Abdu'l-Bahá zelf. De Bahai-profeet had sjeik Saleh gezegd dat een van zijn zonen of kleinzonen moest studeren aan een westerse universiteit, bij voorkeur Beiroet. Abdu'l-Bahá had Europa en Amerika bezocht en was er onder de indruk gekomen van het medische kunnen. In de divan van het grote huis in Abu Sinan had hij erover verteld aan de mannelijke leden van de familie Khayr:

There is spiritual healing and there is also material healing. Unless these two work together a cure is impossible. The material element is medicine; spiritual healing is of God. Man must work in unison with the laws ordained by providence. All good things that take place are based on Divine Wisdom.

Toen de oude sjeik Saleh gevraagd had of zo'n westerse omgeving niet gelijk stond met een poel des verderfs, had Abdu'l-Bahá voorspeld dat zijn nazaat aan de universiteit in Beiroet zijn geloof en morele integriteit zou weten te behouden.15 Het leven van Abdallah Khayr kreeg zo een onverwachte wending. Voor zover bekend was hij de eerste druze in Palestina die een universitaire titel behaalde. Het opende voor hem de weg naar de grotere wereld. Naar Libanees voorbeeld stichtte hij in 1932 in Palestina een Druze Union Society. Die kreeg de steun van nog weer een andere sjeik, Hasan Abu Rukn van Isfiya, een dorp op de Karmel. Volgens Laila Parsons speelde de competitie met de familie Tarif daarbij een rol op de achtergrond:

Khayr respected Zionism as a political movement, with all its ancillary political organizations, and based the society's charter on a Zionist model. In setting up the Society he hoped to create a political body that would take power over Druze affairs away from the Tarif family. He also wanted the Society to obtain control of the waqf (religious endowment) of Nabi Shu’ayb, thereby removing it from Tarif control.16

Vanaf 1935 tot het einde van het mandaat in 1948 deed Khayr dienst als ‘district officer’ in Galilea. Aan zionistische zijde onderhield hij in de jaren dertig contact met Aharon Haim Cohen en Itzhak Ben Zvi, de latere president van Israël. Met de Engelsen had hij goed weten samen te werken, zo zelfs dat hij naast de Israëlische ook de Britse nationaliteit bezat. Bezoekers aan de sjeik in Abu Sinan waren verrast: ‘Hij wilde laten merken dat hij een Engelse gentleman was. Je werd er met een high tea ontvangen.’17 Khayrs archeologische verzameling vormde de basis voor een klein museum bij de ruïnes van het kruisvaarderkasteel Starkenberg.

Tijdens de oorlog van 1948 hielden de druzen zich afzijdig. Onder leiding van sjeik Salman Tarif ontvingen de hoofden van de hamula's in augustus een joodse delegatie in het huis van de familie Khayr in Abu Sinan. Zij erkenden bij die gelegenheid dat hun woonplaatsen vanaf dat moment deel uitmaakten van de staat Israël. De druzen bleven waar ze waren. Ze kregen permits om hun oogst binnen te halen, maar het feit dat ze zo'n toestemming nodig hadden gaf aan hoe de machtsverhoudingen inmiddels lagen. Nog in het gebied aanwezige bewoners van ontruimde en vernietigde islamitische dorpen als al-Summayriyya en Kuwaykat stonden er heel wat slechter voor: zij mochten zich niet meer op hun velden vertonen. ‘The Druze in the north of the country were allowed to reap their crops while their neighbouring villages were barred from doing so and they walked about hungry.’ Over de toekomst van het druzische landbezit was echter nog niets definitiefs beslist: ‘The Druze were not immune to arbitrary land seizures. Although relatively peaceful, this period was chaotic, and there was no guarantee that co-operation with the Jews during the war enabled one to keep one's land in peacetime.’18

Zowel het bureau van de Custodian of Abandoned Property als de joodse kibbutzim in de kustvlakte van Aser ergerden zich aan het stuk hoogwaardige landbouwgrond dat daar in druzische handen was gebleven. Op termijn zou dit nadelige consequenties kunnen gaan krijgen. Sjeik Abdallah Khayr zou maar heel beperkte mogelijkheden hebben om zich te verzetten tegen een eventuele onteigening. Hij genoot in de jaren vijftig respect in zijn woonplaats, maar het was zelfs daar onderhevig aan erosie. De Tarifs zaten even vast in het zadel als altijd. De jeugd in Abu Sinan zocht buiten het dorp werk in Israël, en gaf blijk van een verminderd respect voor traditioneel gezag. Moslimfamilies die na 1948 gedwongen geweest waren om de kust te verlaten en zich in Abu Sinan te vestigen voelden zich daar als onwelkome indringers beschouwd. Het ergste voor sjeik Abdallah Khayr was echter zijn verlies aan invloed sinds het vertrek van de Britten. Hoewel hij in 1948 zelf had aangedrongen op een vergelijk met de zionisten was zijn eigen positie nooit meer die geworden van de tijd waarin hij district officer was geweest. ‘The pool of employment in the Civil Service etc. became closed to the Arab population.’19 Zoals hij zelf vertelde: sinds dat jaar was hij politiek uitgerangeerd, een man die weinig meer te doen had dan het beheren van zijn bezittingen en familiebelangen.20 Het voldeed hem niet. Khayr overwoog zijn belangen in Israël te gelde te maken, te investeren in een westerse opleiding van zijn zoon en drie dochters, en om zelf te verhuizen naar Libanon of Groot-Brittannië. Toch nam de familie nog een vooraanstaande plaats in de plaatselijke gemeenschap in. Abdallahs broer Ahmad was een geestelijke. Het huis van de familie Khayr in Abu Sinan herbergde een belangrijke bibliotheek over de rechtsregels binnen de druzische gemeenschap.21

De noodgedwongen politieke afzijdigheid van Khayr contrasteerde nogal met het begin van diens carrière. Uitgerangeerd te worden uit het bestuur over Galilea was ook niet wat hij indertijd van de zionisten had verwacht. In de jaren dertig had Abdullah Khayr voorzichtige besprekingen met de president van de toenmalige Jewish National Council gevoerd, Yitzhak Ben-Zvi. Die probeerde na te gaan of er een vergelijk mogelijk was tussen druzen en zionisten. Khayr had dat niet bij voorbaat van de hand gewezen. Hij wenste een volstrekt autonome positie voor de druzen, en een duidelijk onderscheid tussen deze groep en de moslims.22 Zijn relatie met de Israëlische overheid ná 1948 verliep daarentegen stroef: Khayr merkte dat zijn status in Israël lager was dan vroeger onder het Britse mandaat. Het onderhouden van contact met de druzische gemeenschappen in Libanon en Syrië was plotseling een stuk moeilijker geworden. Hoewel de druzen zich vrijer in Israël konden bewegen dan de moslims stonden ook zij onder een vorm van controle. Bovendien had de overheid islamitische ‘present absentees’ overgeplaatst naar het druzische en christelijke Kafr Yasif en Abu Sinan. Khayr nam het de regering niet in dank af. In het begin van de jaren vijftig probeerde hij een nationalistische Arabische partij van de grond te krijgen, samen met Nimr al-Hawāri en de christelijke advocaat Eliyās N. Kūsa. Al-Hawāri had aan Arabische kant deelgenomen aan de onderhandelingen over een wapenstilstand met Israël, op Rhodos in 1948. Samen eisten ze volledige burgerrechten voor de Israëlische Arabieren, opheffing van de beperkingen op hun gewetensvrijheid, terugkeer van de vluchtelingen en een einde van tweederangs burgerschap. Khayr was geen voorstander van de overeenkomst in 1956, waarbij druzische jongemannen dienst zouden gaan doen in het Israëlische leger.23 De pogingen om een partij te stichten bleven echter zonder succes, mede door de verschillen tussen moslims, christenen en druzen. ‘The Hawāri-Khayr-Kūsāgroup proved unable to attract sufficient Arab backing.’24

Israël probeerde de druzen tegemoet te komen door hun interne autonomie te versterken. Ze kwamen onder het gezag van het islamitische sharia-gerechtshof in Akko uit (een restant van de Ottomaanse tijd, dat de Britten intact gelaten hadden), maar daar kwam een indirecte vorm van controle vanuit Jeruzalem voor in de plaats. Het ministerie van godsdienstzaken benoemde in 1954 een commissie van toezicht op de registratie van druzische huwelijken en echtscheidingen, de Lajnat al-Murāgaba al-Madhabiyya.25 Leden waren sjeik Salman Tarif van Julis (voorzitter), sjeik Husayn ‘Alayān van Shefar’am en Khayr. Zij moesten degenen die als ambtenaren van de burgerlijke stand optraden (de ma’dhuns) controleren op overeenstemming met het druzische huwelijksrecht én de bepalingen van de Knesset. Dat laatste zette uiteraard kwaad bloed: het laatste wat de drie druzensjeiks wilden was een rol als loopjongen van de regering. Niets wees erop dat de Arabieren in Israël, inclusief de druzen, binnen afzienbare tijd gelijkwaardige burgers zouden worden. Het vooruitzicht dat zijn kinderen onder militair bestuur zouden opgroeien stuitte Khayr danig tegen de borst. Dat de druzen in 1957 in Israël erkend werden als religieuze gemeenschap – een status die ze onder de Ottomanen en Britten nooit hadden bezeten – was onvoldoende compensatie. Hij overwoog te vertrekken naar Libanon en zijn zoons daar een degelijke westerse opleiding te geven. Een van hen, Ismael, volgde middelbaar onderwijs bij de Schotten in Jaffa, in de Tabeetha School.

Van Arabisch Galilea werd studie gemaakt door een Israëlische onderzoeker, Shimon Shamir. Die karakteriseerde een sjeik als een clan elder:

In his way of life a clan elder was almost indistinguishable from the other village family heads, but the power concentrated in his hands was manifold. In addition to his control of the clan's physical strength, he also benefited from the daily dependence of the clan members on his wasta (mediation) in their contacts with government authorities or other external bodies (land-owners, money-lenders, other village notables and the like). The concept of the wasta was rooted into village life to such a degree that when one of the clan members obtained an office that made it possible for him to ‘bestow’ or to ‘deprive’ benefits from the other members, this served only to enhance the potency of the headman's wasta, since it was he who decided for whom the office-holder's contacts should be utilized.

In een Arabisch of druzisch dorp was een sjeik een machtig man. De Ottomanen hadden de clan elders een vrijwel onbeperkt gezag over de andere dorpsbewoners gegeven, zolang ze er maar voor zorgde dat de dorpelingen hun belastingen betaalden. De Mandaattijd had weinig aan die positie veranderd.

Tax collectors and representatives of other government departments maintained contact with these elders in order to arrange their affairs.’ Although the status of the clan elders was clearly higher than that of the local government officials (mukhtars, council members, etc.), they were not given any official appointments to office apart from those instances in which they themselves preferred to execute these tasks. The wasta's power not only did not diminish, but rather continued to increase with the village's widening contact with the administration.

Het Israëlisch militair bestuur (Hamimishar ha-Zevai) werd door de clan elders ervaren als een bittere vernedering. Gouverneurs uit het idf namen de plaats in van de mandatory district commissioners en hun stafleden, waaronder ook sjeik Khayr.26

Al Mansura

Khayr overwoog in 1959 om in de alluviale kustvlakte van Aser,27 ten noordoosten van de stad Akko, land te verkopen – mits het niet aan de Israëli's was. Hij liet dit weten aan Rafiq Farah, de anglicaanse predikant die gemeenteleden had wonen in het aan Abu Sinan grenzende Kafr Yasif. Khayr sprak namens zijn familie, waarvan diverse leden eveneens aanspraken hadden op percelen in de kustvlakte. Hij diende bovendien rekening te houden met de belangen van die dorpelingen van Abu Sinan die hun aandeel in de ‘village lands’ op hun eigen naam hadden geregistreerd. Het was duidelijk dat de sjeik in zijn eigen gemeenschap zwaar zou moeten onderhandelen vóór het land kadastraal geheel op zijn eigen naam stond, en als zodanig verkocht kon worden.

