GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

In de Kerk. Cour.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

In de Kerk. Cour.

6 minuten leestijd

In de Kerk. Cour. was een aanval op Dr. Kuyper uit de Nieuwe Sprokkelaar overgenomen, die strekken moest om zijn inconsequentie ten toon te stellen, daar hij nu gunstiger, eertijds zeer ongunstig over Datheens Psalmen oordeelde.

Hierop is bij ingezonden stuk in de iS? ^/^. Cour. door den aangevallene dit geantwoord:

In uw nummer 23 haalt Gij een zinsnede aan uit wat ik in vroeger jaren over de Psalmberijmingen van Marnix en Datheen schreef, en die min of meer afwijkt van wat ik thans denk.

Gij voegt hierbij, dat een verschillend oordeel ten deze zich zeer wel zou laten verklaren, indien het ééne geveld ware vóór mijn overgang, en het andere na deze gebeurtenis in mijn leven. Maar dat dit moeilijker wordt, waar men te doen heeft met twee oordeelvellingen, die beide na mijn overgang zouden vallen.

Mij komt deze Uwe psychologische analyse hoogst onvolledig voor; doch dit bespreek ik thans niet.

Immers uwe voorstelling berust op een misverstand.

Omdat namelijk het Tweede Deel van het door U aangehaalde werk pas als geheel het licht zag in 1869, vergat Gij blijkbaar te rekenen met de omstandigheid, dat er over dit Tweede Deel, onder redactie van wijlen Prof. Ter Haar, gewerkt is van 1864 tot 1869, en dat mijn bijdragen op blz. 80 e. v. voorkomende behoorden tot die Bijdragen, welke het eerst zijn in-

Nu kwam ik in 1863 te Beest, en eerst in et laatste jaar van mijn verblijf aldaar, d. i. n 1866 had mijn overgang plaats.

Het door U bedoelde oordeel is alzoo door mij niet, gelijk Gij ondersteldet, geveld na, maar geruimen tijd vd(^r mijnen overgang; waarmee, naar Uw' eigen opmerking, elk recht tot billijke aanmerking vervalt.

En wat nu de zaak zelve aangaat, zoo meen k, dat het in 1864 door mij gevelde oordeel ver Datheen in tweeërlei opzicht metterdaad ectificatie behoeft.

i" In 1864 miste ik nog het geestelijk besef, m de betrekkelijk hooge waardij in te zien, die it geestelijk oogpunt Datheens berijming boven enige andere verheft. Er is in Datheens berijing in tal van Psalmen een geestelijk-diepe toon., ie in Marnix' overzetting gemist wordt. Wie in angen nood der ziele verkeerd heeft, zal in atheens berijming meer den noodkreet van zijn igen hart terugvinden; ook al geeft hij aan arnix onbetwist den eerepalm wat woordenkeus angaat en kennisse van het oorspronkelijk ebreeuwsche woord.

Doch hiermee is nog niet genoeg gezegd. 2" Ook in taalkundig opzicht is er één mo-

ment, waarin Datheen Marnix verre overtreft. Want wel is zijn verhaspelen van de taal en zijn gebruik van stoplappen ondraaglijk, maar met dat al klinkt toch in Datheen veel meer na van den zangerigen toon der Middeneeuwsche poëzie, dan in Marnix' meer classieke vormen. Het zachte, zoete en teedere der toen wegstervende poëzie zong in Datheens berijming na.

Bij JVIarnix daarentegen ontbreekt het poëtisch element bijna geheel. Hij gaf letterlijk niets dan een berijming, terwijl Datheen in zijn overzetting zong.

Zoo meen ik dus mijn oordeel te mogen handhaven, dat juist de tegenstelling: Dat heen zong, Marnix rijmde, scherp en niet onjuist beider Psalmbundel karakteriseert.

En dat ik nu reeds in 1864, zij het ook op minder juiste wijze, soortgelijke tegenstelling op het oog had, dit blijkt duidelijk, uit wat ik op bladz. 804 schreef, maar wat«/«/door U wierd aangehaald :

»In taal en spelling, door melodieën en gebeden, in geest en bezieling vooral, den waarborg der zegepraal in zich dragende, trad dus Datheen met zijne berijming naast dievan Utenhove op, en de kerkelijke sanctie sinds 1668 haar door menige Synode geschonken, was slechts uiting en gevolg., en geenszins oorzaak van den ongeloofelijken opgang, dien dit psalmboek van stonden aan bij ons Christenvolk maakte.

»Toch waagde Marnix van St.-Aldegonde het in 1588, eene lans met zoo geduchten tegenstander te breken, en in één opzicht trad hij werkelijk met beslist overwicht in het krijt, — hij kende Hebreewwsch, en als berijming uit he oorspronkelijke komt dus aan z^n psalmbundel stellig de eerste plaats toe. Bovendien erkende Datheen zelf, dat zijne berijming hem te midden van overstelpende ambtsbezigheden in overgrooten haast als een > ontijdige gheboorte" was afgeperst. Marnix daarentegen had vlijt noch tijd gespaard, om in elk opzicht aan zijne psalmen-den vollen eisch te geven, en zoo exegetisch als linguïstisch de feilen zijner voorgangers te verbeteren. Toch was zijn duidelijk uitgesproken toeleg, om Datheen te verdringen, te zeer eene miskenning van den volksgeest en van die taaie gehechtheid, waarmee het volk een eenmaal geijkt godsdienstig gebruik vasthoudt, dan dat het had kunnen gelukken. Trots de ongeloofelijke inspanning, die Marnix zich zelf getroost had, en de krachtige ondersteuning, die hij in staatkundige en geletterde kringen vond, bleef het volk hem verwerpen. Wat vroeg dat volk ook, of een enkel vers min juist het oorspronkelijke weergaf, of een slepend stopwoord wat sleurig achteraan kwam hinken, of niet elke taalvorm op onbesmette zuiverheid bogen kon! — Het was immers hun psalmboek, dat boek dat zij met doodsangst soms voor het bespiedend oog verborgen hadden, dat hen gesterkt had in de ure des gevaars, en van welks bladen zij iets van Gods geest hadden opgevangen, — en ddt boek wilde men hun rooven, op AiX heilig boek was het gemunt! Inderdaad de predikanten waren slechts tolken van den volksgeest, toen zij als een eenig man riepen: „dat nooit I" Alleen om die omstandigheden dus en voor het minst niet om haar innerlijk gehalte lag Marnix' berijming zoover bij die van Datheen achter. Op zich zelve beschouwd was zijne berijming zelfs eene groote schrede vooruit, al moet het zijn tegenstander worden toe-, - ? geven, dat bij Marnix de Bijbelsche kleur TV al wat veel verwaterd was."'

Mag ik, U dankzeggende voor de mij ingeliimde plaats in uwe kolommen, er de opmerkiag bijvoegen, dat ik uit deze anti-critiek a'lerminst wil hebben afgeleid, als hadde ik a ets redelijks noch afdoends te antwoorden o 5 veel, dat in Uwe kolommen zoo nu en dan te mijnen laste wordt opgenomen; maar mijn tijd is nu eenmaal te bezet, en er wordt zoo rusteloos van alle kanten tegen mij geschreven, dat mij wel niet anders, dan het aan te hooren en stille te zijn, rest.

Amsterdam, 4 Juni I887.

Mogen we de Nieuwe Sprokkelaar verzoeken, van deze tegenspraak acte te willen geven bij haar lezers}

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 19 juni 1887

De Heraut | 4 Pagina's

In de Kerk. Cour.

Bekijk de hele uitgave van zondag 19 juni 1887

De Heraut | 4 Pagina's