GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

UIT DE SCHRIFT

Bekijk het origineel

Bladeren
+ Meer informatie

UIT DE SCHRIFT

5 minuten leestijd

o Heere! wend onze gevangenis, gelijk waterstroomen in het zuiden., Psalm 126: 4.

Het Zuiderland.

Het Zuiderland is dezen dichter beeld van de vrijgemaakte Kerk des Heeren.

Want vrijgemaakt was die Kerk uit de ge^ vangenschap van Babel. Vreemde macht had daar over haar geheerscht, en banden, die niet eigen waren aan haar leven, hadde.n haar ingesloten.

Doch, naar luid van den aanvang van dezen Psalm, had de Heere de gevangenen Sions wedergebracht. In vrijheid mocht 's Heeren Kerk de oude plaatsen weer bewonen, en zich weer inricfalön naar de 'ordinantiën Gods.

Indien nu maai- d!e heilige ijver, waarmede men uitgegaan was, bestendigd! ware gebleven, en de liefde, waarin men voor den Heere en Zijn Huis was uitgetogen, niet ingezonken ware. Dodh daarover viel met reden te klagen. Het verloop éer Vrijmaking bood niet denzelfden sclioonen aan' blik als het begin. Er kwam verslapping van veerkracht. Het herstel van 'de verwoeste plaatsen werd niet doorgezet. De aanvallen der wereld ontmoedigden. Het geloofsleven daalde. De profeten moeslen weer bestraffen en oproepen. Het vrijgemaakte Israël was weer goeddeels verachlerd in geestelijke kracht.

Het is nu uit dézen toestand, dat de Psalmist zijn gebed opzendt: — „O Heere! wend onze gevangenis".

Een eigenaardig gebed. "Want was niet reeds de gevangenis gewend"? En wordt dan hier niet gebeden om een weldaad die God reeds geschonken had?

In zekeren zin wel. En de dichter bedoelt dat ook. Blijkbaar gebruikt hij met opzet hetzelfde woord, — gevangenis, — dat hij tevoren voor Gods verlossende daad gebezigd had, om zijn gebed van heden vast te leggen aan 's Heeren werk van voorheen. Terwijl de gevangenis gewend is, bidt de Psalmist om wending der gevangenis. Hij grijpt naar Gods vrijmakende daad in het verleden, en brengt haar voor Gods aangezicht in herinnering, met de smeeking of de Heere die daad niet wil loslaten, maar liaar blijven vasthouden en doen voortgaan. Het is de bede om voortzetting der verlossing; de bede, of de Heere trouw wil blijven aan Zijn ^Toeger werk. „Heere, Gij hebt de gevangenen Sions wedergebracht; — wend nu, blijf nu wenden, onze gevangenis!"

En waarin dit dan bestaan zou?

' „Gelijk waterstroomen in het Zuiden". Het Zuiden van Juda had van zichaelven geen genoegzaam water; in den regenloozen tijd lag het verdroogd en dor. Wel waren er vele beekbeddingen in het land. De watergeleidingen waren aanwezig. Maar zij deden geen dienst, wijl het water zelf ontbrak. Stralis echtei' kwam de regen; dan vulden zich de beddingen, en bracliten het water allerwege, en heel het land fleurde op en werd een bloeiende streek.

Dat beeld nu biedt de bidder hier den Heere aan, in zijn smoeMng om voortgaande verlossing. De vrijmaking uit Babel had aan de Kerk haar rechte gestalte hergeven. In stad en tempel en priesterschap kon zij God weer dienen naar Zijn ordinanüën. De rechte beddingen en vormen voor kerkelijk en geestelijk leven waren aanwezig. Zoo nu dat leven zelf zich stuwde door de geleidingen, zoo nu de inzinking plaats maakte voor de gewassen wateren des Geestes, dan zou heel de Kerk bloeien en haar vrucht voortbrengen, dan zou de vrijmaking uit Babel zich voortzetten in Kanaan. — „O Heere! wend onze gevangenis, gelijk waterstroomen in het Zuiden".

En is het met ons kerkelijk en geestelijk leven wel anders?

Verlossing, als daad in het verleden, is niet genoeg; nóch zoo zij de Kerk door reformatie vrijmaakte van vreemde overheerscliing, nódi zoo zij de enkele ziel uit de banden van zondemacht en schuld ontsloeg, en haar in vrijheid deed uitgaan. Ja, die verlossing van voorheen is heerlijk en grondleggend. „Als de Heere de gevangenen Sions wederbracht, toen zeide men: de Heere heeft groote dingen aan ons gedaan". En evenwel moet die verlossing gehandhaafd en voortgezet worden. Kan niet het Zuiderland met al zijn waterbeddingen, — en het woord dat de psalmist gebruikt beteekent letterlijk bedding, — tóch nog uitdrogen en verdorren? En kan niet een vrijgemaakte Kerk, bij Schriftuurlijke inrichting en gestalte, niettemin achteruitgaan in levenskracht en den geestelijken aanloop van haar reformatie veriTagen? En gebeurt het niet, dat een verloste ziel, terwijl haar staat voor God dezelfde bleef en ook de vormen van haar dienst des Heeren onderhouden werden, evenwel in haar stand verachterde en dorheid intrad in de beddingen en levensaderen die genadfe haar in de verlossing had ingebracht?

Hier past dan — kei-kelijk en persoonlijk t— ontdekking en gebed.

We hebben ons allereerst niet langer te ontveinzen, dat we niet meer op dte geestelijke hoogte staan waarop de vrijmaking in het verleden ons had gesteld. We hebben de oorzaak daarvan na te speuren, en onze schuld daarover opreclit te bekennen. We hebben onszelven daarin te verloochenen, en ootmoedig te belijden dat idiezelfde genade, die voorheen ons vrijmaakte, , haar verloissend werk moet voortzetten.

Dan kan het ware reformatiegebed opgaan: — , , OHee'rie! wend onze gevangenis, gelijk waterstroiomen in het Zuiden"; de smeeking, of God Zijn verlossende daad van vroeger niet wil loslaten, niet vereenzaamd in het verleden wil doen achterblijven, maar haar wil vasthouden en voortzetten. En dat gebed heeft dan een vasten pleitgrond, — het eigen werk des Heeren. Gelijk de Psalmist deed, zoO' mogen wij dan, in onze smeeldng voor het heden, den Heere en onszelven wijzen op wat God wïocht in het verleden; wij mogen Hem aangrijpen in Zijn Verbondstrouw, roepende of Hij diezelfde genadedaad van voorheen wil gedenken en voortzetten; — het gebed om doorgaande reformatie.

En zoo zal het Ziüdeirland herleven.

V. A.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 november 1937

De Reformatie | 8 Pagina's

UIT DE SCHRIFT

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 november 1937

De Reformatie | 8 Pagina's

Bladeren