De mogelijkheid om een deel van de vruchtbare grond van Abu Sinan te kopen, met uitzicht op de Karmel in het zuiden, was voor een christelijk project echter zeer aanlokkelijk. Pilon las erover in de in 1955 in Parijs verschenen Guide bleu:

La plaine d’Akko (…) est exceptionellement fertile, terre à arbres fruitiers, à cereals, à oliviers, amandiers et vignolles; elle est arrosée de sources nombreuses et est irriguée par un système tres étendu de canalisations récentes. Les marécages que les successives occupations étrangères ont laissé subsister par incurie ont été asséchés et le sol a été rendu à l’agriculture.28

Over de vraag of dit gebied tot het Heilige Land behoorde viel te discussiëren. Voor zover uit de evangeliën viel op te maken was Jezus er nooit geweest. Akko en omgeving hadden in zijn tijd niet tot Galilea maar tot Phoenicië behoord. Ergens hier zouden de in het bijbelboek Jozua genoemde plaatsen Misrefôt Maïm en Achsib29 moeten liggen, maar waar precies was zelfs de oudheidkundigen onbekend.30 Wie weet zelfs op de ‘village lands’ van Abu Sinan. Volgens Khayr had zich op een heuvel daar een lang verdwenen dorp bevonden, met de naam El Mansura. Deze heuvel lag midden in het land dat hij te koop aanbood.31 El Mansura betekent in het Arabisch ‘de overwinning’. Wellicht verwees de naam naar de manier waarop de druzen van Abu Sinan tot hier hun rechten hadden bevochten op concurrerende aanspraken van al-Sumayriyya. Op kadastrale kaarten stond bij El Mansura de toevoeging ‘Salaib’.32 Deze verwijzing naar kruisen gaf aan dat nog bekend was dat hier ooit een christelijke nederzetting had gelegen. Inderdaad zou hier in 1969 het mozaïek van een byzantijnse kerk worden blootgelegd.33

Pilon kon er in de hem beschikbare literatuur niets over vinden. Nederlandse pelgrims in de late Middeleeuwen en de zeventiende eeuw hadden het gebied hooguit op doortocht aangedaan, op weg naar de heilige plaatsen rond Jeruzalem en de streek van Nazareth.34 De zeer hoge schattingen van het inwonertal van Galilea bij Flavius Josephus werden bij lange na niet meer gehaald. Menig westers auteur had het over een ‘ontvolkt’ gebied, romantisch maar tevens vatbaar voor ‘ontwikkeling’. Inmiddels was het in kaart gebracht door ondermeer Napoleon en de Britse Palestine Exploration Society. Die lieten een intensief benut agrarisch gebied zien, heel iets anders dan de woestenij die zo vaak met Galilea werd geassocieerd. De Palestijnse Baedecker van 1894 vermeldde nog iets anders: dat de vlakte toen uitsluitend door Arabieren bewoond was geweest. Hun zorg voor de velden rond al-Sumayriyya en Kuwaykat, waar El Mansura precies tussenin lag, werd geprezen: ‘The land is richly cultivated’. Over al-Sumariyya werd geopperd dat het op de plek zou kunnen liggen van nog weer een andere plaatsnaam uit Jozua, Simron-Meron (Jozua 12:20).35

Harmworth's New Atlas of the World (1920) vermeldt weinig bijzonderheden over de vlakte van Aser. Aangegeven worden slechts de kustweg naar Beiroet en het ten noorden van al-Summayriyya gelegen dorp El Mezra (Mazra’a), voorbij de Wadi el-Mejûneh.36 De spoorwegverbinding tussen Haïfa en Beiroet werd pas in 1941-1942 aangelegd.

De bekende Nederlandse zionist Jacobus Henricus Kann had in 1907 rondgekeken over de ‘vruchtbare vlakte van Acre’, tussen de ‘mooie blauwe zee’ en ‘de bergen van Galilea’. ‘Erets Israël, het Joodsche Land, werd in de oudheid Kanaän, dat is laagland of Nederland, genoemd’, aldus Kann die in het dagelijks leven bankier in Den Haag was. ‘En inderdaad doet het kustland aan het Hollandsche landschap denken.’37 Pilon las het geamuseerd. De landkaart in Kanns boek Erets Israël liet overigens tevens zien van hoe recente datum de joodse bewoning van de streek rond Akko was. De nederzettingen van de zionisten hadden in 1907 ófwel ten zuiden van Haïfa gelegen ófwel in het oostelijk deel van Galilea. De havenstad Haïfa had zich vanaf de jaren twintig krachtig ontwikkeld. Van ‘die weiten Marschen des Kison, die sich bis zum Karmel und Mittelmeer hin dehnen’38 was inmiddels weinig meer over. De moerassige rietvelden rond de monding van de Qishon hadden in hoog tempo plaats moeten maken voor olieterminals, een energiecentrale en een vliegveld.

De gereformeerde aardrijkskundige A. van Deursen vermeldde in de vlakte van Aser akkers en weidegrond. Een andere Nederlander bekritiseerde het gebruik: ‘De vruchtbare kustvlakte kan bij goed beheer, evenals in de dagen der Phoeniciërs, een graangebied van beteekenis worden, maar is het thans nog niet.’39 Zeventien kilometer verder naar het noorden lag de Libanese grens. Deze bevond zich op de duidelijk zichtbare ‘Tyrische trap’. De scala Tyriorum vormde een voorgebergte, dat bij de kalkrotsen van Ras en Nakoera (Rosh Haniqra) de zee bereikte.40 In de mandaattijd had de trein naar Tyrus en Beiroet bij Rosh Haniqra de grens gepasseerd.

De kustvlakte werd door de druzen Es-Sahil genoemd. De bezitsverhoudingen in deze streek waren sinds 1948 volstrekt gewijzigd. Arabische dorpen als Al-Summayriyya en Kuwaykat waren ontruimd en vernietigd. Hun velden en akkers waren overgenomen door de kibboetsim Lohamei haGettaot, Regba en Beit Ha’Emeq. In de ogen van de nieuwe eigenaren betrof dit geen landroof, maar een legitieme terugkeer naar de grond van de eigen voorvaderen in de Richterentijd van 2500 jaar geleden. Dat in de vlakte nog steeds een blok landbouwgrond in niet-joodse handen was werd als een oneigenlijk fenomeen beschouwd, vermoedelijk veroorzaakt door het gegeven dat Khayr de Britse nationaliteit bezat.41

Militairen van Regba hadden in 1948 een actieve rol gespeeld bij de inname van de streek door de strijdkrachten van Israël. De naam Beit Ha'Emeq was ontleend aan de gelijknamige plaats (‘huis der vlakte’) die hier volgens Jozua 19:27 gelegen zou hebben. In deze kibboets woonden ondermeer joden uit Hongarije.42 Lohamei haGettaot (‘strijders van het ghetto’) was in 1949 gebouwd door joodse partizanen die in Polen en Litouwen tegen de nazi's gevochten hadden. Ernaast liep het in 1780 door de Turkse gouverneur Ahmad Jazzar pasja aangelegde aquaduct naar Akko. Overlevenden van de ghetto's van Warschau en Bialystok waren de stichters van de kibboets. Yitzhak Zuckermann (1915-1981) had een leidende rol gespeeld tijdens de opstand in Warschau. Zijn ‘nom de guerre’ luidde Antek.43 De moord op de Europese joden werd in Lohamei haGettaot herinnerd in het museum Beit Katznelson44, beheerd door Mirjam Novitch uit Wilna.

Verderop aan de kust bevond zich het dorp Shavei-Zion (‘zij die terugkeren naar Zion’), gesticht door joodse vluchtelingen uit het Duitse Rexingen. Aan de kustweg lag de enige plaats die zijn Arabische bevolking behouden had: Mazra’a, een oud dorp dat in 1799 bezoek had gehad van Napoleon. Ten noorden daarvan lag de in 1945 gestichte kibboets Evron. Hier woonde de schrijfster Hayka Grossmann. Het grotere Nahariya, vanaf 1934 opgebouwd door Duitse joden en inmiddels met 6000 inwoners, was gelegen aan de Middelandse Zee. Beit Ha’Emeq (‘huis van de vlakte’) bevond zich verder naar het oosten. Deze kibboets was in 1949 opgericht door immigranten uit Groot-Brittannië.45 In de buurt lag het door Jemenitische joden bewoonde Amqa, op de plek van een vroeger Arabisch dorp. In een later stadium opperde Khayr tevens de mogelijkheid om een olijfboomgaard te verkopen op een heuvel bij Kafir Yasif. Bernath en Pilon achtten die plek echter minder geschikt: ‘Er liegt zu nahe an den bestehenden arabischen Siedlungen und den jüdischen Kibutzim.’ Zij wilden juist enige afstand, om in alle rust hun eigen gemeenschap op te kunnen bouwen.46

De wet op de Israëlische nationaliteit van 1952 maakte het op voorwaarden mogelijk dat Arabieren staatsburger werden. Ze verkregen dan tevens het stemrecht. Van volledige gelijkheid was echter geen sprake. De in de streek nog aanwezige plaatselijke Arabieren stonden onder controle van het militair gezag. Ze konden zich niet vrijelijk bewegen. De meerderheid werd ‘geconcentreerd’ in het centrum van Akko, in Mazra’a of verder naar het oosten in Kafr Yasif en Abu Sinan. Velen ‘geconcentreerden’ waren present absentees: inwoners van Israël, maar zonder recht op het huis dat ze daar bezeten hadden in 1948. Khayr had confiscatie weten te ontlopen, mogelijk omdat hij een druze was. Zijn land in de vlakte lag echter als een eiland te midden van grond van de kibboetsim. Tussen de joodse nederzettingen aldaar en de Arabische en druzische dorpen in de heuvels bestond nauwelijks contact. Over de woonplaats van Khayr hielp de Guide Bleu Pilon weinig verder, behalve dan door op te merken dat het er schilderachtig was: ‘à l’intérieur des terres, villages druzes et arabes tres pittoresques: Kfar Yasif, Abou Sinan, Makr, Joudeida, Joulis, Yirka.’47

Een ding stond als een paal boven water: het eigendomsrecht van de vruchtbare bodem in de vlakte van Aser had drastische wijzigingen ondergaan. Simha Flapan, hoofd Arabische zaken van de marxistische Mapam-partij erkende dat volledig:

Vast areas of both cultivated and uncultivated land were deserted as a consequence of the 1948 war. The Military Administration set about to transfer them into state property. These lands did not include only the refugee property which was transferred to the Custodian for Abandoned Property and later to the Development Authority. Security considerations also prompted the establishment of settlements in vulnerable areas in the vicinity of Arab villages whose inhabitants had not left the country. For this purpose land was confiscated from these villages by various means, which were subsequently legalized in the Land Requisition (Acquisition) Act of 1953.

The Israeli public still recalls the stormy discussion in the Knesset and the press on the legality and correctness of these measures. The measures, however, were so effective that there are still nearly 20.00048 Arab “absentees” living in Israel, who enjoy all the rights granted to all citizens, except one: to regain their former possessions. In addition to this, the lands of many villages have been cut down to a minimum to make possible the establishment of new settlements around them.

As a result, many of the villages have become a reservoir of landless peasants or smallholders who must make a living as hired workers outside the village. If they were allowed to move freely, thousands of Arab villagers would probably have left their village for good, and settled in areas with opportunities for permanent employment, especially in industry and the building trades. This process could not take place, however, because of the Military Administration, which imposed severe restrictions on movement and prevented changes of residence. These restrictions were partly prompted by the desire to prevent the labour market from being flooded by cheap and unorganized Arab labour.49

Stuk voor stuk speelden deze problemen een rol in de streek waar Bernath en Pilon een christelijke kibboets overwogen. Het was een publiek geheim dat Lohamei HaGettaot, Regba, Amqa en Beit HaEmek dit resterende Arabische blok graag bij hun eigen akkers wilden trekken. De mogelijkheid van onteigening op basis van de op 10 maart 1953 door de Knesset aangenomen Land Acquisition Act, waarbij een compensatie betaald zou worden op grond van de nominale waarde op 1 januari 1950,50 bungelde als zwaard van Damocles boven het hoofd van de sjeik. Toepassing van de Land Acquisition Act in Maz'ra had er voor gezorgd dat dit dorp van de 312 hectare landbouwgrond in 1945 maar dertig hectare overgehouden had.

‘Village lands’

De ‘village lands’ van Abu Sinan waren op de een of andere manier persoonlijk eigendom geworden van Khayrs overleden vader Salman. Dit proces, waarbij oorspronkelijk gemeenschappelijke gronden deels of volledig op naam kwamen te staan van één eigenaar, had zich vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw voorgedaan in heel Palestina. De gang van zaken is beschreven door Harms en Ferry. Het merendeel van de bevolking op het platteland bestond uit fellahin, kleine boeren. Toen de Ottomaanse regering overging op modernisering (Tanzimat) kwamen deze mensen in moeilijkheden. Schaalvergroting veronderstelde een kapitalistische economie en verhoogde belastingopbrengsten. De landwetten van 1858 bevorderden met het oog daarop het privé-eigendom van de grond, zodat elke eigenaar afzonderlijk kon worden aangeslagen. In menig opzicht leek dit beleid op de enclosures in Groot-Brittannië in de 18e eeuw en de opheffing van de gezamenlijke markegronden in Nederland in de 19e eeuw. Nog meer dan in Europa veroorzaakte dit beleid in Palestina problemen voor de kleine boer, de fellah:

In an effort to regulate landholdings, the new code of 1858 demanded that land be attached to a clear title or deed of ownership, thus ensuring a direct and easy system of taxation. Thought this policy was instituted slowly, over the course of decades, it eventually had a profound effect on landholding patterns in the region. As peasants often could not withstand the imposed tax burden, the fellahin frequently registered their lands with wealthy notables and village shaykhs, who would then in turn pay the taxes. Doing so also kept a family's name of the tax rolls, the means by which the Ottomans used to find and conscript children into the military.

