GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Het pensioen naar Art. 13 onzer Kerkenordening.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Het pensioen naar Art. 13 onzer Kerkenordening.

9 minuten leestijd

Nog eens: Ket loondienstmotief. — Ondanks bezwaar van Dr K. Dijk. —• De tendenz om •het behoefte-element te laten spreken. — Verzorging in hun nooddruft. •—• Samenvatting.

V. (Slot.)

In het vorige artikel pleitten we voor gelijke rechten van den emeritus, of hij nu in actieven dienst was in een grootscheepsch milieu dan wel bij de heidekneuters. Zijn nooddruft is immers tijdens zijn emeritaat niet begrepen in de variatie des levens, die de variatie van zijn tractement veroorzaakte.

We zagen toen ook, dat de loondienstgedachte in het Rapportenboelt van 1923 ronduit ten beste is gegeven.

De loondienstgedachte is principieel aan de orde gesteld, toen Dr K. Dijk op de synode van Leeuwarden IwO een voorstel ter tafel legde, om bij pensioneering Wegons invaliditeit, eer een diensttijd van veertig jaren of de leeftijd van zeventig jaren bereikt is, het volle pensioen uit te keeren.

Het rapport van 1923 bespreekt dit voorstel uitvoerig en wijst het van de hand. Op grond van de in het vorig artikel geciteerde overwegingen verdedigt het de opvatting, dat er geen bezwaar tegen kan bestaan, „maar Wordt er veeleer aan een eisch van billijkheid voldaan. Wanneer bij de bepaling van het pensioen ook rekening gehouden wordt met het aantal dienstjaren". (Rapportenboek 1923, 85.)

De considerans van Dr Dijks voorstel behelsde, dat oe berekening naar dienstjaren niet in overeenstemming IS met den eisch van Art. 13, 'dat de emeriti eerlijk m hun nooddruft zullen verzorgd worden en voorts, dat dit een practijk is, die bij de salariëering van ambtenaren geldt, maar in de verzorging van de dienaren des Evangelies niet thuis hoort.

Ten aanzien van het eerste punt waren de rapporteurs bereid door milde bepalingen er aan tegemoet te komen. Er werden minima vastgesteld voor gevallen van emeriteering bij invaliditeit, waai'bij men het Éehoefte-element aan het woord deed komen.

Maar de loondienstgedachte, in het rapport geformuleerd in ronde woorden, beheerschte zoodanig de voorstelling, dat het rapport op dit punt sluit met de verklaring: „En ook schijnt het deputaten alleszins billijk, dat aan een emeritus-verklaarde, die nog wel in staat is om een andei'en werkkring te zoeken, ook al is de „gebleken behoefte" niet aanwezig, althans voor een zeker aantal jaren, een bepaald bedrag als minimum pensioen wordt toegekend". (Rapportenboek 1923, 87.) Is dan het pensioen toch weer een soort uitgesteld loon? Deputaten zeiden eerder van niet, maar ze geven een hybridisch voorstel: eenerzij ds accentueeren zij het „bij gebleken behoefte", anderzijds maken zij expressis verbis een opmerking voor het o.i. al heel eenvoudige geval, dat de „gebleken behoefte" niet aanwezig is.

Echter is er in de synodale besluiten toch een tendenz waar te nemen om het behoefte-element ten volle tot zijn recht te doen komen. De loondienstgedachte wordt telkens doorbroken door de nooddruftgedachte, die in Art. 13 is geformuleerd.

We geven, ten bewijze dezer stelling, slechts enkele citaten.

Het rapport van 1905 zegt: „De verzorging... is... een uitkeering, waarop de genoemden rechtmatige aanspraak hebben: behoudens enkele bijzondere gevallen, waarin de emeritus-verklaarde naar het oordeel van hemzelf of van den kerkeraad der kerk, waaraan hij verbonden was (eventueel van de meerdere vergaderingen) voor zich zelf en voor zijn gezin geen recht op pensioen kan laten gelden."

