GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Te laag en te hoog gegrepen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Te laag en te hoog gegrepen

7 minuten leestijd

Sommige schrijvers blijven in vrijwel hun geheele oeuvre zichzelf gelijk, andere wagen zich ineens op een voor hen tot dusver vreemd terrein en stellen te leur of vlechten zich een nieuwen lauwerkrans.

Een snellen opgang maakte Arjen Miedema. Na zijn eersteling, In beide handpalmen, waarin hij zich dadelijk ontpopte als een schrijver van formaat, kwam hij door z'n Gesprekken met Gabriel letterlijk en figuurlijk in hoogere sferen. Deze apocalyptische roman deed benieuwd de vraag rijzen, wat hierop zou kunnen volgen. Velen zullen dan ook gegrepen hebben naar zijn derde boek. De Heer van 't W o 1 d ^). Waren de verwachtingen tè hoog gespannen, of is dit boek werkelijk een achteruitgang? Ik geloof het laatste. Het toont op verschillende plaatsen wel de hand des meesters, maar het geheel is niet meesterlijk.

De oorzaak kan niet liggen in het onderwerp, want een goed schrijver zou hier stellig een sterken roman van hebben kunnen maken. Veeleer krijgt men den indruk, dat hier haastwerk geleverd is, dat de seriereeks een goed schrijver heeft doen struikelen.

Het boek speelt in de laatste maanden der bezetting, op een boerderij, bewoond door een klompmakerszoon, die door zijn buitengewone schraapzucht, het tot rijken boer gebracht heeft. Deze man, die bekend staat als en zich uitgeeft voor goed christen, is een walgelijk soort hypocriet. Van den honger van zijn medeburgers weet de gierigaard misbruik te maken ten voordeele van zijn geldkist, dien hij vult met z'n bloedgeld. En dat alles onder den schijn van goed vaderlander, die de Duitschers listig benadeelt, en van een vroom christen, die zijn hongerige klanten niet het allermeeste laat betalen. De heele figuur, vooral in zijn christen-zijn, is nogal gechargeerd.

'Niet onverdienstelijk als humor, is de wijze waarop de listigerd door zijn geldzucht verleid, in handen valt van zijn vijand Hannes, zijn buurman uit het kleine huisje, die in alles zijn tegenbeeld is. Van rijke kom-af, wordt hij dank zij zijn spilzucht en losbandigheid uit zijn ouderlijk huis verjaagd, waarna hij met een door hem verleid meisje gaat samenwonen in een krot. Hij leeft van stroopen, is een zorgelooze kwajongen en een doorgewinterde vrijdenker en spotter, kortom, iemand die op alle punten moet botsen met zijn rijken buurman, wat dan ook doorgaans het geval is.

Ook hij is als romanfiguur net iets te overdreven, om nog levensecht te zijn. Beter is zijn „vrouw", die aanvankelijk, evenals de boerin, op den achtergrond blijft. Wanneer echter deze vrouwenfiguren „los" komen, blijken ze, met al hun verschil, beiden uit het goede hout gesneden te zijn.

Weer veel minder, ja op het caricaturale af, is de teekening van een oud wijfje, Sanne, een kalenderblaadjes-christin uit antieke Kerstboekjes. Het slot van het boek, waarin zij sterft, en de gierigaard en de losbol beiden, vooral door haar toedoen, zich bekeeren, past geheel in het raam van die lectuur.

Men méene evenwel niet, dat deze roman saai en vervelend is. Het tegendeel is waar: hij zit vol actie, is met vaart geschreven en daardoor levendig en dikwijls boeiend en vol spanning. Als verhaal uitstekend, mist hij toch de zielkundige teekening en ontwikkeling, die den goeden roman kenmerken. En dit is jammer, daar Miedema getoond heeft een roman te kunnen schrijven, zelfs een roman, die ver boven het gewone genre uitblinkt. Hier heeft hij dit niet gedaan, maar schaarde hij zich in de rij der vertellers en maakt daar geen slecht figuur.

Een tweede schrijver, die ineens van koers veranderde, is Aart Romijn, wiens vorige romans: De

a ch t e r g r o n < 3, en: H e t wonder der jaren, hem deden kennen als een veelbelovend auteur. De liefdevolle waarneming en beschrijving van het leven der eenvoudigen, met hun soms zeer tragische conflicten, gaven aan zijn romans een eigen plaats.

Zijn nieuwste werk: Het beloofde land*^) heeft niets gemeen met zijn voorgangers, die de realiteit als uitgangspunt namen. Nu is de fantasie de voedingsbodem geworden van een aan alle werkelijkheid gespeend verhaal. Op zichzelf is dit natuurlijk geen bezwaar; de vraag is slechts of de overschakeling goed gelukt is. En ook hier moet bij het derde boek van eenzelfden schrijver een achteruitgang worden geconstateerd. De schrijver heeft hoog, doch helaas ook tè hoog gegrepen. Hij beheerscht ten slotte niet meer zijn opgeroepen wereldje, dat daardoor een chaotisch en abrupt einde vindt.

Het gegeven: een groep godsdienstige fanatici, die met een autokaravaan op weg is naar het beloofde land, wordt opgehouden aan de grens en vindt haar ondergang tengevolge van lage jaloezie, zondige driften onder het mom van geestelijk leven en teleurgestelde verwachting, die omslaat in toomeloozen haat.

Bij het lezen komt telkens de herinnering op aan den tocht der Israëlieten door de woestijn. Mozes en Aaron ziet men in nieuwe gedaante hier terug — de conflicten hebben overeenkomst met elkaar.

Daarnaast en daardoorheen flitsen beelden van de waanzinnige stichting van het Nieuwe Jeruzalem, door de wederdoopers in Munster. De machtswellust en zedelijke afdwalingen, die het geestelijk leven, hoe verkeerd dit ook al was, geheel verstikten of tot zijn tegendeel deden omslaan, vindt men hier, anders gecamoufleerd weer terug.

Goed getypeerd zijn de figuren van den leider en zijn secretaris. Vooral de eerste, die zich als een Mozes geroepen gevoelt het volk Gods uit de verdorven wereld uit te leiden, naar een land dat God hem wijzen zou, is aannemelijk uitgebeeld. Hij is het type van den mystiek geloovige, die den Bijbel uitlegt naar eigen innerlijk gevoelen en met een vermeende goddelijke opdracht den zwaren tocht onderneemt naar een ongewisse toekomst, waarin hij toch absoluut gelooft. Hij is de ijveraar, die meent Gods wil te doen, terwijl hij de eenvoudige waarden van zijn openbaring loochent en in zijn verblindheid en ijver niet ziet dat God deze wereld niet heeft verlaten, maar dat Zijn Koninkrgk midden onder ons is. Groot zou deze figuur zijn geweest, als hij in zyn fanatisme, hoe zachtaardig dit in dezen Tolstoïaanschen mensch zich ook openbaart, heroiek ten onder was gegaan. Zijn sterven valt evenwel nauwelijks op, heeft geen invloed op de oplossing, terwijl hij zich vlak voor zijn dood heeft ontpopt als een wankelmoedig man, die ten slotte niet meer gelooft in eigen ideaal. Toch zit er in dezen persoon iets, dat boeit, al beheerscht hij den roman niet.

Minder geslaagd is de Judas-figuur. Michael, de sub-leider. Hij is zulk een mengeling van geloof, fanatisme, naijver, gemeenheid, verraad, hoogmoedswaanzin, lafheid, heerschzucht en nog veel meer, dat in hem gepersonifieerd lijken al de krachten die den WEianzinnigen tocht tot een mislukking en catastrophe leiden.

Enkele vrouwenfiguren zijn goed, in hun geloof, hun ontnuchtering en vertwijfeling. Het best is nog de chef-monteur, maar dit is een gewoon mensch, iemand die niet uit geloofsoverwegingen, maar zuiver om het materiëele voordeel aan den tocht meedoet. Hij wordt zoodoende het symbool van de werkelijkheid, waardoor men een zuiver beeld krijgt van de individueele afwijkingen der leidende „geloovlgen". Deze symboliek ontneemt hem niet zijn zuiver mensch-zijn, waardoor hij deze beweging critisch bezien kan, eenerzijds spottend met de verdwazing en aan den anderen kant hulpvaardig voor de misleiden — een sympathieke figuur temidden van een krioelende menigte dwazen en verdwaasden, die de innerlijke overtuiging, het geloof, missen om van hun onderneming, zelfs in haar ondergang, iets meer te maken dan een dwaze vertooning met een melodramatisch einde.

Er zitten in dit boek heel goede gedeelten, maar de schrijver beheerscht zijn stof niet volledig genoeg om er een fantastisch-geloofwaardig d.i. aannemelijk geheel van te maken. Hij heeft zich willen uitheffen uit het milieu der kleine dingen, een zeer lofwaardig pogen, waarin hij zelfs ten deele is geslaagd, maar waaraan hij zich uiteindelijk heeft overtild.

Beide boeken, dat van Miedema en dat van Romijn, zijn zeker lezenswaardig, en voldoen toch niet aan de verwachting, die men van hun schrijvers koesterde; de eerste greep te laag, de tweede te hoog.

1) Uitgave Bosch & Keuning N.V., Baam.

2) uitgave Bosch & Keuning N.V., Baam.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 3 maart 1951

De Reformatie | 8 Pagina's

Te laag en te hoog gegrepen

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 3 maart 1951

De Reformatie | 8 Pagina's