All the same, the fellahin continued farming with the presumption that their rights to the land had not changed. Registration was thought of merely as a formality. (…) Eventually, however, it started to become apparent that this registration wasn't just so much paperwork. The fellahin claim to the land was caught in a lose-lose predicament: register your family and risk losing the land owing to insufficient means to pay your taxes, or have a landlord register for you and risk losing the land through purchase to a third party.51

In Abu Sinan woonden fellahin die hun aandeel in de ‘village lands’ hadden geregistreerd. Het merendeel stond echter op naam van Abdullah Khayr. Waar die zijn zinnen op had gezet bleek duidelijk: ‘purchase to a third party’. Uiteraard zou dit consequenties hebben voor de plaatselijke bevolking, net als het geval geweest was bij de zionistische landaankopen in de vroege twintigste eeuw:

The land available for purchase was for the most part large estates held by wealthy effendis (…). Purchasing land from them required the expulsion of tenants who until then had cultivated and lived on it.52

Het landbezit in een Arabisch of druzisch dorp kon verschillende vormen aannemen, die waren vastgelegd in de Ottomaanse tijd. Molk was privébezit (‘mainly in the cities’), Miri in erfpacht uitgegeven grond van de staat, Matruka waren markegronden (‘cannot be sold since it is for communal village use such as pasture’), Miwat (woeste grond), Mushaa (‘the common property of the village, which generally grants it for two years periods to those sharing in ownership), Deshiflik (verpacht regeringsland) en gronden van de Waqf (voor religieuze en liefdadige doelen).53 Voor zover uit de bronnen valt op te maken ging het in de onderhandelingen met Bernath en Pilon om Matruka- of Mushaa-gronden, die de status hadden gekregen van Molk. Khayr beschikte zeker over een motief om te verkopen – liever dat, dan in de toekomst een mogelijke onteigeningsprocedure onder de Land Requisition Act. Maar kon de agrarische economie van Abu Sinan wel zonder die ‘village lands’? Verkoop ervan zou het perspectief van de pachters en arbeiders van de sjeik er niet rooskleuriger op maken. Hun wachtte dan het weinig benijdenswaardige perspectief van wat Simha Flapan de massa van ‘cheap and unorganized Arab labor’ noemde. Bernath en Pilon beschouwden deze kwestie echter als een deel van de verantwoordelijkheid van de sjeik.

Een mogelijk verlies van een deel van de ‘village lands’ was geen goed nieuws voor de in 1948 in Abu Sinan geconcentreerde moslims. Verdiensten als landarbeider betekenden voor hen vrijwel de enige manier om het hoofd economisch boven water te houden. In 2012 vertelde de in 1930 geboren Hussain Ali Mubarki daarover. Nadat zijn familie in 1948 was verdreven uit het ontruimde dorp al-Nahr54 was hij terecht gekomen in Abu Sinan. Het was een dorp nog zonder waterleiding, waar de regen in de natte tijd werd opgevangen in cisternen. In de mandaattijd had de helft van de bevolking daar bestaan uit druzen, en de andere helft uit christenen. Na 1948 werden moslims als Mubarki uit de kuststrook ‘geconcentreerd’ in Abu Sinan – niet tot onverdeeld genoegen van Khayr. Mubarki bezat in 2013 geen gedocumenteerde gegevens over de ‘village lands’ van de sjeik, maar wist wat er in de jaren vijftig over werd gezegd: dat de familie Khayr die grond had verkregen van dorpelingen die niet in staat waren om hun belastingen te betalen of die in de Turkse tijd onder hun dienstplicht uit probeerden te komen. De pachters van de sjeik verbouwden er watermeloenen, honingmeloenen, sesam en diverse graansoorten.55

Rafiq Farah merkte op dat Arabieren, voor zover niet druzisch, vanuit Kafir Yasif en Abu Sinan geen toegang tot deze velden hadden. Ze stonden onder militair bestuur. ‘The movement of people was totally controlled.’ Om zich verder dan drie à vier kilometer van hun eigen dorp te verwijderen was een pasje nodig. Toegang tot het terrein werd zo voor menigeen bemoeilijkt of zelfs onmogelijk gemaakt.56 Vrij algemeen werd aangenomen dat de sjeik in een positie gemanoeuvreerd zou worden waarin hem weinig anders restte dan de grond van de hand te doen aan de omliggende kibboetsim. Nu deed zich echter een andere mogelijkheid voor: verkoop aan een geïnteresseerde christelijke partij.

Bespreking in de zomer van 1959

Pilon zocht Khayr in juni op in gezelschap van Jacob Blum van de ihca en Rafiq Farah. Hoe om te gaan met een sjeik? Literatuur daarover was moeilijk te vinden en doorgaans gedateerd. Het best bekend aan Pilon was het boek dat de gereformeerde staatsman en theoloog Abraham Kuyper (1837-1920) geschreven had over zijn reis door het Ottomaanse Rijk in 1905-1906. In Om de Oude Wereldzee kwam een paragraaf voor over de druzen, ‘wier krijgshaftigheid hen nimmer in de steek laat, en die bijna niet te regeeren zijn’. Kuyper bewonderde hun geletterdheid, ook onder de vrouwen. Toch had hij niet veel met de druzen op:

Met een Mohammedaan redeneeren ze uit den Khorân, maar hebben ze met een Christen te doen, dan slaan ze een Bijbel open, en in hun hart meenen ze noch het één noch het ander, maar blijven bij hun eigenaardige, zonderlinge denkbeelden.

(…) Ze zijn in zooverre Deïsten, dat ze aan geen inwerking van God op het leven noch aan een inwerking van den mensch op hun God gelooven. Ze bidden daarom nooit, en kennen evenmin het vasten. Ze hebben zeven geboden, waarin de eerlijkheid voorop staat, maar die geboden zijn alleen verplichtend tegenover hun eigen geloofsgenooten. Tegenover den vreemdeling en tegenover de mede-inwoners van een andere religie zijn ze geheel vrij.57

Philip J. Baldensperger schetste in zijn Immovable East een beeld van de inheemse inwoners van Palestina (1913). Hij schreef met empathie over de Arabieren. Modernisering viel van deze mensen echter niet te verwachten – die zou van de zionisten en van het Westen moeten komen. ‘The days of Fellah Sheikhdom are over’, had Baldensperger opgemerkt.58

In de moderne staat Israël gold dat meer dan ooit. Hoe Khayr daarvan te overtuigen? De Amerikaan Harry Franck (1881-1962) gaf een tip in zijn boek The fringe of the Muslim World (1928). Overleg met de ‘excitable races’ van het Midden-Oosten moest door de rationele zelfbeheersing van de westerling in goede banen geleid worden, wilde er sprake zijn van resultaat. Van de Arabische partij kon het nodige theater worden verwacht. Het beste was zich daar niet al te veel van aan te trekken, maar vast te houden aan het doel. De traditionele wereld van de oosterling zou zich hoe dan ook moeten leren verhouden tot een nieuwe realiteit. Franck vermeldde welke volken de beste kwaliteiten bezaten om met Arabieren en ‘raiding Druses’ tot zaken te komen: ‘the phlegmatic English’ en ‘the stolid Dutch’.59 Of Pilon nu rechtstreeks bekend was met het werk van Franck of niet, hij hield zich aan diens adviezen. Onwelwillend was hij niet, maar hij wekte evenmin de indruk dat hij de sjeik geheel als zijn gelijke beschouwde. Wél was hij zich ervan bewust dat de verkoop gevolgen zou hebben voor diens dorpsgemeenschap. Hoe daarmee om te gaan was echter een verantwoordelijkheid van Khayr zelf, mocht de transactie ooit werkelijkheid worden. Stond de sjeik onder druk om te verkopen, dan wad dat des te beter.

Blum toonde geen belangstelling voor welke Arabische of druzische achtergrond dan ook. Hij was in een orthodox joods gezin geboren in Rosh Pina. Aan Kreider vertelde hij in zijn jeugd stenen door de ramen van christelijke huizen gegooid te hebben, maar sinds zijn bekering tot ‘Yeshua’ als een verrader beschouwd te worden. Hij stamde naar eigen zeggen af van de beroemde joodse gemeente in Safad in de zestiende eeuw, zou voor zijn bekering gestudeerd hebben in een jeshiva, had in Nederland gewoond, verzeilde vervolgens in Italië maar werkte inmiddels in Jeruzalem voor de ‘American Messianic Fellowship’. Tot Blums takenpakket behoorde ‘an extensive visitation ministry to disciple believers scattered throughout the land, living mainly on the agricultural settlements’.60 De hervormde predikant Israël Tabaksblatt omschreef hem als een ‘scharrelaar’.61 Blum hield met het maken van

radioreportages en allerlei baantjes zijn hoofd boven water, in geval van nood met het tekenen van portretten op straat. Gemakkelijk was dit bestaan allerminst, tussen jodendom en christendom in en eigenlijk nergens thuis. Muller-Duvernoy karakteriseerde Blum als ‘un pauvre homme qui a besoin d’amitié et de soutien’.62 In diens tamelijk eenvoudige wereldbeeld speelden Arabieren geen rol: het waren mensen die niet thuis hoorden in het land dat God aan de joden hadden beloofd. Van Khayr wenste Blum maar één ding: dat die op een nette manier van het toneel verdween.

Rafiq Farah, ‘de Arabische dominee’, had een zwaar hoofd in een gesprek tussen zulke verschillende partners. Hij was een bekende van Hans Bernath, in 1921 geboren in Shefaram (Shefa Amr), ten noordwesten van Nazareth.63 Zijn grootvader had behoord tot de Melkitische Grieks-katholieke Kerk, maar ging in de jaren negentig van de negentiende eeuw over tot de Anglicaanse Kerk. Rafiq Farah was opgeleid aan de Bishop Gobat School in Jeruzalem, en had gedurende de Tweede Wereldoorlog theologie gestudeerd aan de Near East School of Theology en de American University in Beiroet. In maart 1948 werd hij tot predikant gewijd in de Evangelical Episcopal Community. Deze Arabische gemeenschap maakte deel uit van het anglicaanse aartsbisdom in het Midden-Oosten, maar genoot door allerlei juridische complicaties geen erkenning van de zijde van de Israëlische overheid.64 Farah's eerste kerkelijke gemeente werd de parish van St. John the Evangelist in Haïfa. Het was een ontredderde gemeenschap, waarvan de meerderheid met de vorige predikant naar Libanon gevlucht was. In Israël waren er nog ongeveer negenhonderd leden. De overgebleven Arabieren van Haïfa waren daar op bevel van de overheid in één wijk geconcentreerd, Wadi Nisnas.

Rafiq Farah werd in de jaren vijftig voorzitter van de Arab Anglican Community in Israel en de Society for the Defence of Arab Minority Rights in Israel. Hij redigeerde bovendien het maandblad al-Akhbar al-Kana’isiyya, dat vanaf 1957 Al-Ra’id (‘de pionier’) heette. Al-Ra’id stelde politieke kwesties aan de orde, waardoor het zelfs door moslims gelezen werd.65 Aan Farah was de pastorale zorg toevertrouwd over de anglicanen in West-Galilea, onder meer in het naast Abu Sinan gelegen Kafr Yasif. Zijn echtgenote was de in 1923 in Nazareth geboren onderwijzeres en schrijfster Nadjwa Qa‘wār (Kawar). Zij was de auteur van novellen en verhalenbundels als ’Abiru al Sabil (The Passersby; Beiroet 1954) en Durub Masabih (Lamp Paths; verschenen bij de Al-Hakim uitgeverij in Nazareth in 1957).66 Haar werk trok ook bij joodse lezers aandacht.67 Later in zijn leven zou Rafiq zelf bekendheid krijgen als auteur van A History of the Anglican Church in Jerusalem 1841-1991.68

Tijdens de ontmoeting met Khayr op 10 juni 1959 voelde Farah zich doodongelukkig. De taal was het probleem niet, want de sjeik sprak prima Engels. De moeilijkheden zaten in het verschil van perceptie. Pilon constateerde met genoegen dat Khayr blijkbaar onder druk stond om te verkopen. Dat bood perspectieven, al zouden de onderhandelingen ongetwijfeld de nodige tijd gaan duren. Blum had maar één wens: zo gauw mogelijk het land in handen te krijgen. Volgens Farahs broer Shafik, eveneens Anglicaans predikant, waren zowel Pilon als Blum onbekend met ‘the particularities of local customs’.69 Het verslag van Pilon beschrijft Khayr als een man die rustig in de gewenste richting gemanoeuvreerd moest worden. Om met Harry Franck te spreken, Pilon onderhandelde ‘phlegmatic’ en ‘stolid’. Zijn indruk van Khayr was snel gevormd: een man van boerenslimheid, ‘excitable’. Hij legde de sjeik de uitspraak in de mond dat die best christen wilde worden, wanneer dat in zijn kraam te pas kwam. Of Khayr deze uitspraak ooit zo heeft gedaan valt niet meer te achterhalen – Rafiq Farah herinnert er zich niets van. Het is denkbaar dat Pilon dit element van zijn beschrijving eenvoudig aan Kuyper ontleende. Toch waren er serieuze zakenvoorstellen ter tafel gekomen:

The outcome of our talk was a surprise. We told him that payment for his land in foreign currency was impossible without the consent of the Israeli Government, and that all had to be an open deal and juridically straight.

He then answered, that he was a qualified lawyer himself and he knew the position. But that he was perfectly willing to receive the money in Israeli currency. He said that in the first place he was interested that the plan would materialize and the moshav established. He would go to the government himself and settle the deal.

We said that in that case, if we understood him well, there would be no question then of any secrecy whatsoever and that he would permit us to tell to everybody we want to, in Israel and outside the country, that ‘Sheikh Abdullah Khayr of the village of Abu Sinan wants to sell land to Christians abroad for the establishment of a Jewish-Christian settlement’? He said that we were perfectly free to do that.

‘How would his own people react?’ we asked. He said that he would stay close to us to establish the settlement as long as necessary and that he expected more from the Christian religion than from his own (Druze) religion. ‘Maybe one day I might become a Christian myself’, he said.

‘Door de uitkomst van het gesprek waren we zeker verrast’, aldus Pilon. ‘Zou het kunnen dat bij deze man inderdaad iets meer zit dan alleen maar materiële oogmerken? Maar hij is een geboren diplomaat, dus moeten we afwachten.’70 De sjeik deed het volgens Pilon voorkomen alsof hij door zijn universitaire opleiding in Beiroet van de dorpelingen van Abu Sinan was vervreemd. ‘In dit grote paleis waar ik nu woon voel ik mij niet gelukkig’, zou hij opgemerkt hebben. ‘Ik houd van mijn mensen en zij houden van mij. Maar ik voel mij door mijn opvoeding van dit milieu vervreemd.’71 Blum en Pilon waren vooral geïnteresseerd in het zakelijke gedeelte van het gesprek:

With this development, the whole affair has quite unexpectedly entered in a new stage: we can take action freely and openly and we may use every publicity which is needed. I will summarize the position as it stands now.

Sheik Abdullah is offering 1000 dunams of land. Of this, 700 dunams is of first quality, good for agriculture. Price: IL 450 per dunam, making IL 315.000 for the 700. Besides, there is 300 dunam of minor quality for building purposes: price IL 150 per dunam, makes IL 45.000. The total sum required is IL 360.000. This price to European standards is very high, but to Israeli standards it is quite reasonable. Other land close to Akko of less quality we find priced higher.

Duizend dunam kwam overeen met 250 acres, iets meer dan een km2. De waarde van een Israëlische lira kwam ongeveer overeen met twee Nederlandse guldens. Rafiq Farah had zich in de discussie gemengd met de vraag of ook christelijke Arabieren in de nederzetting opgenomen konden worden. Pilon had die suggestie vriendelijk afgewimpeld:

We thought that as a matter of principle this certainly could be so.72

Rafiq realiseerde zich dat Pilon een ander doel nastreefde dan hijzelf. Zijn eigen hoop was dat westerse christelijke presentie in Galilea de vreedzame campagne zou steunen voor het opheffen van het militaire bestuur over de Arabische inwoners van Israël, dat hen in feite tot tweederangsburgers maakte:

We feel that the Arabs of Israel should no longer be dealt with as second class citizens, nor should their collective future be left hanging till some change takes place in the relations between Israel and the Arab states. It is neither moral nor legal nor logical for Israel, as a democratic state, to brand its Arab citizens as political enemies or to think of them in the mass. We therefore strongly support those individuals and parties who advocate the abolition of Military government. I think that peace will be brought closer by treating the Arab citizens of Israel as citizens with full rights and duties.73

Het was duidelijk dat Blum en Pilon op dat moment in beslag werden genomen door andere zaken. Het verloop van het gesprek kennen we slechts uit de weergave van één deelnemer: Pilon. Het effect wordt echter meegedeeld door de familie Farah: Khayr was diep beledigd. Pilon vermeldt dat bekering tot het christendom aan de orde was gesteld door de sjeik zelf. Wanneer dit juist is, kan het nauwelijks anders of de betreffende opmerking is door Khayr in sarcasme gemaakt. Wanneer een man in zijn positie zelfs maar zou overwegen het druzische geloof op te geven zou dat neerkomen op een ultiem verlies van eer. Een andere mogelijkheid is dat Khayr een vorm van taqiyya hanteerde. Taqiyya kwam erop neer dat druzen in contact met niet-druzische machthebbers ‘sought to blur their distinctive traits by outward assimilation’.74 Inzet van een dergelijk middel duidde echter wel op een noodsituatie.

Wat er die dag precies gezegd is en door wie laat zich niet meer vaststellen. Wél duidelijk is dat noch Pilon noch Blum ook maar een idee had van de achtergrond van de druzen. Was het inderdaad de sjeik zelf die bekering tot het christendom én zijn eigen mogelijke vertrek uit Galilea aan de orde stelde? Sitarih Khanum zou Pilon hebben kunnen vertellen dat dit brisante thema's waren: No Druze family would suffer dishonour. No Druze, either man or woman, can with impunity break any of their religious laws. Khayrs impressie van Pilon was die van een christelijke zendingsarts, zowel belust op de zielen van de druzen als op hun land. Pilons impressie van Khayr was die van een ‘oude vos’, een vos met streken.75 Men kan zich afvragen in hoeverre dit beeld overeen kwam met de werkelijkheid en in hoeverre het ontleend was aan stereotypen in het werk van Kuyper. ‘Het geeft niets of men met hen disputeert’, had Kuyper over de druzen geschreven. ‘Schijnbaar zijn ze altoos toenaderend, maar dit is schijn zonder wezen, en steeds verbergen ze hun eigenlijk geloof en eigenlijk bedoelen achter den sluier der diepste geheimzinnigheid.’76

Khayr en Pilon kwamen uit volstrekt verschillende werelden. Geen van beide mannen wist iets van de achtergronden van de ander. Voor zover valt na te gaan was geen van beiden daar ook bijzonder in geïnteresseerd. Fricties vielen zo niet te vermijden. Toch konden de partijen niet om elkaar heen. Voor Pilon was Khayr de enige mogelijkheid om aan het land te komen voor zijn gedroomde christelijke moshav. Voor Khayr leek Pilon de enige kans om te ontkomen aan gedwongen onteigening van zijn land in de vlakte van Aser, waarop door de kibboetsen van Lohamei haGettaot, Regba en Beit haEmek al zo lang werd aangedrongen bij de Israëlische overheid.

‘Het volkje der druzen’

Pilon had zijn eigen agenda: het door koop verwerven van het land van Khayr, ten behoeve van een nieuwe verstandhouding van christenen en joden. De achtergronden van wat Grolle omschreef als ‘het volkje der druzen uit Galilea’ waren en bleven hem vreemd.77 Ondanks Indonesië keek Pilon in Israël met de ogen van een Europeaan. Zijn blik werd bepaald door de Bijbel, door de bezettingsjaren in Amsterdam en door een diepgevoelde wens om bij te dragen aan een betere toekomst voor de joden en een betere verstandhouding tussen hen en de kerk. Zo als Shlomo Sand opmerkt werd deze blikrichting versterkt door het gezien hebben van de Endlösung. Ook zonder dat lagen de wortels ervan in de reformatorische traditie. De protestanten die vanaf de zestiende eeuw aandacht hadden gegeven aan het Heilige Land deden dat uit belangstelling voor de Bijbel, voor de wortels van het christendom en voor het joodse volk dat zo nauw verbonden was met het ontstaan daarvan. De verhouding met de Arabieren was niet slecht, maar de druzen en moslims stonden eenvoudig niet in het centrum van de belangstelling van de doorsnee protestant:

True, they were forced to negotiate with the local rulers, but the rank-and-file tillers of the soil did not, in effect, exist for them. Their disregard for the Arab population (…) had a direct impact on the evolution of the Orientalist gaze that would develop in Western intellectual circles.78

Zelfs hoger opgeleiden als Farah en Khayr werden vanuit deze optiek als relatief ‘eenvoudige’ mensen beschouwd, een waardeoordeel dat nog sterker gold voor de man in de straat. Richard Pilon:

Arabieren hielpen mee bij het onderhoud van het ‘Scotti’, het Schotse ziekenhuis in Tiberias waar mijn vader werkte. Maar inhoudelijk hadden ze minder te bieden dan de joden, eenvoudig omdat ze zoveel minder onderwijs genoten hadden. Als er met de handen gewerkt moest worden ging mijn vader als gelijke om met de Arabische tuinlui. Maar in intellectueel opzicht was het toch anders, de in het westen opgeleide azhkenasische joden hadden gewoon een hoger niveau.79

De Schotten hadden weinig op met de geheimleer van de druzen. Hun verering voor al-Hakim was bekend, en uitgerekend deze kalief had in 1009 de Heilig Grafkerk in Jeruzalem vernield. ‘Al-Hakim, who was assassinated by orders of his own sister, was clearly as mad as a hatter.’ De druzen golden als boerenvolk uit de heuvels, met een dubieus geloof. Het is niet ondenkbaar dat Grolle en Pilon in Tiberias iets meekregen van dit waardeoordeel. ‘A fine-looking race of mountaineers’, aldus Henry Vollam Morton (1892-1979), ‘but it is scarcely surprising that their Christian neighbours have attributed to them dark and horrible practices.’80

Zo heeft Pilon zich nooit uitgelaten over de sjeik, die hij eerder een soort boerenslimheid toeschreef. Khayr kreeg geen moment het gevoel dat Pilon en Blum hem beschouwden als hun gelijke – integendeel. De voorzichtige interventies van Rafiq Farah hadden deze indruk niet weg genomen. Khayr wilde het contact enkel voortzetten als uitwijkmogelijkheid in geval van een Israëlische onteigening van zijn grond.

Farah vroeg aan Hans Bernath in Nazareth om als bemiddelaar op te treden. Anders dan Pilon en Blum sprak Bernath Arabisch en kende hij de sociale codes van de Arabieren. Farah's broer Shafiq beschrijft hoe Bernath sjeik Khayr overreedde om de onderhandelingen niet af te breken:

Reverend Rafiq Farah of Haifa put Hans [Bernath] in contact with a Group of Christians from Holland (…) who had the idea to buy land in the Galilee to establish a Chrsitian settlement there. Their desire was to build a bridge between Jews and Christians. They had approached [Abdullah Khayr], but not knowing the particularities of local customs, they angered the sheikh who withdrew his offer. Rafiq was sure that Hans would be able to mend the relations. The sheikh had indeed been a patient at the Nazareth Hospital. His father [Salman], about eighty years old, had come to the hospital a year before with a broken forearm, the bone sticking out of the torn abayeh sleeve. The material of his garment was tightly stuck to the end of the bone – a rather frightening picture.

The astonishing recovery without infection impressed the whole clan. Hans attributed the complete recovery of the sheikh's father to the splendid condition of the patient rather than medical skill. The accident had opened the way for an excellent relationship with the family. Hans accepted Rev. Farah's suggestion, and the sheikh's invitation. After three or four visits, Hans attempted to come to the subject of the intended land sale. At first the sheikh expressed anger over the approach of the Dutch buyers, but finally he consented to see them again on the condition that doctor Bernath would be present as guarantor to an honest, non-aggressive deal.81

Internationale Aktiengesellschaft Nes Ammim

De ‘Gesellschaft, die in Israel als Käufer des Landes auftreten wird’ zou gevestigd gaan worden in Zwitserland. De aandelen zouden verdeeld worden over de deelnemende landen en wellicht ook individuele investeerders.82 Twee jaar na de bespreking met Khayr was het benodigde bedrag van naar schatting een miljoen Zwitserse francs nog lang niet voorhanden: ‘Wir haben jetzt in Holland 150.000 Gulden, in der Schweiz rund 30.000 Francs.’ Niet voor niets werd gehoopt op spoedige Duitse ‘Mithilfe in dieser sehr grossen Aufgabe’.83

Ondanks de financiële onzekerheid zette Nes Ammim door. Jakob Bernath werd president van de ‘Internationale Aktiengesellschaft’. De oprichting vond op 16 november 1961 plaats in Zürich. Beurkundigung volgde een dag later, in het Israëlische Generalkonsulat. Nog weer drie dagen later vlogen Bernath, Minnaar en Pilon naar Israël. Nes Ammim AG zou gaan optreden als ‘das ausführende Organ der Vereine’. Anders dan aanvankelijk gepland, kwam het ‘internationaal hoofdkwartier’ niet naar Rotterdam. Het bleef gevestigd in Zürich.84 Samen met twee landgenoten beschikte Bernath over een ‘Zwitserse’ meerderheid in het bestuur. De enige andere leden waren Bakker en Minnaar. De bedoeling was dat de Verenigde Staten en Duitsland eveneens een kwart van de aandelen op zich zouden nemen en dan eveneens vertegenwoordigd zouden worden. ‘With any country joining in the future, new members from these countries will be added.’85 Vooralsnog was de Amerikanse indruk dat de eigendomsrechten stevig in Zwitserse handen lagen.

Via de in 1949 uit Nederland geëmigreerde Joop Voet86, van de Union Bank of Israel in Tel Aviv, werd geprobeerd een gesprek van het bestuur met de Israëlische overheid aan te vragen. Voet nam daar telefonisch contact over op met Arnon.87 Het ontwerp van de koopovereenkomst zou moeten worden goedgekeurd door het ministerie van Financiën.

‘Tenslotte is 80% van de Israëliërs liberaal!’

De publiciteitscampagne kwam in 1961 op gang. Namens de Nederlandse Christelijke Radio-Vereniging (ncrv) kwam programmamaker Herman Felderhof naar Galilea, waar hij interviews afnam en opnames maakte van het land van de sjeik. De stemmen van de Bernaths, Bakker, Khayr en Pilon vielen vervolgens te beluisteren op de ncrv, afgewisseld door Israëlische muziek.

In Amsterdam werd op 20 december een persconferentie gegeven in het Bijbels Museum aan de Herengracht, in aanwezigheid van onder meer Frits Kuipers.88 Ko Minnaar behandelde de zakelijke kant. Hij legde de nadruk op de commerciële levensvatbaarheid: ‘Daar is iets moois van te maken (…). We rekenen er dan ook op, dat christelijk Nederland zal willen meehelpen.’ Zonder bij name genoemd te worden figureerde het geruïneerde Arabische al-Sumayriyya ook nog even in het betoog: ‘Voor de vestiging van industrieën is een zeer geschikt terrein aanwezig, gelegen direct aan de hoofdweg van Acco.’89

Na deze opening van zaken kostte het Henriëtte Boas weinig moeite om détails over de voorgenomen transactie met Andullah Khayr te achterhalen en die te publiceren in de Jerusalem Post. Of de sjeik daar blij mee zou zijn viel te betwijfelen, erkende Pilon:

Das kann ich mich vorstellen, da wahrscheinlich jetzt die Gegnern die es ungezweifelt gibt auf ihm losfahren werden. Wir müssten daher Hans [Bernath] fragen den Scheich bald zu besuchen um ihn zu stärken. Er fährt jetzt mit in unserm Schifflein und muss fühlen dass wir ihn nicht allein stehen lassen. Für den Scheich macht es auch die Verhandlungen mit den Dorfsleuten um die extra 400 Dunam viel schwerer.90

Aan ‘Gegner’ zou het de sjeik niet ontbreken. Het was bekend dat de joodse kibboetzim vonden dat hij er met een koopje van af kwam. Maar ook in Arabische kring groeide de oppositie: tegen het nog steeds verder gaande verlies van land, tegen het traditionele gezag van families als de Khayrs die niet in staat of bereid waren werkelijk iets voor de bevolking te doen. In Kafir Yasif, waar anders dan in het aangrenzende Abu Sinan een gekozen gemeenteraad bestond, was de overwinning in 1961 naar een coalitie van communisten en Arabische nationalisten gegaan. Yani Kustandi Yani, de leider van het ‘Arabisch front’, versloeg bij de verkiezingen de door het militair bestuur gewenste Mapai-kandidaat. Yani trok jongeren aan wier politieke denkbeelden snel radicaliseerden. Ze stichtten de beweging al-Ard (‘het land’), die terugkeer van alle vluchtelingen eiste.91 De onvrede was onder de moslims het grootst, maar ook onder een jongere generatie druzen rommelde het: ‘Young Druze serving in the Israeli army in return for preferential treatment by the Jewish state soon realized that in practice they were just as likely to be unemployed and marginalized as their Muslim or Christian brothers.’ Ze beschuldigden de leiders die in 1948 een akkoord gesloten hadden met de staat Israël van verraad aan hun eigen volk, van een ‘blood pact’.

Menigeen vroeg zich af of Khayr bezig was op een financieel zo aantrekkelijk mogelijke manier de aftocht te blazen uit een streek waar de bodem hem te heet onder de voeten werd.92 De sjeik stuurde Pilon niettemin een hartelijke kerstkaart uit Abu Sinan. Ambassadeur Cidor in Den Haag liet weten dat hij geen problemen voorzag. ‘Aangezien in Israël een volledige vrijheid van godsdienst bestaat, heeft de regering van Israël ook geen enkel bezwaar tegen de stichting van dit dorp op Israëlisch grondgebied.’93 Het leek erop dat de autoriteiten het project wilden laten doorgaan. Pilon maakte zich in dit stadium dan ook niet teveel zorgen over de te verwachten oppositie van de joodse orthodoxie. ‘We hebben de indruk, dat zij er buiten zijn gehouden en dat de top van de Mapai (partij van Ben Gurion) het heeft aangedurfd een en ander op eigen verantwoording te nemen. Tenslotte is 80% van de Israëliërs liberaal!’94

‘Neglected land’?

In januari 1962 werden via Ganon de leges vastgesteld voor de Israëlische overheid. Er bleek ook nog betaald te moeten worden voor een taxateur. Een andere ontwikkeling was de benoeming van Khayr door het Israëlische kabinet tot voorzitter van een nationale raad voor de tabaksproductie. In de Ottomaanse tijd had de overheid een monopolie op de verkoop gehad95, en uit die bepaling kwamen nog steeds moeilijkheden voort. Verbouw van tabak vormde een belangrijk onderdeel van de economie van druzische dorpen als Isfiyya en Daliyat al-Karmil. ‘Most of the council's members are from the Arab and Druse villages’, merkte de Jerusalem Post op, ‘which own about 75 percent of the country's 40,000 dunams of tobacco fields. (…) Mr. Kheir will preside over the council on behalf of the Agriculture Ministry while Mr. Ze’ev Carmi will serve as deputy chairman on behalf of the Finance Ministry.’96 Pilon berichtte er ironisch over, een toon hij nooit aansloeg als hij het over Israëlische functionarissen als Joseph Meïr of Shlomo Harari had:

De sheikh is een grote Piet geworden, krijgt een eigen bureau, wordt op 29 april officieel geïnstalleerd. Er komt een party met 200 à 300 genodigden in Tel Aviv, met o.a. minister Moshe Dayan.97

Diezelfde licht-ironische spot viel Abdallah Khayr ook ten deel van de zijde van de Israëlische pers. Niemand stelde zich de vraag wat het gevolg van de transactie was voor de dorpsgemeenschap van Abu Sinan. Erich Lehmann uit Nahariya beschouwde Khayr als een lepe plattelander, die een slaatje had weten te slaan uit een situatie waarin hij evengoed onteigend had kunnen worden. De sjeik had ‘das Geschäft seines Lebens gemacht’.98 Pilon besefte dat voor het afronden van het landbezit waarschijnlijk verdere onderhandelingen met de sjeik noodzakelijk zouden zijn. Hij voegde daaraan toe:

Der alte Fuchs wird seine Streiche nicht verloren haben. Es wird wohl kaum möglich sein den Scheich zu umgehen, er hat seine Ohren überall, und auch die Leute die ihn nicht gerne haben, scheinen doch am Schluss zu ihm zu laufen. Das haben wir immer gemerkt.99

De relatie van Khayr met Israël was niettemin verbeterd. Het jaar daarvoor hadden de druzen binnen Israël de door hen verlangde autonome status gekregen. Hun jonge mannen werden aangemoedigd om dienst te nemen in het leger, ondanks aanvankelijke protesten. Een criticus noemde de 30.000 druzen in de bergdorpen van de Karmel en Galilea een stel achtergebleven plattelanders.100 De autonome status gaf de druzen ruimte om zich naar eigen inzicht te ontplooien. Sjeik Amin Tarif uit Jūlis werd voorzitter van de druzische religieuze raad. De twee andere leden waren sjeik Kamel Mu’adi uit Yirka en de broer van Abdullah: sjeik Ahmad Kheir (Khayr) uit Abu Sinan.101 Diens broer Abdullah zou in 1964 voorzitter worden van het toen ingestelde gemeentelijke bestuur van Abu Sinan.

Het leek erop dat vertrek van Abdullah Khayr uit Israël van de baan was. Voet kwam er met hem over praten: ‘Hij heeft zeker vroeger emigratie overwogen en men kan vanzelfsprekend niet zeggen dat dit geheel uit zijn gedachten is, maar met de officiële functie heeft hij niet alleen een taak gekregen maar ook de waardigheid waarop hij zo zeer is gesteld.’ Voet dacht niet dat de koop nu nog zou afspringen.102 Khayr zou zijn grond ongetwijfeld verkopen, ‘aangezien hij denkt dat het verstandig is dit vrijwillig te doen zo lang dat nog mogelijk is, daar grootgrondbezitters in de toekomst wel eens gedwongen kunnen worden hun land af te geven voor productievere doeleinden’.103

Pilon had al in 1960 aan Khayr beloofd dat de het geld niet in termijnen maar in één keer zou worden betaald.104 Zou het er komen? ‘The wet long days of Israels winter appear to pass away and we look forward to the coming spring’, merkte de sjeik poëtisch op in het voorjaar van 1962.105 Nes Ammim besefte dat voor het sluiten van de koop aan leningen niet te ontkomen viel: ‘Mit nationalen Aktionen werden wir erst nach längeren Zeit Erfolg haben, daher müssten wir jetzt Anleihen machen.’.106 Allerlei complicaties hadden vervolgens voor vertraging gezorgd. Begin 1962 devalueerde de Israëlische munt, zodat 3 IL nu overeenkwam met 1 $. Er werd onderhandeld over 1500 dunam (114 hectare, wanneer men niet uitging van de Britse maar van de Ottomaanse dunam), ofwel ongeveer 260 acres. De Zwitsers hanteerden een eigen landmaat: 277 Jucharten.107

‘We hebben de indruk dat de instelling van de sheik is wezen niet veranderd is’, aldus Pilon, ‘hij wil nu alleen na de devaluatie weer over de prijs spreken.’108 Nes Ammim had zijn prijs verhoogd tot IL 540, maar de sjeik wees dat bod van de hand. Een overheidstaxateur stelde diens zenuwen op de proef door droogjes op te merken dat extensief gebruikt land van Arabische grootgrondbezitters onteigend kon worden door de Development Authority. In dat geval zou de Khayr IL 450 per dunam betaald krijgen door Keren Kayemet LeYisrael: het Jewish National Fund dat het nationale landbezit van Israël beheerde.

De opmerking van de taxateur was zeker actueel. Grond voor de nieuwe joodse stad Naserat Illit, naast Nazareth, was onteigend op basis van een Brits reglement uit 1943 (expropriation of land for public purposes). Sindsdien waren de wettelijke mogelijkheden daartoe verruimd.109 De Land Acquisition Law van 10 maart 1953110 had het mogelijk gemaakt om ‘neglected land’ te onteigenenen ‘for the purpose of advancing development, settlements or security’. Nieuwe eigenaar werd dan de Land Development Authority. De wet van 1953 was inmiddels aangevuld door de Israeli Lands Law, met nadere bepalingen voor het nationaliseren van privaat grondbezit.111 Deze ruilverkavelingwet was op 31 juli 1960 bij de Knesset ingediend door minister van landbouw Moshe Dayan. Op hooguit twintig kilometer van Abu Sinan werd in 1961 land van het Arabische Battour en Shaghur onteigend ten behoeve van de nieuwe Israëlische stad Karmiel.112 Waarom zou hetzelfde niet kunnen gebeuren in de vlakte van Aser?

De emoties liepen hoog op. Tijdens een gesprek in Abu Sinan op 24 februari werd de sjeik volgens Hans Bernath ‘recht agressiv’.113 In de slotfase werd onderhandeld tussen de sjeik en de doorgewinterde zakenman Bonda. Details als de wisselkoers tussen de Israëlische lira en het Britse pond sterling speelden daarbij een complicerende rol. ‘Der Scheich, der in eine panikartige Stimmung geriet, glaubte, durch die Abwertung nur noch 2/3 des ursprünglichen Preises zu erhalten und begann zu zögern.’114 Voor het onverhoopte geval dat de zaak op het allerlaatste moment nog zou afspringen ging Hans Bernath in februari tevens besprekingen aan met een Arabische landverkoper boven Haïfa.115

De vraagprijs, 1,1 miljoen Zwitserse francs, zou betaald worden door Nederland (60%) en Zwitserland (40%).116 Het geld was aanwezig, maar bestond voor een aanzienlijk deel uit leningen en voorschotten. De bedoeling was dat de kosten later vereffend zouden worden, doordat Zwitserland, Nederland, de vs en Duitsland ieder een kwart van de aandelen zouden nemen. De financiële participatie van de vs was echter hoogst onzeker. Later zou het erop neerkomen – na het uittreden van Amerika – dat vooral de Zwitsers en de Duitsers (mede door een grote bijdrage van de Rheinische Kirche) ervoor zorgden dat dit bedrag nadien werd afbetaald.

In december 1961 waren de laatste details voor de transactie geregeld. De sjeik meldde de voorgenomen transactie aan bij het Israëlische kadaster. Het Zwitserse aandeel in de koopsom kwam deels uit de opbrengst van de actie Brot für die Brüder. Er werd in Zwitserland onderhandeld over een ook voor latere jaren belangrijke vrijdom van belasting.117 Het nu onmiddellijk nodige bedrag kwam bijeen dankzij royale bijdragen van de Zwitser Jürg Keller (die 100.000 Zwitserse francs ter beschikking stelde) en in Nederland alweer Gravemeijer. Via Joop Voet, general manager van de Union Bank in Tel Aviv, werd het te sluiten contract ter goedkeuring opgezonden naar het Israëlische ministerie van financiën.118 Betaling van het Israëlische deel van de koopsom verliep via de Union Bank of Israel (Haïfa), die het vanuit Nederland en Zwitserland gestorte geld zou overmaken op de rekening van de sjeik in Tel Aviv.

Het jaar 1962 begon in Galilea kletsnat. Op het land van Khayr viel in januari meer regen dan anders in een heel jaar. Aan de Derekh Haatzmauth 47 werd advocaat en notaris Isaac Ganon ingeschakeld bij de juridische voorbereiding van het koopverdrag. Een concept-acte diende te worden voorgelegd aan het ministerie van Financiën, dat schriftelijk toestemming zou moeten geven om met de procedure door te gaan.119

Later werd gesteld dat het bij aanschaf om ‘neglected lands’ gegaan zou zijn, ‘niet-ontgonnen land’.120 Dat lijkt onwaarschijnlijk. Toen de pioniers uit Zwitserland arriveerden had de grond overduidelijk een periode braak gelegen, maar wat was daarvan de reden? Hadden de fellahin in de jaren vijftig toestemming gehad van het militair bestuur om deze velden afdoende te bewerken? Vooralsnog is te weinig bekend over de boerenbevolking van Abu Sinan om deze vraag te kunnen beantwoorden. Wel is duidelijk dat de verkoop van de ‘village lands’ het einde van het agrarische karakter van het dorp bespoedigde. De bevolking nam razendsnel toe, landbouwgrond was beperkt voorradig, werkgelegenheid in het dorp zelf minimaal. Sommigen slaagden erin om een zaak of bedrijf op te bouwen in hun woonplaats, maar de meeste inwoners zouden vanaf nu aangewezen zijn op werk elders. Het was een proces dat zich overal in Galilea voordeed, maar in Abu Sinan werd het door de verkoop versneld:

Rural villages stopped being agricultural. They were now the residence of workers, employed and underemployed, mostly commuting to the Jewish areas. And in the village a middle class emerged.121

Protest uit de kibboetsim

In dit stadium viel niet aan te nemen dat de zaak nog langer geheim kon worden gehouden. De Nederlandse persconferentie in december 1961 bracht de zaak definitief in de openbaarheid. In de eerste weken daarna kwamen alleen al zestig serieuze aanmeldingen in Nederland binnen, van gekwalificeerde vaklieden die zich graag op Nes Ammim zouden willen vestigen. De Jerusalem Post ging erover publiceren, met de naam van sjeik Khayr erbij. De kibboetsim in de omgeving van Nes Ammim protesteerden dat zij zelf niet in de gelegenheid gesteld waren om een bod te doen op het land.122

Het Israëlische ministerie van Financiën gaf in augustus 1962 toestemming om, hangende een definitieve beslissing door de Knesset, met de praktische voorbereidingen door te gaan.123 De stemming in de Israëlische pers was echter verre van coöperatief. Hans Bernath werd om een interview gevraagd door Kol Jisrael, maar wist zich ‘aus dem Staube zu machen’. Rafiq Farah werd in de pers als bemiddelaar bij de transactie vermeld, terwijl hij nauwelijks meer gedaan had dan enkele keren te tolken bij de sjeik. Khayr en hij kregen boze reacties uit de Arabische gemeenschap, die het verlies van dit stuk land aan derden met lede ogen aanzag. Diezelfde kritiek richtte zich in Nazareth in januari tegen Hans Bernath:

Die nationalistischen Elemente unter den Arabern verlieren das Vertrauen zu mir, weil es eben doch, besonders im Bericht der letzten Woche, sehr einseitig pro-jüdisch dargestellt worden ist.124

Afsluiting van de koop van het land, mei 1962

De sjeik had Israël na het sluiten van de deal aanvankelijk willen verlaten, maar zag daarvan af toen hij tot voorzitter van de onder het Israëlische ministerie van economische zaken ressorterende tabakscommissie benoemd werd. Er was haast bij de koop, ‘from Scheich Abdullah Salman Saleh Khayr and through him from other persons’. Hoewel de bewaard gebleven documentatie daarover weinig details biedt, is de indruk dat hij onder druk stond van zijn eigen gemeenschap. Het belang van de gewone man, die er als pachter werkte, was niet meegewogen. ‘Der Scheich hat mit der Sache sehr viel böses Blut geschaffen’, aldus Hans Bernath later dat jaar.125 Te verwonderen viel dat niet. Kafr Yasif en Abu Sinan kenden nauwelijks nijverheid of industrie. De inwoners waren voor hun inkomsten vrijwel geheel aangewezen op loondienst elders of werk op het land.126 Het verlies van de voormalige ‘village lands’ was dan ook een stevige klap voor de lokale economie. Het alternatief bestond uit een bestaan als dagloner in Haïfa, voor zover men daar toegang kreeg.

De stukken zouden in april 1962 opgemaakt worden en bij het kadaster geregistreerd op 5 mei. Als financieel adviseur van sjeik Khayr trad een zekere Koussa op. De transactie betrof 1.128 dunam en moest worden aangemeld bij de districtsraad Ga’aton, waarvan een verklaring nodig was dat de ondertekenaars hun plaatselijke belastingverplichtingen hadden voldaan. De leden van de districtsraad zouden ongetwijfeld de omliggende kibboetsim op de hoogte stellen, en gevreesd werd dat die alsnog een poging zouden doen om de zaak te verijdelen.127 Pilon kwam over naar Israël. Hij verbleef bij Hans Bernath in Nazareth. Pilon genoot intens van de aanblik van het land: ‘The weather is exceptionally cool here for the time of the year, nature green and full of flowers.’128

Voor de koop had Nes Ammim-Nederland een lening van ƒ390.000 gesloten, tegen een rente van 5% en met een looptijd van iets meer dan een jaar.129 Polet benadrukte na afloop de rol van Minnaar bij het op tafel krijgen van de koopsom.130 Het bedrag werd per luchtpost naar Israël verstuurd, in de vorm van een door Minnaar getekende cheque. De zevende mei waren sjeik Khayr en Pilon bij financieel adviseur Joop Voet in Tel Aviv. ‘Wir hatten das Buch der Gesetze über Landkauf auf dem Tisch. Es zeigte sich, dass bei jedem Landkauf die Vorlegung des Kaufkontraktes und sogar eine Taxation des Grundstückes verpflichtet ist für die Durchführung beim Landesregisteramt.’131 Op 8 mei keek Pilon onderweg van Tel Aviv naar Nazareth naar de voorbereidingen van Yom Ha’atzmaut (onafhankelijkheidsdag, 5 ijar):

Das ganze Land hat sich bereitgemacht diesen Tag grossartig zu feiern. Tel Aviv und Haifa sind voll mit fahnen, ausserhalb Tel Aviv in den Dünen hat die Armee ein grosses Zeltenlager aufgeschlagen wo viele Tanks stehen für die Parade. Zwei Wochen haben die Truppen geübt auf der Allee wo man in die Stadt hereinkommt. Sogar Nazareth ist geschmückt mit Guirlanden von färbigen elektrischen Lämpchen. Der Militär-Gouverneurhat gestern eine Rezeption gegeben für alle Notabelen, einbegriffen das Corps Diplomatique und die Hauptlinge der Drusen und Araber.

Hans war auch dort um das Spital zu vertreten, er trat am selben Moment ein mit unserm unvermeidlichen Scheich Abdullah Khayr und seinem Folge. Das waren ‘my cousin sheikh Ahmed, the religious, and my brother sheikh Abu Soliman’, die für diese Gelegenheit fliessende weisze Tarbuschen neben den roten Kopfbedeckungen trugen.132

Op 11 mei kwam bij Pilon het bericht binnen dat de transactie van het land was goedgekeurd door de districtsraad Ga’aton. De door 701 (samen met 30.Alkahé geconcipieerde koopakte werd op 25 mei 1962 opgesteld. Het ging om twee eenheden land. De verkoop van het eerste deel werd op 30 mei ten huize van Rafiq Farah door sjeik Abdullah Khayr, Pilon en Hans Bernath in Haïfa getekend.133 De Schweizerische Kreditanstalt in Schaffhausen had het equivalent van 180.000 Zwitserse franc in Engelse ponden overgemaakt op een lopende rekening van Nes Ammim bij de Union Bank in Tel Aviv. De totale koopsom bedroeg £ 25.000, – pounds sterling voor percelen van £75 per metrische dunam (333.333 m2), plus IL 500.865,75 (vijfhonderdduizend achthonderdvijfenzestig Israëlische lira en 75 agoroth) voor percelen van IL 630 per metrische dunam (795.025 m2).134 In Zwitserse valuta uitgedrukt bedroeg het aan Khayr betaalde eindbedrag uiteindelijk 985.387, 65 frs. Daarvoor en voor de overige onkosten had Nederland 632.323 frs. opgebracht en Zwitserland 416.000 aan Nederlandse en 20.000 aan Zwitserse aandelen: 1099.024 frs.).135 De hiertoe gemaakte schulden zouden door de deelnemende landen zelf terug betaald moeten worden. Pilon beschreef hoe de overdracht van het eerste deel in Haïfa verlopen was:

Erst trafen wir uns um halb 9 bei Rafiq zu Hause: der Sheikh, Alkahé, Hans und ich um den Kaufvertrag zu zeichnen. Es war ein feierliches Moment und der Sheikh war unter dem Ein-druck. Er hatte sein bestes Kleid angezogen für die Gelegenheit. Er hielt nach der Unterzeichnung eine kurze Rede worin er sagte dass er es sich eine Ehre rechnete mit Nes Ammim ein Vertrag abgeschlossen zu haben und er denen das Beste für ihre weitere Entwicklung zuwünschte.

Dann gingen wir in den Bank, wo sich Baruch Chen bei uns fügte. Nachdem die Weise der Bezahlung geregelt war und der Scheikh ein Konto geöffnet hatte gingen wir ins Landregisteramt, wo die übertragung sehr glatt erfolgte, Dank sei den Vorbereitungen von Baruch Chen. Ich wollte dann telexen, aber von Haifa aus kann man nicht sofort Antwort erhalten, da die Zentrale in Tel Aviv ist.136

‘Ik kan me best indenken dat de sjeik behoefte gevoelde een passende toespraak te houden’, aldus het commentaar van J. Minnaar, de voorzitter van Nes Ammim-Nederland. ‘Van zijn kant bekeken is hij het heertje, ik heb de overtuiging dat hij boven de marktprijs heeft bedongen.’137

Het gekochte terrein besloeg uiteindelijk een oppervlakte van ongeveer 500 bij 1600 meter, en lag twintig meter boven de zeespiegel. In de regentijd werd het door een klein beekje doorstroomd. De zee lag op ongeveer 4 kilometer afstand, de haven van Haïfa op 25 kilometer. De neerslag was met 500 à 800 mm. per jaar hoog naar Israëlische maatstaven. Een waterpijpleiding met een doorsnee van 1,2 meter, gevoed door de bronnen van Akabri in het noorden, liep in de onmiddellijke omgeving. Op een Britse kaart uit de jaren veertig stonden de Arabische perceelsnamen: El Mansūr, El Buttuf, Esh Shuna, Ez Za’arir, Ard el Kalb.138

Zeker was dat de koop van het land een gewaagde stap betekende. Hoe gewaagd, blijkt wel uit de financiële planning die Jakob Bernath en Vital Hauser in augustus opstelden. Daarbij werd de volgende verdeelsleutel voorgesteld: 10% van de aandelen Nederland, 10 % Zwitserland, 20% Duitsland. 20% Amerika, 5% Scandinavië en 5% Groot-Brittannië. Voor de omslag van de lopende kosten: 9% Nederland, 6% Zwitserland, 35% Duitsland, 40% Amerika, 5% Scandinavië en 5% Groot-Brittannië.139 Er werd kortom zeer sterk op de vs gerekend, terwijl de mate waarin de Amerikanen zouden blijven participeren nog steeds onzeker was. Deelname van Scandinavië en Groot-Brittannië was een langgekoesterde wens, maar vooralsnog wees niets erop dat die in vervulling zou gaan.

Tot aan de koop was Hans Bernath onmisbaar geweest voor het welslagen van het project, eenvoudig omdat zijn participatie een eis was van sjeik Khayr. Menig Israëli had zich al verbaasd over de betrokkenheid van een arts uit het Arabische Nazareth bij een project dat zich speciaal toelegde op de relatie van christenen en joden. Vanaf nu was deze samenwerking geen dwingende noodzaak meer. Voor alsnog leek er echter geen vuiltje aan de lucht.

De omgeving veranderde. Abu Sinan kreeg op 16 februari 1964 een gemeenteraad. Er deden zeven lijsten mee aan de verkiezingen en de opkomst van de kiezers was hoog (93%).140 Khayr werd de eerste voorzitter. Een Franstalige bezoeker noemde hem een echte heer, en tegelijk een man die zich niet in de kaarten liet kijken: ‘courtois et souriant’.141 Van vertrek uit Abu Sinan of uit het land was niet langer sprake meer, al bezocht hij in 1964 Spanje en Zwitserland als toerist en voor zaken. Khayrs zoon diende in het Israëlische leger, en speelde er in de militaire band Tzahal. Binnen Nes Ammim was Hans Bernath degene die het meest regelmatig contact met sjeik Abdallah en diens broer Ahmad onderhield. Hij werd gevraagd om een noodzakelijk geachte operatie bij hun zuster uit te voeren, bij druzen een hoogst ongebruikelijke stap.142 Zelfs Bernath kreeg weinig zicht op wat er in Abu Sinan speelde, maar duidelijk was dat niet ieder daar gelukkig was met de verkoop van het westelijk deel de village lands in de vlakte van Aser. In het bijzonder sjeik Ahmed, wiens zoon in Rehovot landbouwkunde studeerde, uitte bedenkingen.143 Sinds de landdeal waren de problemen van Abdallah Khayr bepaald niet verminderd. De verkoop van de ‘village lands’ werd hem in het eigen dorp kwalijk genomen, met name door het islamitische deel van de bevolking. De van oudsher agrarische bevolking was gedwongen werk te zoeken in de Israëlische steden, met name in Haïfa. Van gelijkwaardigheid in de Israëlische samenleving was geen sprake, het voorzitterschap van de tabaksraad ten spijt. De joods-Amerikaanse hoogleraar Howard M. Sacher beschreef de druzen nog in 1976 als een achterlijke bevolkingsgroep, die om onnaspeurbare redenen en vorm van voorkeursbehandeling hadden weten te bedingen van de Israëlische overheid. ‘After fully two decades of Israeli solicitude, nevertheless, this inbred little sect-nation remained by choice an isolated and parochial backwater among the state's minority peoples.’144 Pilon bleef contact onderhouden met Khayr, maar op afstand. De beweegredenen om Nes Ammim te stichten hingen samen met de bewogen geschiedenis van joden en christenen in Europa. Van dát dramatische verhaal maakten de druzen geen deel uit.


1 E. Mills (ed.), Census of Palestine, 1931. Population of villages, towns and administrative areas. Government of Palestine, Jerusalem 1932, 99.

2 ‘The hamula, or larger family – based on patrilineal association – is kept together by kinship and several rights and associations.’ J.M. Landau, The Arabs in Israel. A political study, Oxford 1970, 8.

3 Laila Parsons, The Druze between Palestine and Israel 1947-49, London/New York 2000, 18-19. Het betreft een bekend druzisch bedevaardsoord, ten westen van Tiberias.

4 Yoel Bar, ‘Le millionaire druze voyage en autobus…’. Knipsel uit 1966 in: Archief Nes Ammim Galilea (ANAG).

5 Victor Guérin, Description géographique, historique et archéologique de la Palestine 3 (Galilée), Paris 1868, 21.

6 Geciteerd in: Ahang Rabbani, ‘Abdu'l Bahá in Abu Sinan: September 1914-May 1915’ (http://bahai-library.com/rabbani_abdubaha-abusinan).

7 Sitarih Khanum, The chosen highway, Wilmette (Illinois) 1940, 199. Bij Kafr Yasif bevindt zich tot op de huidige dag het heiligdom Maqam Sayyidina al-Khidr, beheerd door de Tarif familie.

8 Idem, 191.

9 ‘Druze society is divided in those who have been initiated into the secrets of doctrine, the ’uqqal, and those who have not, the juhhal. (…) They gather every Thursday in a meeting house (al-khalwa) to discuss the affairs of the village and to study the Rasa’il al-hikma (Druze epistles). The juhhal are allowed to attend only the first, secular session in the khilwa, the spiritual part being reserved for the ’uqqal.’ Laila Parsons, The Druze between Palestine and Israel 1947-49, London/New York 2000, 12-14.

10 http://bahai-library.com/blomfield_chosen_highway.

11 Geciteerd in: Ahang Rabbani, ‘Abdu'l Bahá in Abu Sinan: September 1914 – May 1915’, in: Bahá’i Studies Review xiii (2005) (http://bahai-library.com/rabbani_abdubaha-abusinan).

12 J.J. Bourassé, La terre sainte. Voyage dans l’Arabie Pétrée, la Judée, la Samarie, la Galilée et la Syrie, Tours 1871, 512-513.

13 J. Krayenbelt, Het heilige land. Reis door Egypte, Palestina en Syrië, Rotterdam 1895, 265-266. Cf. Jaap van Gelderen, ‘Kruistocht in reiskostuum. De Rotterdamse ds. Krayenbelt naar Egypte, Palestina en Syrië, in: F.G.M. Broeyer en G.J. van Klinken (red.), Reizen naar het heilige land. Protestantse impressies 1840-1960 (Jaarboek voor de geschiedenis van het Nederlands protestantisme na 1800 xvi), Zoetermeer 2008, 61-81.

14 I.J. Walpot, ‘Reisindrukken uit Israël’, in: Leeuwarder Courant 20 oktober 1958.

15 Geciteerd in: Ahang Rabbani, ‘Abdu'l Bahá in Abu Sinan: September 1914-May 1915’ (http://bahai-library.com/rabbani_abdubaha-abusinan).

16 Laila Parsons, The Druze between Palestine and Israel 1947-49, London/New York 2000, 23.

17 Interview met Simon Schoon door auteur, Amersfoort 5 december 2013.

18 Parsons, The Druze between Palestine and Israel 1947-49, London/New York 2000, 107.

19 Elias Srouji, Cyclamens of Galilee. Memoirs of a physician from Nazareth, New York/Lincoln/Shanghai 2003, 30.

20 Yoel Bar, ‘Cheik Abdallah Kheir’, in: Information d’Israel 21 januari 1966.

21 Salman Falah, ‘The Druze community in Israel’, in: New Outlook. Middle East Monthly juni 1962, 31.

22 Ahmad H. Sa’di, ‘The role of social sorting’, Ben Gurion University of the Negev 2011, op: www.sscqueens.org.

23 E-mail R. Farah aan auteur, Toronto 5 januari 2013.

24 Jacob M. Landau, The Arabs in Israel. A political study, Oxford 1970, 73.

25 Het comité bleef in functie tot 1963. Cf. Aharon Layish, Marriage, divorce and succession in the Druze family. A study based on decisions of Druze arbitrators and religious courts in Israel and the Golan Heights, Leiden 1982, 4-5.

26 Shimon Shamir, ‘Changes in village leadership’, in: New Outlook. Middle East Monthly maart-april 1962, 93-112. Cf. Ilan Pappé, The forgotten Palestinians. A history of the Palestinians in Israel, New Haven/London 2013, 46.

27 Vernoemd naar de stam Aser, aan wie het gebied beloofd zou zijn geweest maar die zich er vermengde met de plaatselijke Kanaänieten en Phoeniciërs (Richteren 1:31 e.v.). 28 Elian Finbert, Israel (Les guides bleus), Paris 1955, 179. Geraadpleegd in de boekenkast van Johan en Stijn Pilon, Nes Ammim.

29 Jozua 11:8 en 19:29.

30 H.Th. Obbink, Op Bijbelschen Bodem. Egypte, Palestina, Syrië, Amsterdam 1924, 222.

31 Hans Vetterli, ‘בראשית’, Stein am Rhein 2013, in: archief Cor van der Spek, Broek op Langedijk.

32 Salman H. Abu-Sitta, Atlas of Palestine 1917-1966, Palestine Land Society, London 2010, 194-195.

33 Interview met Yousef Mubarki door auteur, Nes Ammim 10 mei 2013.

34 Ben Wasser, Nederlandse pelgrims naar het heilige land, Zutphen 1983.

35 Albert Socin en Immanuel Benziger, Palestine and Syria; handbook for travellers (ed. Karl Baedecker), Leipzig/London 1894, 269.

36 Harmworth's new atlas of the world, London 1920, 224 en 225 (ancient and modern Palestine).

37 Jacobus Henricus Kann, Erets Israël. Het joodsche land, Leiden 1908, vi.

38 Ludwig Schneller, Evangelienfahrten. Bilder aus dem Leben Jesu in der Beleuchtung des Heiligen Landes, Leipzig 1905, 309. Schneller, een Duitse lutheraan, had de streek doorkruist rond 1890.

39 J.H. Ronhaar, Palestina, Groningen/Den Haag 1930, 46.

40 A. van Deursen, Palestina, het land van den bijbel, Baarn ca. 1946, 112-113. Van Deursen spreekt niet over de vlakte van Aser maar over die van Akko. Blijkbaar waren de geografische gegevens in de Bijbel niet eenvoudig. De Zwitsers noemden de kustvlakte ‘Ebene Sebulon’, naar het gebied van de stam Zebulon.

41 Cf. Uri Davis, ‘Nes Ammim. A Christian Zionist Settlement in Israel. A case study of Christian moral deception’ (1978), als bijlage opgenomen in: Traude Litzka, Nes Ammim im Spiegel Jüdisch-israelischer Reaktionen. Dokumentation und Analyse (Diplomarbeit Universität Wien), Wien 2001.

42 Zie de kaart in Lucas H. Grollenberg en A. van Deursen, Atlas van de Bijbel, Amsterdam-Brussel 1954, 59.

43 Colin Shindler, A history of modern Israel, Cambridge 2008, 139.

44 Vernoemd naar de in Auschwitz omgebrachte dichter Itzhak Katznelson.

45 Zev Vilnay, Guide to Israel, Jeruzalem 1976, 405-407.

46 Terugblik in: J. Bernath, ‘Technischer Bericht’ Thayngen 1 mei 1960, in: HDC VU archief stichting Nes Ammim-Nederland, doos 37.

47 Elian Finbert, Israel (Les guides bleus), Paris 1955, 180.

48 Het aantal ‘present absentees’ is omstreden. De hieronder te noemen Ran Kislev gaat uit van 75.000.

49 Simha Flapan, ‘Integrating the Arab village’, in: New Outlook. Middle East Monthly maart-april 1962, 24-25.

50 Ran Kislev, ‘Land Expropriations’, in: New Outlook. Middle East Monthly september/oktober 1976, 26.

51 Gregory Harms en Todd M. Ferry, The Palestine Israel conflict. A basic introduction, Londen/Ann Arbor 2008, 59-60.

52 Shlomo Sand, The invention of the land of Israel. From Holy Land to homeland, London/New York 2012, 229.

53 Mahmood Bayadsi, ‘Land Reform and the Israeli Arabs’, in: New Outlook. Middle East Monthly februari 1961, 18-19. Het overzicht van Obbink uit de jaren twintig hanteert soms een iets andere spelling: Mulk (‘privaat bezit (…) vooral bebouwde eigendommen, vaak ook de boomgaarden en tuinen’) en Metruka (onvervreemdbaar; onder andere de gemeenschappelijke weideplaatsen). Op bijbelschen bodem. Egypte, Palestina, Syrië, Amsterdam 1924, 226.

54 ‘Al Nahr’, in: Mahmoud Darwish (red.), I come from thereand remember, Jeruzalem 2008, 76-78.

55 Interview van auteur met Hussain Ali Mubarki, Abu Sinan 30 april 2012.

56 E-mail van Rafiq Farah aan auteur, Toronto 8 januari 2013.

57 A. Kuyper, Om de oude wereldzee ii, Amsterdam 1908, 430-431.

58 P.J.Baldensperger, The immovable East. Studies of the people and customs of Palestine, London 1913, 292.

59 Harry Franck, The fringe of the Moslem world, New York 1928, 141 en 176.

60 Roy H. Kreider, Land of revelation. A reconciling presence in Israel, Scottdale 2004, 70.

61 S.P. Tabaksblatt aan J.J. Pilon, Den Haag 20 december 1957, in: Archief Johan Pilon, Haarlem (AJP).

62 C. Muller-Duvernoy aan familie Pilon, ongedateerde brief (1956) in: AJP.

63 Biografische gegevens op: www.st-andrew-anglican.ca. Over de achtergronden in Shefaram werd ik ingelicht door Elias Jabbour, e-mail 21 maart 2013.

64 Rafiq Farah, ‘The Evangelical Episcopal Community’, in: New Outlook. Middle East Monthly maart-april 1962, 86-87.

65 Jacob M. Landau, The Arabs in Israel. A political study, Oxford 1970, 62.

66 http://arabwomenwriters. com.

67 ‘Mrs. Maja [sic] Qa‘wār- Farah was distinguished for her penetrating studies of human emotions’, aldus Howard M. Sachar, die verder nogal kritisch was over de kwaliteit van de Arabische literatuur. ‘In prose, at least, criticism was not lacking of the backwardness of Arab life.’ A history of Israel. From the rise of Zionism to our time, Oxford 1977, 581.

68 Rafiq Farah, A history of the Anglican Church in Jerusalem 1841-1991, Jeruzalem 1995.

69 Shafik Farah, What shall I do with my life?, Thornhill (Ontario) 1995, 124.

70 J.J. Pilon aan H.J. Bonda, Tiberias 12 juni 1959, in: AJP.

71 J.J. Pilon aan J.M. Snoek, R. Bakker, C.B. Bavinck en ‘Jan’, Tiberias 12 juni 1959, in: AJP. Het paleis is de woning van de familie Khayr in Abu Sinan, waar de Bahai-gemeenschap in 1914 ontvangen was door sjeik Saleh.

72 J.J. Pilon aan H. Bernath, Tiberias 13 juni 1959, in: AJP. In de Nederlandse brief van 12 juni werd het antwoord aan Rafiq Farah weergegeven als: ‘In principe wel, maar het is voor de Joden bedoeld.’

73 Rafiq Farah, ‘The Evangelical Episcopal Community’, in: New Outlook. Middle East Monthly maart-april 1962, 87.

74 Aharon Layish, Marriage, divorce and succession in the Druze family, Leiden 1982, xvii.

75 J.J. Pilon aan J. Bernath, Nes Ammim 21 september 1964, in: HDC VU archief stichting Nes Ammim-Nederland, doos 28.

76 A. Kuyper, Om de Oude Wereldzee 11, Amsterdam 1908, 431.

77 J.H. Grolle, Dit komt u tegen in Israël. Ontmoetingen met joden en christenen, ’s-Gravenhage 1963, 49 (met foto).

78 Shlomo Sand, The invention of the land of Israel. From Holy Land to homeland, London/New York 2012, 148.

79 Interview Richard Pilon met auteur, Haarlem 16 april 2013.

80 H.V. Morton, In the steps of the Master, London 1934, 258-259.

81 Shafiq Farah, What shall I do with my life, North York (Ontario) 1995, 124.

82 J. Bernath aan J.J. Pilon, Thayngen 21 januari 1961, in: AJP.

83 J.J. Pilon aan H-A. Ritter, Heemstede 1 oktober 1961, in: AJP.

84 J.J. Pilon aan C.B. Bavinck, Tiberias 6 februari 1960, in: AJP.

85 J.J. Pilon aan O.O. Miller, Heemstede 13 december 1961, in: AJP.

86 Joop Voet was een volle oom van de later bekende journalist Ischa Meijer. Cf. Evelien Gans, Jaap en Ischa Meijer. Een joodse geschiedenis 1912-1956, Amsterdam 2008, register in voce.

87 J. Voet aan J.J. Pilon, Tel Aviv 21 november 1961, in: AJP.

88 J.J. Pilon aan H. Bernath, Heemstede 23 december 1961, in: AJP.

89 J. Minnaar, notitie met zakelijke aspecten, ten behoeve van persconferentie 20 december 1961.

90 J.J. Pilon aan J. Bernath en K. Gysel, Heemstede 10 januari 1962, in: AJP.

91 Pappé, The forgotten Palestinians, New Haven/London 2011, 84-85.

92 Idem, 62.

93 ‘Een teken der volken’, in: NIW 29 december 1961.

94 J.J. Pilon aan Th. Booij (particulier secretaris prinses Wilhelmina), Heemstede 18 december 1961, in: HDC VU, archief stichting Nes Ammim-Nederland, doos 28.

95 Cf. Philip J. Baldensperger, The immovable East. Studies of the people and customs of Palestine, Londen 1913, 57.

96 ‘Druse to head Tobacco Board’, in: Jerusalem Post 8 januari 1962.

97 J.J. Pilon aan J. Minnaar, Nazareth 19 maart 1962, in: HDC VU archief Nes Ammim-Nederland, doos 37.

98 Erich M. Lehmann, ‘Die letzte Chance von Nes Ammim’, in: Jedioth Chadashoth 26 mei 1967.

99 J.J. Pilon aan H. Bernath, Heemstede 26 januari 1964, in: HDC VU archief Nes Ammim-Nederland, doos 7.

100 Howard M. Sachar, A history of Israel. From the rise of Zionism to our time. 532.

101 Ami Tarif, ‘The Druze Community’, in: New Outlook. Middle East Monthly maart-april 1962, 84-85.

102 J. Voet aan J.J. Pilon, Tel Aviv 23 januari 1962, in: AJP.

103 Idem.

104 J.J. Pilon aan C.B. Bavinck, Tiberias 6 februari 1960, in: AJP.

105 Sjeik A. Khayr aan J.J. Pilon, Abu Sinan 16 februari 1962, in: ANAN.

106 J.J. Pilon aan H. Dahlhaus, Heemstede 7 februari 1962, in: AJP.

107 Cf. de berekening in de rondzendbrief van J. Gutscher in Schweitzer Evangeliumsdienst in Israel, Wädenswil april 1961.

108 J.J. Pilon aan H.J. Bonda, Heemstede 2 februari 1962, in: AJP.

109 Hetzelfde gold in Galilea voor Migdal Ha-Emek.

110 Sectie 2 van deze Land Acquisition (validation of Acts and Compensation) Law maakte onteigening mogelijk ten behoeve van ‘purposes of essential development, settlement or security’. Cf. Musa E. Mazzawi, Palestine and the law, Reading 1997, 189.

111 Cf. Ami Pedahzur, The triumph of Israel's Radical Right, Oxford 2012, 28.

112 Ilan Pappé, The forgotten Palestinians, New Haven/London 2013, 74.

113 H. Bernath aan J. Minnaar, Nazareth 6 maart 1962, in: AJP.

114 H. Bernath aan J. Minnaar, J.J. Pilon en J. Bernath, Nazareth 22 januari 1962, in: AJP.

115 H. Bernath aan J. Minnaar, J.J. Pilon en J. Bernath, Nazareth 25 januari 1962, in: AJP.

116 J. Bernath aan bestuur vereniging Nes Ammim Zwitserland, Schaffhausen 31 januari 1962, in: AJP.

117 Idem.

118 J.J. Pilon aan H. Bernath, Heemstede 23 december 1961, in: AJP.

119 I. Ganon aan J.J. Pilon, Haïfa 17 december 1961, in: AJP.

120 Folder Nes Ammim, ca. 1976, in: HDC VU archief stichting Nes Ammim-Nederland, doos 4.

121 Ilan Pappé, The forgotten Palestinians, Yale University Press, New Haven/London 2011, 110-111.

122 J. Bernath aan bestuur vereniging Nes Ammim Zwitserland, Schaffhausen 31 januari 1962, in: AJP.

123 J. Alkahé aan J.J. Pilon, Tel Aviv 27 augustus 1962, in: HDC VU, archief stichting Nes Ammim-Nederland doos 31.

124 H. Bernath aan J. Minnaar, J.J. Pilon en J. Bernath, Nazareth 25 januari 1962, in: AJP.

125 H. Bernath aan J. Bernath en J.J. Pilon, Nazareth 24 oktober 1962, in: AJP.

126 Simha Flapan, ‘Integrating the Arab village’, in: New Outlook. Middle East Monthly maart-april 1962, 24.

127 H. Bernath aan J.J. Pilon en J. Minnaar, Nazareth 10 april 1962, in: AJP.

128 J.J. Pilon aan O.O. Miller, Nazareth 13 mei 1962, in: AJP.

129 Terugblik op de gang van zaken in notulen bestuursvergadering Rotterdam 30 augustus 1962, in: HDC VU, archief stichting Nes Ammim-Nederland, doos 31.

130 Interview G. Polet met auteur, Paterswolde 15 maart 2013.

131 J.J. Pilon aan J. Bernath en J. Minnaar, Nazareth 8 mei 1962, in: AJP.

132 J.J. Pilon aan J. Bernath en J. Minnaar, Nazareth 8 mei 1962, in: AJP.

133 Cf. ‘Die Brüder Jakob und Hans Bernath’, in: www.nesammim.org/de.

134 Koopcontract tussen sjeik Abdullah Salman Saleh Khayr (Abu Sinan) en Nes Ammim AG (Zürich), opgesteld Haïfa 25 mei 1962. Afschrift in: AJP.

135 Balans Nes Ammim AG 31 december 1962, in: HDC VU archief stichting Nes Ammim-Nederland, doos 28.

136 J.J. Pilon aan J. Bernath, J. Minnaar en K. Gysel, Nazareth 30 mei 1962, in: AJP.

137 J. Minnaar aan J.J. Pilon, Rotterdam 5 juni 1962, in: AJP.

138 Mennonite Central Committee, Remembering al-Sumayriyya, Tel Aviv 2009, 38.

139 ‘Organisation der Nes Ammim AG’, opgesteld door J. Bernath en V. Hauser, Schaffhausen 10 augustus 1962, in: ANAN. Alleen de deelnemende landen konden aandeelhouder zijn.

140 Jacob M. Landau, The Arabs in Israel. A political study, Oxford 1970, 164.

141 Yoel Bar, ‘Cheik Abdallah Kheir’, in: Information d’Israel 21 januari 1966.

142 H. Bernath aan J.J. Pilon, Nazareth 26 september 1964, in: HDC VU, archief stichting Nes Ammim-Nederland, doos 28.

143 H. Bernath aan J.J. Pilon, Nazareth 4 mei 1964, in: HDC VU archief stichting Nes Ammim-Nederland, doos 6. Ahmed Khayr was lid van het Spiritueel Leiderschap van de druzen in Israël, en van het daartoe behorende Hof van Beroep.

144 Howard M. Sachar, A history of Israel. From the rise of Zionism to our time, Oxford 1977, 532-533.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 juni 2014

DNK | 82 Pagina's

De Dokter en de Sjeik

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 juni 2014

DNK | 82 Pagina's

PDF Bekijken