De bizondere gevallen zijn niet nader aangeduid, maar men mag vermoeden, dat althans mede gedacht is aan die, waar de „nooddruft" van Art. 13 niet bestaat.

Het bovenvermelde voorstel van Dr K. Dijk beoogde ook de loondienstgedachte volstrekt te elimineeren en het werd beantwoord door een regeling van 1923, die concreet met de behoefte der emeriti-wegens-invaliditeit wil rekenen. Weliswaar hebben wij tegen het rapport, dienaangaande uitgebracht, onze reeds genoemde bezwaren. Verzwegen mag echter niet worden, dat op de door ons gesignaleerde 85ste blz. van het Rapportenboek 1923 ook een beschouwing te vinden is, die wordt ingeleid met: „Eene andere vraag is echter...", en waarin te lezen valt: „Waar Art. 13 spreekt van „eerlijk in de nooddruft verzorgd worden", daar hangen de financiëele eischen, welke dit „verzorgen in de nooddruft" of levensonderhoud van den Dienaar stelt, niet af van het meer of minder aantal jaren, dat hij gediend heeft, maar van gansch andere omstandigheden".

Ook in 1930 is de tendenz om de loondienstgedachte weg te dringen achter de behoeftegedachte waar te nemen. De commissie der synode sprak uit, dat de milde bepalingen van 1923 alleen zin hebben bij gebleken behoefte. (Acta 1930, 426.)

En in hun rapport aan de zelfde synode van Arnhem merken de deputaten op, dat zij het voor de verzorging van volle weezen wenschelijk achten, dat bij gebleken behoefte de mogelijkheid niet zal zijn uitgesloten om de toelage op een hooger bedrag dan f 100, — te bepalen.

De loondienstgedachte was nog niet weg. Maar men ziet de twee motieven om den voorrang worstelen en principieel wint altijd de grondgedachte van Art. 13 het. De wijziging der regeling, in 1930 tot stand gebracht, betrof ook het punt I sub b. Bij de vaststelling van het pensioen der emeriti-wegens-invaliditeit moet beoordeeld worden, of het noodzakelijk is, dat het gewone pensioen, dat der emeriti-wegens-ouderdom of volheid-der-dienstjaren, wordt uitgekeerd. Dat hangt af van de vraag, of de invalide nog eenig ander toonend werk verrichten kan of wel uit anderen hoofde inkomen heeft. Maar in het laatste geval trekt men niet consequent de nooddruftgedachte door. Want indien er geen behoefte leeft aan het „volle" pensioen wordt als basis van berekening genomen het aantal dienstjaren. De 85ste blz. van het Rapportenboek 1923 heeft nog sterk'gezag! Niet alleen in de bepalingen, ook in de practijk. Bij den emeritus-invalide toch wordt naarstig onderzocht of hij inkomsten door bijverdienste of anderszins heeft 'en er wordt mee gerekend. Bij den emeritus-wegensouderdom daarentegen wordt het pensioen dermate welverdiend geacht, dat het er voor zijn pensioen-bedrag niets toe doet, of hij bijverdiensten heeft, doordat hij iiog uit preeken gaat of een kleine gemeente door hulpdiensten baat brengt of iets van dien aard. Het was ook hier de noodtoestand, waarin men in de malaisejaren geraakte, die scherpte het inzicht, dat "toch eigenlijk Art. 13 alleen van eerlijke verzorging der nooddruft sprak, en niet van welverdiende rust met welverdiend pensioen. En zoo was in de bekende circulaire van '32 te lezen het advies aan de kerken, om met de emeriti en de weduwen te overleggen of hij (of zij) niet een zeker deel van het pensioen kan laten vallen, o. a. in het geval, dat hij (zij) het volle pensioen niet behoeft voor levensonderhoud. Hij • (zij) kan toch inkomsten hebben uit eigen middelen, of uit ande-

(Zie vervolg op blz. 204.)

ren hoofde, als leer aar aan een inrichting, of wijl hij een kleine gemeente dient, of anderszins.

Wij willen het nooddruft-motief volkomen tot zijn recht doen komen. Daarom poneerden we als onze derde stelling, dat uitkeering van het pensioen alleen geschieden zal naarmate de betrokken personen het behoeven voor hun levensonderhoud.

Om des te krachtiger te kunnen volhouden, dat de kerken geroepen zijn eerlijk in de nooddruft der heti'okkenen te voorzien, willen we elke gedachte aan een verdiend, of half verdiend, of in een groote en drukke practijk verdiend, of hoe dan ook, maar verdiend pensioen laten varen, en uitsluitend met de nooddruft rekening houdend, van geen pensioen spreken, indien geen nooddruft aanwezig is.

De practijk gedoogt niet om aan een dienstdoend predikant geen tractement uit te keeren, omdat hij het niet behoeft voor zijn levensonderhoud. De kerken willen niet gaarne een dienaar des Woords, die gratis arbeidt. Dat komt hun eere te na.

Maar zooals zij geen bezwaar hebben •— of ook behoeven te hebben — wanneer zij voor een gering tractement gediend worden, omdat de behoefte niet groot is, zoo behoeven zij het geenszins bezwaarlijk te achten, indien een hunner emeriti tijdens zijn emeritaat van zijn eigen middelen leeft.

Vraagt men tenslotte naar de baten, die onze tweede en derde stelling voor de kerkelijke kassen beloven, zoo moeten we ook hier het nauwkeurig antwoord schuldig blijven. Toen Dr Dijk in Leeuwarden zijn voorstel deed, waren de insiders niet in staat om 0(gj maar eenigszins bij benadering een raming te maken van de finantiëele gevolgen. (Rapportenboek 1923, 83.)

De statistische gegevens zijn weinige in getal. We geven dan ook het volgende met groeten nadruk voor beter! Te meer, omdat wat er aan statistiek .is, gebaseerd is op de uitvoering der bestaande regelingen. Men zou eerst eens moeten onderzoeken, hoe het met de eigen inkomsten der emeriti enz. staat. En bovendien, omdat nog zou moeten worden vastgesteld, hoe groot het pensioen van allen, die het blijken te behoeven, moet zijn.

Er is een gemiddelde van de predikantspensioenen. Om finantiëele baat uit onze thesis te erlangen moet het gelijke pensioen voor allen onder dit gemiddelde liggen, en om aan de e e r 1 ij k e verzorging toe te komen, zal het wel iets boven het minimum moeten uitgaan. Stel, dat men voor de predikanten 200 en voor de weduwen 100 beneden het gemiddelde gaat, dan bi-engt dit misschien een 20 mille verlichting, mogelijk meer; het gebrek aan gegevens is fnuikend. Allicht gaf de uitvoering van de derde stelling een gelijk bedrag aan voordeel.

Doch het is ons niet in de allei'eerste plaats om deze Tjogenblikkelijke voordeelen te doen, al is het ons precies gegaan als de achtereenvolgende synoden en hun deputaten; in hun voorstellen en besluiten is waar te nemen tengevolge van den finantiëelen nood een tendenz in de richting van wat wij beschouwen als de letterlijke uitvoering van art. 13. In een periode van finantiëelen nood gevoelt men te pijnlijker allerlei, dat men als niet strikt rechtvaardig heeft leeren zien. Het is niet zoo moeilijk om zonder verbittering de circulaire van '32 te lezen, wanneer men er van overtuigd is, dat nu het behoeftemotief als het eenige zal gelden. Maar om verzoeken om korting enz. te ontvangen op grond van dit motief, terwijl anderzijds het loondienstelement bleef bestaan, dat is wel moeilijk. Er blijft den kerken niet veel anders over dan het afwandelen van den weg der circulaire, bovengenoemd. Het einde van dien weg zal voor de kerken niet bitter zijn. En voor de nooddruftige emeriti en weduwen evenmin.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 maart 1939

De Reformatie | 8 Pagina's

Het pensioen naar Art. 13 onzer Kerkenordening.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 maart 1939

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken