GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Verband en Verbond

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Verband en Verbond

10 minuten leestijd

(V)

Bij de overweging van de gedachte een Gereformeerd Maatschappelijk Verbond te vormen, waarin zoowel werkgevers als werknemers gemeenschappelijk hun plaats zouden kunnen innemen, deed zich de vraag voor, of dit ook juridisch behoorlijk te verwerkelijken zou zijn, gesteld men zou om praktische, dwingende redenen moeten komen tot een indeeling in secties van werkgevers en werknemers. Daarvoor werd advies ingewonnen van een jurist. Mr D. Eggink, die zelf jarenlang werkzaam is als secretaris van een bedrijfsorganisatie. Zijn advies viel niet ongunstig uit; ' ik wil het hierbij laten volgen:

„Het recht tot vereenlglng en vergadering ligt in artikel 9 der Grondwet verankerd en is uitgewerkt in de Wet van 22 April 1855, S. 32. Blijkens art. 1 van deze wet wordt tot de oprichting eener vereenlglng geene machtiging gevorderd. Art. 2 schrijft voor, dat de vereenlglng, die strijdig is met de openbare orde, verboden is. Art. 3 bepaalt, dat een vereenlglng strijdig Is met de openbare orde, wanneer zij tot doel heeft — of haar feitelijke werkzaamheden gericht zijn op —:

Ie. ongehoorzaamheid aan of overtreding van de wet of van een wettelijke verordening;

2e. aanranding of bederf der goede zeden;

3e. stoornis in de uitoefening der rechten, van wie het ook zij.

Aangezien de instelling van publiekrechtelijke bedrijfsorganisaties door de nieuwe wet niet dwingend wordt voorgeschreven, is een vereenlglng, die tot doel heeft — of welker feitelijke werkzaamheden gericht zijn op, — het verhinderen der totstandkoming van een P.B.O. niet in strijd met de wet. Zij voert derhalve een wettig bestaan en kan zelfs als rechtspersoon worden erkend. Volgens art. 5 der wet van 1855 geschiedt die erkenning bij wet, wanneer de vereenlglng voor langer dan 30 jaren, en bij K.B., wanneer zij voor korter dan 30 jaren wordt aangegaan. (Bij de vraagstelling was deze zaak van de P.B.O. wel niet aan de orde gekomen. De heer Eggink refereert hier evenwel aan het hem bekende standpunt van schrijver dezes, die in het algemeen geen voorstander is van de P.B.O., gelet op de doelstellingen, die de verschillende voorstanders ervan daarbij nastreven. G.).

Uit Uw schrijven heb ik afgeleid, dat men een nieuwe vereenlglng wil oprichten, waarvan leden zijn leden van het Verbond van Christelijke Werkgevers eenerzijds en leden of groepen van' leden van het Christelijk Nationaal Vakverbond anderzijds. Tegen een dergelijken federatieven opzet bestaat in principe geen bezwaar. Het zal uiteraard gewenscht zijn, dat het stemrecht en de uitoefening daarvan In de statuten van de nieuwe vereenlglng duidelijk worden geregeld. Wil men de nieuwe vereenlglng rechtspersoonlijkheid doen verschaffen, dan zal het bovendien noodzakelijk zijn, dat de meervoudige leden eveneens rechtspersoonlijkheid bezitten. Door het Ministerie van Justitie wordt n.l. aan erkende vereenlgingen tegenwoordig de elsch gesteld, dat uit de statuten blijkt, dat als leden slechts personen-' en rechtspersonen kunnen fungeeren.

Hiermede kom ik aan Uw feitelijke vraag, of een werknemersorganisatie, die deel uitmaakt van een overkoepelende organisatie van werkgevers en werknemers, eigen rechtspersoonlijkheid kan bezitten. Deze vraag kan zonder meer bevestigend beantwoord worden. Hierboven gaf ik reeds aan, dat een dergelijke rechtspersoonlijkheid bij meervoudige leden zelfs een eisch is, wanneer men voor de overkoepelende organisatie rechtspersoonlijkheid verlangt. Dit zal dus ook gelden voor de werkgeverssectie. Uiteraard zal dit omzeild kunnen worden door voor de groepen een bepaald persoon als lid te laten optreden, die de groep weliswaar materieel, echter niet formeel, achter zich heeft. Ook is de structuur denkbaar, dat alle individuen lid van de nieuwe vereenlglng worden, zoodat de afdeelingen slechts de beteekenis van secties krijgen".

Tot zoover de heer Eggink.

Het wil ons voorkomen, dat de door ons beoogde opzet te verwerkelijken is en dan wel zoo, dat met name voor de behartiging van de belangen der werknemers, voldoende zekerheid wordt geschapen, dat er een rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam is, dat b.v. ; n gevallen van werkloosheid en daarmee verband houdende uitkeeringen, voor hen kan optreden en dat ook eventueele, gemeenschappelijke, sociale fondsen zelfstandig kan beheeren. Dit lichaam zal ook dan de pretentie moeten hebben, .op te komen voor de belangen der verbondsleden-werknemers, daar waar zulks noodig is. Het zal dus ook zich daarvoor bij de betreffende instanties moeten aandienen, na behoorlijk geïnstitueerd te zijn, om erkend te worden.

Met allen nadruk steiïen wij evenwel voorop, dat het één zijn in het Verbond, zoowel voor werknemer^als voor werkgevers, maar niet voor den vorm zal zijn, doch van primaire waarde, omdat alleen zóó de beleving van de gemeenschap der heiligen ook in dezen tot haar recht zal kunnen komen, opdat wij overeenkomstig onze als zoodanig erkende roeping elkander zóó ook den geboden bijstand kunnen bieden, ook financieel waar noodig, opdat er vooral zij constante, actief beoefende uitwisseling van gedachten, daar, waar het de vragen en zaken betreft, waarvoor men zich geplaatst ziet.

Uit tal van brieven, die wij inmiddels ontvingen, en die nog dagelijks blijven toestroomen, is wel gebleken, dat deze organisatie voor den maatschappelijken arbeid, direct gericht op het praktisch handelen, een onderwerp is, dat van groot belang moet worden geacht. Indien het vrEiagstuk van den tijd en de kosten voor vele, zooal niet de meeste belangstellenden, niet zulk een overwegende rol zou hebben gespeeld, dan ware het ongetwijfeld verkieselijker geweest, dezen tweeden opzet van het Verbond in een afzonderlijke vergadering inleidend te bespreken. Om de genoemde reden evenwel, besloot het V.C. tegemoet te komen aan den veelvuldig geuiten wensch, de zaak van het Verbond niet uit te stellen en gelijktijdig in behandeling te geven. Het gevaar is allerminst denkbeeldig, dat wij hierdoor voor een overladen agenda komen te staan. Ik mag dan ook wel een beroep op U doen, mee te werken tot een goeden gang van zaken en een vlotten loop van de vergadering.

Teneinde verwarring te voorkómen en de discussie zooveel mogelijk in geordende banen te leiden, zij het mij vergund, op een enkele zaak nog nadrukkelijk Uw aandacht te vestigen.

Men zou de vraag kunnen stellen, kunnen Verbond en Verband niet één zijn? Het Voorloopig Comité is unaniem van oordeel, dat het dien kant niet uit moet.

Het Gereformeerd Sociaal en Economisch Verband

staat open voor allen, die belangstellen in en willen medewerken aan een prirlcipiëele bezinning op sociale en economische vraagstukken, ook al nemen zij zelf maatschappelijk geen plaats in als werkgever of werknemer of in een der vrije beroepen. Wij merkten reeds op, dat onze hoogleeraren, onze predikanten en studenten en andere wetenschappelijke werkers, ons dus in • dit Verband als leden en niet maar als gasten, hartelijk welkom zijn en voorts allen, die in grondslag en doelstelling met ons één zijn, ongeacht of zij lid zijn van een werkgevers-of werknemersorganisatie. Reeds deze opzet maakt het onmogelijk, om Verband en Verbond in elkander te doen opgaan. • Want het Verbond zal alleen kunnen omvatten hen, die direct betrokken zijn bij een eigen maatschappelijken werkkring, beter gezegd, die een eigen maatschappelijke functie vervullen. De geschiedenis van Patrimonium, waarnaar ik een vorig maal in mijn inleiding reeds verwees, is daar, om ons als waarschuwing te dienen, niet in de fouten van het verleden te vervallen, waarbij de bezinning door het praktisch organiseeren geleidelijk aan geheel wordt overwoekerd en op den achtergrond geraakt bij de leden. Vanzelfsprekend staat niets in den weg voor den maatschappelijken werker om lid te zijn, zoowel van Verband als van Verbond. Doch jiaar onze stellige overtuiging moet het Studie-Verband onderscheiden en gescheiden zijn van het Werkend Verbond.

Wat nu de principiëele gedachte aangaat, die aandeze geschetste figuur van dit Verbond ten grondslag ligt, meenen wij, dat wij, bij het kiezen en aanvaarden van dezen vorm van organisatie, ons gemeenschappelijk uitgangspunt kiezen in het samen belast zijn met een arbeidsopdracht van God den Heer e, en het samen staan bij de vervulling van ieders onderscheiden opdracht als Gereformeerde bel ij der s.

Ds J. C. Sikkel heeft in zijn „Vrijmaking van den Arbeid" het ideaal naar voren gebracht - van de B e - drijfsgemeenschap en van de V a k g e - meenschap. Hem stond daarbij voor den geest de idee van de organische gemeenschap in den arbeid. Op blz. 112 van dit in 1903 geschreven werk uit hij deze gedachte als volgt: „Wat •een rijke, zedelijke daad zou het al zijn, zoo de Werklieden, door de Christelijke groepen voorgegaan, hun dwingende beweging, die de arbeidsgemeenschap zedelijk vernietigt, en het menschelijk leven verwoest, verzaakten om in hun groepen en naar den eisch der liefde en der eere, zoo anders dan tot nu toe, zich dienstbaar te maken aan de ware vrijmaking van den arbeid, door hun pleit voortaan te wijden aan den eersten stap tot organiseering van de arbeidsgemeenschap door vrijwillig aangegane overlegging tusschen patroons en mede-arbeiders bij aanvankelijk gecontracteerden, organischen rechtsvorm; opdat dan voortaan het recht geregeld worde en zich ontwikkele niet door dwang van buiten af, of van één zijde, maar door zedelijke gemeenschap i n het Bedrijf en het Vak, door gemeenschappelijke overlegging en samenwerking onder waarborg van recht binnen de arbeidsgemeenschap".

Voor goed begrip willen vnj opmerken, dat men aan woorden als bedrijfsgemeenschap en bedrijf niet geheel dezelfde beteekenis kan toekennen bij ds Sikkel, die zij in het hedendaagsche spraakgebruik, dat ook in dezen nog vrij verward is, hebben. Ds Sikkel verklaart b.v. zelf de beteekenis van zijn gebruik van het woord „bedrijf" aldus: Het bedrijf, het particuliere bedrijf is het, waarin de arbeid allereerst in gemeenschap leeft, en waaruit hij in breeder organisatie zich uitbreidt. Een arbeidersorganisatie en een patroonsorganisatie, die samen onderhandelen, zijn niet de organische gemeenschap, evenmin als die arbeidersorganisatie afzonderlijk." (Vrijmaking van den Arbeid, blz. 113). Ds Sikkel verduidelijkt deze gedachte verder op deze wijze: „De organische gemeenschap in den arbeid leeft allereerst in het particuliere bedrijf; dat particuliere bedrijf is het, waarin de menschen hun werk in organische gemeenschap verrichten." (a.v. blz. 113). In die arbeidsgemeenschap wilde hij dan tweeërlei zien in rekening gebracht: ten eerste „het recht der broederliefde door erkenning en eerbiediging van het leven, dat God in Zijn genade geeft." Een tweede voorwaarde was volgens hem: dat „het recht van het gezag, van den geest in de organische arbeidsgemeenschap worde erkend", zonder welke die gemeenschap volgens hem onmogelijk was (a.v. blz. 114). Dit gezag zag hij dan „uitgaan van het recht tan den geest, - die het Bedrijf richt, van het eigen recht en de vrijheid van den ondernemer, van den Patroon" (blz. 115) „zonder de erkenning van dat gezag, zoo sprak hij het uit, is vrijmaking van den arbeid niet mogelijk." (a.v. blz. 115). .

Het wil mij voorkomen, dat, met dit gedachtengeheel van ds Sikkel voor oogen, wanneer wij zouden komen tot een gemeenschappelijke organisatie, waarin vereenigd zijn allen, die erkennen den Schriftuurlijken eisch tot arbeiden, tot hen komende in de Scheppingsopdracht van Godswege, welke opdracht zij uit kracht, die God verleent, in beginsel dank zij de verlossing van hun gansche leven door Christus mogen vervullen, en die zich derhalve gehoorzaam buigen onder het Woord Gods, waarvan de belijdenisschriften der Kerk ons de hoofdsom leeren, wij gaan arbeiden aan iets, wat ook een man als ds Sikkel als ideaal voor den geest moet hebben gestaan.

P. GROEN.

P.S. In het artikel van de vorige week is bij het op schrift stellen van den tekst van mijn referaat 'n fout ingeslopen. Gelijk men op blz. 18 van de Toelichting op het Synodebesluit tot schorsing van Prof. Dr K. Schilder kan lezen, beschuldigden deputaten hem ervan, dat hij zich had „schuldig gemaakt aan de In Art. 80 K.O. genoemde zonden van scheurmaklng en aan wat in ons AvondmaalsformuUer wordt omschreven als het begeeren aan te richten van tweedracht, sekten en muiterijen in onze kerken". Deputaten en Synode hadden zich dus de zaak terdege in haar karakter ingedacht en gefixeerd. Zij verwezen zelf naar het Avondmaalsformulier. Derhalve is het niet anders dan een hen volgen in hun eigen aanwijzing en een eenvoudig aanhooreu van hun eenmaal nadrukkelijk uitgesproken oordeel over ons, wanneer wij hun kerken keer op keer bij het Avondmaal hooren betuigen, in den Naam des Heeren, dat allen, dus ook wij, die zich aan deze bovengenoemde zonden schuldig gemaakt hebben, geen deel in het rijk van Christus hebben.

G.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 24 maart 1951

De Reformatie | 8 Pagina's

Verband en Verbond

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 24 maart 1951

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken