Vu cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Vu te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Vu.

Bekijk het origineel

In de school der wijsbegeerte.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

In de school der wijsbegeerte.

11 minuten leestijd

De wijsbegeerte en de Bijbel. Uitgaande van 'de waarheid, dat God ieder ding schoon gemaakt heeft op zijn tijd, begint de christen aan de wijsbegeerte zelf te vragen wat haar taak is.

Zoodra de wijsbegeerte, (in dit opzicht souverein in haar eigen kring), hem het antwoord heeft gegeven, is haar taak zijn taak geworden, d.i. hij heeft de aandrift tot het volbrengen van de roeping, de wijsbegeerte uit haar eigen beginsel tot ontwikkeling te brengen en'haar dienstbaar te stellen aan het groote levensdoel: Tot God zijn .alle dingen!

Wij hebben er reeds op. gewezen, dat het Calvinisme krachtens zijn beginsel, het best in staat moet worden geacht de2ie edele, zware taak te volbrengen.

Historisch is het in zijn plicht tekort geschoten, maar in zijn oorsprong ligt de waarborg van zijn toekomst. En het nieuw-ontwaakte Calvinisme, geleid en bezield door epigonen als Kuyper en Eavinck, heeft naar dat uitgangspunt teruggegrepen en is, - door Gods wonderbare goedheid, weer een fase van ontwikkeling ingetreden. Het beleefd thans de waarheid van het woord: „Die uw jeugd vernieuwt als eens arends".

Er is nog geen oorzaak tot roem.

Wij zijn nog niet veel verder dan het beschamend gevoel van tekortkoming, het inzicht in de problemen, en het begin van de reformatie.

Maar dit begin is een belofte.

En zal die belofte worden vervuld, dan moet het onder ons komen tot een nóg algemeener en nauwkeuriger studie op elk gebied, waar het materiaal ligt voor den opbouw, van de christelijke wijsbegeerte.

Wij beschikken over twee bronnen, waaruit wij onze wijsgeerige fcemiis putten: de natuur en de Schrift.

Laat ons vooral waken tegen onevenredigheid in het gebruik van die beiden.

De wijsbegeerte, gelijk zij buiten het positieve christendom opgroeide, heeft den Bijbel verwaarloosd en bestreden, hoogstens (denk aan Hegel!) zijn eminente waarheden geïncorporeerd in een antichristelijk systeem.

Op het voetspoor van de Grieken, dié alleen bij het „licht" der rede leefden, heeft de christelijke kerk de wijsbegeerte eenzijdig aan de bloot natuurlijke kennis gebonden, haar ongeveer gelijk stellende met vakken • als natuur-en wiskunde.

Dat de Bijbel niet alleen de normen der waarheid, maar óók vele en hoogst belangrijke stoffen tot opbouw der wijsbegeerte bevat, is tot de meeste leidende denkers niet doorgedrongen.

Op zichzelf is dit feit niet onbegrijpelijk.

God gaf ons den Bijbel als Evangelie en de liefhebbers en belijders van het Evangelie laten zich niet afdringen van het principale standpunt, dat de Schrift niet is een "handboek vaar wetenschap of kunst. De heilige mannen Gods, die door den Heiligen Geest gedreven zijn tot teboek'stelling van de waarheid, blaaKten van ijver voor heel andere en veel hoogere doelen dan de bloote kennis der natuurlijke dingen. In hun ziel voltrok zich de ontzaglijke dramatische strij'd ter verlossing van „het gevangen creatuur".

Maar het heeft God behaagd de openbaring van de verborgenheid der godzaligheid niet te geven in den bepierkten vorm van-een verkondiging, maar dien schat neer te leggen in een boek, dat als een levend organisme gegroeid is uit de ziel van groote mannen, die met het leven en de

wereld op veelvuldige wijze in contact stonden en hun gedacliten en aandoeningen in 'het Woord neerlegden, orider leiding desHieiligen'Geestes. God heeft ons in den Bijbel, in dien organischen weg, veel meer gegeven, daa de centrale waarheid des Evangelies. De fechrift is, in den vollen zin des woords, een levensboefe!, een gids, die ons liet spoor Gods wijst op alle veldeai-van het leven, waar de VaJder in de hemelen Zijn kinderen tot eenige taak' roept.

De Bijbel geeft ons de grondbeginselen voor alle wetenschap, ja, meer dan wij' zelf vermoeden, ook' het materiaal, dat ons dienen kan tot oplossing van. de bijzondere problemen, waarvoor ons de wetenschap stelt.

Hoezeer in onze traditioneele voorstelling de Bijbel en de filosofie elkaar-vreemde' begrippen zijn, moeten wij bij nuchtere bezinning, tot de slotsom komen, dat er juist geen-vak van wetenschsJf^ is (natuurlijk ide theologie uitgezonderd), dat zoozeer in den Bijbel de inspiratie en de waarden tot ontwikkeling vindt, als de wijsbegeerte.

Laat ons enkele hoofdzaken noemen.

Daar is vooreerst het groote feit, dat de Bijbel ons leert kennen Hem, zonder Wiien ook de meest sublieme wetenschap haar wortel en doel mist: den levenden God!

Descartes heeft eens vei'kla.ard: „Zonder God is er geene waarheid", en deze belijdenis is de andere vorm van het dichterlijk' ^'etuigenis: „In uw licht zien wij het licht".

Wie God kent heeft in deze kennis de aansporing om belang te stellen in al het geschapene, 'zich te verwonderen over al het gebeuren, en de groote werken Gods te onderzoek met heilige ambitie.

„De wericen des Heeren zijn groot, zij worden gezocht van allen, die er lust in hebben" (Ps 111:2).

Zijn Israels psalmisten en profeten, die diep onk: undig waren ten opzichte van de wetten van Kepler en Newton, in hun aanschouwen en verstaan van de wonderen van het heelal niet grooter dan Haecfcel en Einstein!

Oefent niet juist de levensfilosofie van Bergson daarom bekoring op ons uit, omdat deze „ziener" zich, evenals die oude, vrome, dichters tegenover de wereld plaatst, niet zoozeer met • het verstand, maar met de intuïtie? Is de moderne irrationeele filosofie niet juist daaiom dichter bij de. waarheid dan vele ondere stelsels, omdat zij liet hart heeft leer en stellen in dienst van de wijsheid, gelijk' de Schrift ons 'beveelt?

De filosofie zoekt een antwoord op de martelende vraag: Vanwaar is de wereld?

De Bijbel verklaart niet, maar onthult toch, het raadsel van. „den beginne".

De filosofie worstelt met de ontologische problemen.

De Schrift brengt ons in .kjeimis, niet eerst met „het zijn", maar met „den Zijnde". Mozes bracht aan het volk den Naam van God: „Ik zal zijn, die Ik zijn zal".

De filosofie komt niet verder dan tot het besluit van het bestaan Gods uit de idee Gods. De Bijbel leert ons de idee Gods aÜ te leiden uit het bestaan Gods.

Voorts straalt de Schrift goddelijk licht over het probleem van het dualisme tusscben Gód en de wereld, leerende een trancendentie, waardoor God alles is zonder de wereld, en eene immanentie, waardoor God alles is in de wereld.

Het dualisme tusschen stof en geest handhavende, toont de Schrift de hoogere eenheid van die twee ia den mensch en den trio-mf van den geest over de stof, door de inwoning van Gods Geest in de natuur en in de Kerk.

In de Schrift vinden wij de, wel elementaire, maar toch profetisch-vóórlichtende antwoorden op de vragen: Wat is de ziel? Wat is het lichaam? Wat is leven ? Wa, t is vreugde ? Wat is zonde ? Wat is de dood?

Adam was, in zijn ongerepiten staat, een wijsgeer, die aan de dingen namen gaf. Zijn kennis ging zóó diep, dat hij stntwoord'wist op de vraag: Wat is het ding? Doer de zonde werd dit redelicht wel verduisterd, maar toch mogen wij aannemen, dat in de taal, die de Schrift ons heeft overgeleverd nog veel van deze wijsheidsschatten verborgen ligt.

Verder: De Schrift toont ons als den grond van het bestaande, niet het stof, maar den wil.

Het karakter van dezen wil is echter niet onbewustheid (zooals Schopenhauer leert), maar redelijkheid (de Logos).

Krachtens de schepping van de wereld door den Logos, is ook de mensch, het hoogst ontwikkeld creatuur op aarde, aan de wereld logisch verbonden. De wereld is voor den mensch kenbaar, omdat in hem dezelfde Logos woont als in de wereld.

Een ken-leer in 'den streng wijsgeerigen zin van het Woord geeft de Schrift niet.

Maar zij geeft zeer waardevolle elementen voor den opbouw van een kenleer.

Tegenover Hegel, die het zijn restloos laat opgaan in het begrijpen, stelt de Schrift de waarheid van het ondoorgrondelijke van de diepste geheimen der schepping. De vrome .Tob krijgt van zijn God een heilige les in bescheidenheid, wan­ neer hem gevraagd wordt: ' „Waar waart gij, toen Ik de aarde grondde? gee^f het te kennen, indien gij kloek van verstand zijt? — 'Zijt gij gekomen tot aan de oorsprongen der zee? en hebt gij' in het onderste des algronds gewandeld? — Waar is de weg, daar het licht woont? en de duisternis, waar is hare plaats? — Weet'gij de verordeningen des hemels, of kimt gij deszelfs •heerschapipij' opj de aarde bestellen" (Job. 38)? —

De Bijbel is een doorgaand vurig protest tegen den rationalistischen hoogmoed der wijsbegeerte. Behalve de creatuurlijkte 'kleinheid van den mensch tegenover den hoogen, onbegrijpelijfc'en. God, openbaart, zij ook-nog het geheim van de verduistering van des menschen verstand door de zonde. Zelfs de meest geniale geleerde staat tegenover de ware wijsheid als een dwaas (1 Cor. 1). En de wijste van alle, door Gods Geest verlichte, wijzen moet /erkennen: „Wij kennen ten deele, en wij profeteeren ten deele. Wij' zien nu door èenen spiegel in eene duistere rede" (1 Cor. 13).

Maar anderzijds doet de Schrift ons ook! klaarlijk verstaan, dat God wereld en mensch zoodanig' pp elkander aangelegd heeft, dat een bepaalde graad van kennis en bewustwording niet onmogelijk is. De zintuigen leeren ons weitelijkheid kennen, want zij zijn „beeld en gelijkenis" van goddelijke werkelijkheid: Zou Hij, die het oor plant niet hooren? zou Hij, die het oog formeert, niet aanschouwen" (Ps. 94:9)?

De openbaring in de Schrift bewaart ons dius eenerzijids voor het platte empirisme, dat geen keiinis voor echt erkent, dan alleen, die uit de buitenwereld door zintuigelijke waarneming tot ons komt (immers in den mensch, als mikrokosmos. woont ook de Logos), maar anderzijds leert de Schrift , ons ook ons te wachten voor het' bodemloos subjectivistisch idealisme, dat de kennis alleen uit het menschelijk ik , afleidt. De Bijbel is door en door realistisch. Hg toont ons de wereld als door God gewilde werklelijkheid, uitstralend Zijne eeuwige Iracht en goddelijkheid (Rom. 1:20).

Wij zeggen hiermede niet, dat de Schrift een kant-en-klare kennisleer bevat. Maar wèl mogen wij zeggen, dat in de Schrift de wijsheidsbeginselen liggen, die den christen-wijsgeer kminen (en moeten) dienen tot den opbouw van een zuivere en gezonde kenleer.

Ook bij den opbouw van zijn architectonischmonistische wereldbeschouwing laat de Schrift den denker niet verlegen. Met volkómen'handhaving van de dualismen tusschen geest en stof, vrijheid en wetmatigheid, persoonlijkheid en natuurorde, leert de §chrift ons heel de scheppingswereld te zien in den samenhang van een "hoogere eenheid. Deze eenheid is het creatuurlijke zijn op zichztelf dat God, buiten, maar tevens afhankelijk van Zich schiep. Maar deze eenheid ligt ook besloten in h e t doel, waartoe God de wereld in het aanzijn riep. Dit doel IS de verheerlijking van de schepping tot verheerlijking Zijns Naams. God houdt al het geschapene vast door eeuwige, alomtegenwoordige teacht en bestuurt de wereld tot het einde, dat voleindiging, zijn zal.

Het verscheuren van de schepping door de zonde belemmert God niet dit raadsplan der voleindiging uit te voeren. Het vreeselijk dualisme, dat de zonde wekt, wordt, wel verre van de wereld tot mislukking te doemen, de oorzaak (en tevens het .middel), dat God andere, en hoogere, wegen kiest tot bereiking van Zijn doel. Door een reeljs van glorieuse genadewonderen herschept God in Christus het ontredderd heelal. Het einde van do wereldgeschiedenis is, dat God, in de bedeeling van de volheid der tijden, wederom alles tot één vergadert in Christus, beide dat in den hemel is en dat op de aarde is (Ef. 1:10).

Het opsporen van deze genadewerken Gods valt buiten het terrein van het menschelijk verstand. De Schrift noemt deze werkelijkheid, tot beschaming van den wijsgeerigen hoogmoed, verborgenheid (mysterie). Maar deze verborgenheid IS óók wijsheid, een wijsheid, die den Grieken dwaasheid schijnt, maar die, juist omgekeerd, de wijsheid der. wijzen doet vergaan (l.Cor. 1:19).

Arm en naakt staat de trotsche filosofie aan den ingang van den wijsheidstempel, waarin „het dwaze der wereld", dat God uitverkoren heeft, roemend in den Heere jubelt:

„O, diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennis 'Gods! hoe ondoorzoekelijk zijn Zijne oordeelen, en onnaspeurlijk Zijne wegen!

Want wie heeft den zin des Heeren gekend? Of wie is Zijn raadsman geweest?

Of wie heeft Hem eerst gegeven, en het zal hem wedervergolden worden?

Want uit Hem, en door Hem, en 'tot' Hem, zijn alle dingen.

Maar aangezien de verlossing herschepping is, kan ook de wijsbegeerte in Christus hare wedergeboorte beleven. •

Christus, die onze krankheden droeg, geneest het doodzieke verstand.

Hij is ons van God tot wijsheid geschonken.

Hij leert ons den redelijken (logiscben) godsdienst.

Hij geeft ons Zijn Woord, opdat de mensch Gods volmaakt zij, tot alle goed werk (ook het werk 278 der wetenschap in al hare schoone veelvormigheid!) volmaaktelijk toegerust (2 Tim. 3:17)!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 mei 1924

De Reformatie | 8 Pagina's

In de school der wijsbegeerte.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 mei 1924

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken