GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

KERKELIJKLEVEN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKLEVEN

24 minuten leestijd

„Het verbond Gods". (III.)

Gemakshalve lieten we verleden week even dr A. Kuyper, naar wien prof. Aalders verwees, rusten, onder belofte evenwel, op hem terug te komen. Dat doen we thans.

Aanleiding daartoe ligt in het (lang niet uitzonderlijke) feit, dat ook in dezen elkaar bestrijdende theologen zich beide op Kuyper beroepen. Een aanmaning om met het etiket „ongerefonneerd" wat zuinig om te gaan, en het alleen te gebruilcen, als men duidelijke argumentatie geeft tegenover andersdenkenden.

We stellen naast elkaar Aalders en Ten Hoor.

Prof. Aalders, nog steeds bezig met zijn als de alleen gereformeerd voorgestelde opinie, dat Christus HOOFD van het genade verbond is, verwijst naar dr A. Kuyper, Uit het woord V, 107—111 (later, 1909, verschenen onder den titel: „De Leer der Verbonden"). Dr Kuyper kiest daar zijn positie in Rom. o, „de schitterende pericoop, waarin de... apostel ons... aantoont, hoe in het stuk der genade Adam en Christus dragers van eenzelfde gedachte waren" (107). Het hoofdstuk gaat over de toerekening. Dr Kuyper construeert de dingen als volgt:

„Er is tweeërlei manier, waarop ons iets uit Christus toe 'ka.n Homen. We kunnen namelijk óf optreden als leden van zijn lichaam; d.i. als in ons dragende datzelfde leven dat in hem is; één leven met 'hem levende; met 'hem lotgemeen.

Of ook we kunnen optreden „als leden ivan 'het genadeverbond", waarvan Hij het Hoofd is; d.w.z. als in zake van recht en toerekening met hem in één verband staande.

•De vraag is 'dus maar, wat wordt in Romeinen 5 bedoeM? De lotsgemeenschap mot den Christus als ons Leven, dan wel de lotsgemeenschap met den Christus als Hoofd van het genadeverbond?

En lop die vraag nu kan noch mag anders dan in laatstbedoelden zin geantwoord: Romeinen 5 handelt van onze lotsgemeenschap met den 'Christus ais ons V e r b o n d s h o o f d.

Waaraan men dat zien kan? Wel, uiterst eenvoudig !

Zoo'dra er ivan toereikening sprake ie, hebt ge natuurlijk met een „verbond" te doen, en eerst als 'het u toegerekende later in u wordt uitgewerkt, komt de gemeenschap des Levens.

Een verbond gaat top 'zedelijke verplichtingen. Ailleen bij een verbond is er 'dus van toerekening sprake. En overmits nu heel Romeinen 5 staat of valt met de toegerekende gerechtigheid van den Christus, zoo is het hiermee dan ook uitgemaakt, dat de 'Christus hier voorkomt en toe wordt gejubeld en gedankt als de Middelaar en Borg, die in het verbond 'vloor ons optrad, en dus krachtens 'dat verbon'd een gerechtigheid verwierf, die alleen op- grond van dat verbond voor toerekening vatbaar was en ons toegerekend wierd."

Tot zoover dr A. Kuyper. We zullen, al viel er toch wel over te praten, ons niet lang ophouden met de objectie, dat dr Kuyper hier behalve den naam „Hoofd" ook dien van „Middelaar" (optredende in het verbond) bezigt. Want het is onmiskenbaar, dat straks, bl. 111, de beide Adams als Hoofd van een verbond (resp. werk- en genadeverbond) door hem worden voorgesteld. Kuyper's parallel tusschen Adam en Christus als Verbondshoofd (met toerekening van schuld dan wel gerechtigheid) aan allen, die in het verbond besloten zijn, is duidelijk genoeg (111).

Nu zullen we thans nog niet er over spreken, dat prof. dr S. Greijdanus, destijds nog predikant, in 1906 een referaat gepubliceerd heeft over den „Toerekeningsgrond van het Peccatum Originans (Adam's .JBondsbreuk)". Over dat referaat is destijds al heel wat te doen geweest, en in „De Heraut" (— er is niet véél nieuws onder de zon —) is de schrijver lang geleden beschuldigd van ongereformeerdheid; een vonnis, dat later zoo ongeveer teruggenomen is door „De Heraut", en heelemaal door de synode, die den referent tot hoogleeraar benoemde. Wel vragen we ons af, waarom prof. Aalders thans, nu er sinds meer dan 33 jaar verloopen zijn, niet de minste aandacht wijdt aan zijn Kamper collega-exegeet, tenminste, nu hij zijn meening als de alleen gereformeerde komt aandienen. Heel de strekking van prof. Greijdanus' referaat was, naar diens eigen getuigenis (54) immers, juist „te betoogen, dat de gronden voor toerekening, eenerzijds van Christus' gehoorzaamheid en anderzijds van Adam's ongehoorzaamheid, verschillen". M.a.w. de parallel, dien dr Kuyper trekt tusschen de beide Adams, schijnt prof. Greijdanus niet juist, deels niet ter zake te zijn. „De vraag", aldus pi'of. Greijdanus, bl. 39, „de vraag is, of Adam en Christus geparalleliseerd worden óók inzake den grond van toerekening, zoodat zij ook desbetreffend elkanders beeld en tegenbeeld vormen. Calvijn ontkent dit... Adam en Christus komen hier in vergelijking ten aanzien van hetgeen zij doen voor de menschheid, maar niet met betrekking tot de vraag, wat God om hunnentwil aan ons doet... Alzoo blijkt dus, dat het... punt van vergelijking zich in deze verzen niet uitstrekt tot den grond, waarop God ons om Adam's rebellie zoude verdoemen, of om Christus' verdienste rechtvaardigen" (41).

Tot zoover prof. Greijdanus. Als hij gelijk heeft, valt Kuyper's constructie, zooeven geciteerd, omver.

Het moet ons van het hart — en we zeggen het nogmaals, opdat men wete, waarom we tegen prof. Aalders evenzeer als tegen dr Thijs ons schrap zetten — dat het ons leed doet, dat prof. Aalders in de periode 1936 —1939 zijn best doet, ons een verbondstheorie op te dringen, die gladweg negeert, wat van gereformeerde zijde (we komen straks nog op anderen) te berde is gebracht. Te; gen scherpe conclusies hebben we geen bezwaar, behalve, als ze ernstige bedenkingen van de allernaasten volkomen dood zwijgen. Men vi'aagt zich af, hoevelen, die dadelijk in het raam der huidige controversen ingenomenheid betuigen met verbondstheorieën zoowel van dr Thijs als van prof. Aalders, zich realiseerden, dat en welke kwesties er aan vast zitten. Zulke broeders bevorderen den vrede niet, evenmin als prof. Aalders, die opinies, welke reeds lang geleden onder ons verdedigd zijn, thans als niet-gereformeerd aandient, zonder evenwel de bewijsvoering weer te openen.

Maar we zouden nog verder gaan. Als prof. Aalders toegekomen is aan de nadere uitwerking van wat hij bij dr Kuyper (inzake den parallel der twee verbondshoofden) 'gevonden heeft, dan voert hij de onderscheiding tusschen wezenlijke en niet-wezenlijke bondelingen in. Het getal der wezenlijke bondelingen is z.i. gelijk aan dat der uitverkorenen. En deze meening blijkt op Kuyper te willen steunen. In deze lijn ligt dan ook bij prof. Aalders de onderscheiding tusschen „wezen" en „verschijning" des verbonds (211, 216); hij neemt zelfs „een zekere tegenstrijdigheid" aan „tusschen het wezen van het genadeverbond en de uiterlijke verschijning waarin het optreedt". Volgens prof. Aalders heeft het „den Almachtige beliefd de bijeenvergs-dering Zijner uitverkorenen aldus te doen plaats hebben, dat de uiterlijke verschijning en de inwendige realiteit van het genadeverbond elkaar nimmer volkomen dekken".

Blijkbaar heeft prof. Aalders aan de onderscheiding van wezenlijk, dan wel niet-wezenlijk genoeg. Ik las bij hem nergens een uitlating, die de neiging verried, om tusschen „ w e z e n 1 ij k e " en „ w e r k e 1 ij k e " bondgenooten nog weer nader te onderscheiden. Eerder het tegendeel. „Wezenlijk" en „werkelijk" schijnen voor prof. Aalders synoniemen te zijn. Op bl. 215 b.v. vraagt hij: „was Ezau in w e r k e 1 ij k h e i d in het verbond Gods begrepen? " en antwoordt ontkennend. En op bl. 217 staat: „Omtrent het wezen van het verbond kunnen wij hier geen zekerheid erlangen. Wij kunnen niet op feillooze wijze uitmaken, wie er werkelij k tot het verbond behooren, en wie niet".

Welnu, hier verschijne nog even Te n Hoor ten tooneele. Verleden week noemden we ook hem onder degenen, die tegen Kuyper's these van Christus als Hoofd van het genadeverbond bezwaar hadden. Maar merkwaardigerwijze gebruikt Ten Hoor in zijn leer des heils (soteriologie) onder beroep op dr A. Kuyper de onderscheiding tusschen wezenlijke en werkelijke bondelingen. Aalders meent: „geen wezenlijke bondeling? dan ook geen werkelijke". Ten Hoor evenwel: „geen wezenlijke? dan toch een Vv'erkelijke". En ook hèm brengt dr Kuyper den gewenschten steun. Ten Hoor citeert n.l. Kuyper's „Uit het Woord" II, 329, 330: „W e z e n 1 ij k e bondgenooten zijn. alleen, die in Christus ingeplant en der eeuwige zaligheid deelachtig zijn of zullen worden. Maar w e r k e 1 ij k e bondgenooten zijn bovendien al dezulken, die tijdelijk met dezen kring van godzaligen in organisch verband stonden". Ten Hoor concludeert dus terecht, dat men bij Kuyper van niet-uitverkorenen als niettemin w e r k e 1 ij k e bondgenooten kan hooren spreken.

Dat is dus weer een andere constructie. Ze bewijst ten overvloede, dat zelfs wie Kuyper's meening meent te verdedigen tegen anderen, hem soms weer loslaat op een punt, waarop die anderen aan zijn kant kunnen gaan staan.

Moge dit leerzaam zijn, en een les, om vooral niet in 1939 aan te sturen op onverantwoorde synodale uitspraken over het verbond (we laten liever de theologie vrij), nog uit een anderen gezichtshoek blijkt zulk een les ons noodig. Er zitten — het voorbeeld van prof. Greijdanus leerde het ons reeds — heel wat problemen aan prof. Aalders' uitspraak vast. We zouden kunnen wijzen op L. J. Hulst (Supra en Intra, een wow'd van verdediging en toelichting, Nijkerk, G. F. Callenbach), die zelfs het gevaar van nestorianisme •"•) ziet dreigen van de zijde der „drijvers van een eeuwig genadeverbond", en Christus niet als Hoofd, doch als M i d- d e 1 a a r des Verbonds erkent (37, 54). Dat bezwaar is niet door velen overgenomen. Anders staat het evenwel met de opmerking van Hulst, dat indien het verbond met Christus als tweede part ij is opgericht, tevens in qualiteit van Hoofd der zijnen, men dan Christus' verantwoordelijkheid dient te aanvaarden. Ds T. Bos blijkt dit bezwaar te voelen, als hij opmerkt („De Wachter" I, 24, 29 Mei 1903):

„In den waren, eigenlijken zin des woords kan men niet zeggen, - dat God het Genadeverbond met Christus opgericht heeft, want dan zou daaruit volgen, dat 'G'od in dat Verbond werd de God van Christus, en 'Christus uit vrije genade het eigendom geworden is van 'God. Het Verbond is dus opgericht met mensohen die geworden waren „zonder God in de wereld", en door het Verbond genadiglijli weder aangenomen werden tot een volk van God.. .. Alleen moet daarbiji opgemerkt worden, dat 'dit niet bon zonder 'den Borg, Jezus Christus.... In DIEN zin kan dus gezegd worden, dat 'het Genadeverbond is opgericht met 'Christus en in Hem alleen met de uitverkorenen."

Nog een ander bezwaar van Hulst vindt in den laatsten tijd erkenning. Hulst vraagt:

„Zoudt gij waarlijk in ernst denkien, 'dat de voorstelling meer 'Gode waardig zou zijn, dat Hij, in acht nemende des mensohen algeheele o n m a o 'h t ten goede, van eeuwigheid oen verbond Sluit ten opzichte van zekere menschen met Christus als hun Hoofd, zoodat H ij voor hen verantwoordelijk is, én zij als •dood kapitaal Hem in handen zijn gesteld? " (82).

Men bemerkt: die kwestie van dat „doode kapitaal" is in dit citaat het nieuwe element in de discussie. Letterlijk dezelfde uitdrukking treffen we aan in een gedrukt catechisatieboekje, aflcomstig van een predikant der Chr. Geref. Kerk, die zijn bezwaar tegen wat hij noemt de „neo-gereformeerde" opvatting van het Genadeverbond aldus onder woorden brengt (vgl. „Bazuin", 9 Sept. 1937):

opvat­ Wat is de JSTeo-Gereformeerde ting over 'het genadeverbond?

A. 'Dat God in de stille eeuwigheid een genadeverbond heeft Opgericht, niet met den zondaar, maar met Christus den Verlosser, die hierbij niet voorkomt als Middelaar maar als Hoofd, vertegenwoordigende alle maar ook alléén de uitvexikorenen, die Hij voor Zijn rekening neemt, de uitverkorenen komen daarin 'du's niet voor als menschen met wie God iiandelt, want zij waren nog nergens dan in de gedachten Gods, maar als dood kapitaal dat verhandeld wordt a£ui den Zoon, en waarvoor dus ook niemand verantwoordelijk is dan de Zoon.

Als dat niet op Hulst teruggaat, dan is mijn dogmenhistorische knobbel niet sterk ontwikkeld.

Hoe dat zij, men ziet, dat er aan de kwesties heel wat vast zit. Het is geen oude A- of B-kwestie, maar die zit er wel zijdelings aan vast. Vandaar ook, dat men dadelijk hier denkt aan de huidige Christelijke Gereformeerden, die door exclusivistische uitlatingen als van prof. Aalders allicht weer verder van ons af komen te staan, dan wij zelf blijkens onze toenaderingspogingen blijken wenschelijk te achten.

Ook rnet het oog daarop zullen we nog enkele punten hebben onder de oogen te zien: we komen dan Jongeleen, Kersten, Wisse, Beuker en nog wel anderen tegen, en zeggen tot zoolang: so long!

K. S.

De scheuring in Amerika. (X.)

Onze beantwoording van ds Lyzenga vervolgende, komen we toe aan de kwestie van „poiein" en „prassein". Ik ben me ervan bewust, dat ik, door op deze vragen in te gaan, even afbuig van de lijn dezer reeks, Toch waa, g ik 'ter maar op, want óók nu heeft het incident-Lyzenga symptomatische beteekenis. Het is een merkwaardig exempel van de gevaren, die de Chr Ref. Church bedreigen van de zijde van enkele woordvoerders (niet te verwarren s.v.p., met het gros der predikanten en leden). Het gevaar met name van overschatting der vermogens en bedoelingen van den „natuurlijken mensch".

„Poiein" en „prassein", wat is dat voor een kwestie? We verwijzen voor beantwoording dier vraag naar onze Catechismusbijlage, bl. 83, v. Daar wordt gehandeld over Paulus' uitspraak, Rom. 2 : 14, 15, volgens welke de heidenen krachtens hun natuur, zonder dat hun op Sinaï of anderszins de in de Schrift ons geopenbaarde wet bekend gemaakt is, DOEN de dingen, die der wet zijn. Ik merk dan op:

Nu wordt hier in het grieksch een werkwoord gebruikt voor „d to e n", dat bizonder onze aandacht verdient. Het is „p o i e i n". Daarnaast is er nog een ander werkwoord in 'het grieksch, dat óók vaak door „doen" wordt weergegeven: „prassein". Eén onzer uitleggers nu ziet het 'verschil tus'schen 'beide werkwoorden vrij scherp uitgedrukt, ook in ons óhoofdstuk, Rom. 2. In de verzen 2 en 3, en ook in ivs.

25 staat „prassein", in vs. 13 en 14 'daarentegen „poiein". 'Leg die verzen nu eens naast elkaar; wat treft u dan? Het is dit: „prassein" beteekent meer zult dtoen, waarbij' hee'l de persoon in actie is, in 'het werk leeft, zich eraan geeft, het „i n pr act ijle breng t". „P o i e i n" daarentegen 'duidt een handeling aan, zónder dat er exira gelet wordt op 'den p e r s o o n, die 'haar verricht, of de bedoelingen, 'die er bij' voorzitten, of de regelmaat, waarmee hij al of niet 'het werk volvoert. Bij „poiein" komt het meer op het zichtbare, reëele resultaat aan, op het werkelijke prioduct der handeling, op datgene, wat in de realiteit geschied is, zonder dat daarmee nog" iets gezegd wordt over het doorloopende werk of de wezenlijke bedoeling van den handelenden persoon.

En op bl. 85 merkte ik op:

Tusschen poiein en „prassein" is dan 'ook 'het verisc'hil door 'den zooeven bedoelden exegeet (prof. 'Greijdanus) aldus weergegeven: „po'iein" = „volvoeren, zóó, 'dat er een pro'duot tot stand komt, zij 'het ook niet altij'd tastbaar"; het is: „een doen, waai"door iets tot sta n d k to m t, iets v' o o r t g e 'b r a c h t •wordt" ('Greijdanus, 'Komm. Rom. 124, 121). Daarentegen omschrij'ft hij „p r a s s e i n" als: „er zich mede bezig hou'den, zijn werk ervan maten"; hier wordt gewezen naar Joh. 3 : 20, Hand. 19 : 19. „Prassein", vooral als het in den onvo'ltooid tegenwoordigen tijd staat, wil zeggen: iets gedurig doen, 'Zijn „bedrijf" envan maken. „De wet 'doe n" in den zin van „p r a !s s e i n" (een uitdrukking, die voorkomt in Bom. 2 : 25) wil 'dan ook iets anders zeggen, dan wat in ons vers 14 van de heidenen staat, dat ze n.l. „d oen" (p o i e i n) 'de dingen van de wet. Dit laatste behoeft in hun geval niet meer in te 'houden, dan dat incidenteel, fragmentarisch, in 'dit en in dat, bepaalde handelingen 'bij hen aan te wijzen zijn, die, hoewel een heiden ze verricht, naar 'den buitenkant overeenkomen met wat de wet Gods van den bondeling vraagt; zooals ook de farizeën dat doen, en do liberale menschen van 'vandaag. Maar „d e w e t 'd o e n", in 'den zin van „prassein", dat is nog 'heel wat anders. 'Dat beteekent: „de wet in practijk brengen"; 'bij zijn „d'oien en laten" zich' „door de wet laten be'heersohen". Hier, bij dat „prasseih" van de wet, „gaat het nu niet" (zooais in 'het geval van poiein) „om een product of resultaat, doch O'm het in zijne wei'kzaa'mheden zich houden aan de wet, inwendig en uitwendig, ten volle" (Greij­

danus, 123, 130, 156; vgl. ook 344). Tegen deze opvatting nu heeft ds Lyzenga bedenking. Het feit, dat daarin verwezen wordt naar een exegeet, die het Nieuwe Testament doorkropen heeft, schijnt hem niet te hinderen; en evenmin „De Heraut", die

van „weerlegging" spreekt. Helaas heeft ds Lyzenga de zaak niet begrepen. Het­

geen uit enkele bizonderheden blijken moge. a. Vooreerst is het leuk, te vernemen, dat volgens ds L. de woorden „poiein" en „prassein" in de Schrift niet zoozeer van elkaar verschillen, dat een leeruitspraak op het gebruik van dat woord kan worden gebaseerd. Ikwil 't wel gelooven; want — zie artikel vorige week — het was me er juist om te doen, aan te toonen, dat op Rom. 2 : 14, 15 veel te veel is „gebaseerd", b.v. door (gemeene-gratie-theoretici, die zonder voldoende kennis van het verleden der gereformeerde theologie en zelfs der Leerregels^) maar doordraven. De verhoudingen worden precies omgekeerd. Ik zeide slechts: dit en dat STAAT ER NIET. Want het slappere woord wordt gebruikt, het sterkere niet. Dat maant tot voorzichtigheid. En dat zou nu de basis zijn voor een eigen theorie? Kom, kom!

b. Ds L. is één oogenblik voorzichtig in de weergave van wat ik zei; helaas blijft het bij een oogenblik. Dat Ééne moment was er, toen hij schreef, dat volgens mijn meening het werkwoord „poiein" ontkent, of ALTHANS BUITEN BESCHOUWING LAAT de inneriijke gezindheid van den handelenden persoon. Dat „buiten beschouwing laten", dat heb ik inderdaad gezegd; men leze slechts de aangehaalde passages. Maar dan gaat verder ds L. redeneeren, alsof naar mijn meening i.poiein" zou ontkennen, dat de handelende persoon met heel zijn hart en ziel zou handelen, ja, zou b e- weren, dat hij in zijn hart een afkeer heeft van wat hij doet. M.a.w.: als ik zeg: dit en dat werkwoord spreekt zich er n i é t over uit (hoe n.l. de heiden gezind is), dan doet ds L. net alsof ik gezegd heb: het werkwoord spreekt zich er wèl ter dege over uit. De broeder draaft eenvoudig door. Ik bestreed bepaalde gemeene-gratie-theoretici, die zeggen: dit en dat •> g ó e d s " weet ik te vertellen van het hart der heidenen; bewijs: Rom. 2 : 14. Ik merkte op: het daar gebezigde werkwoord „poiein" laat zich daarover öi61 uit, uw conclusie was dus te haastig. En nu maakt ds L. daarvan, dat ik gezegd zou hebben: dit en dat „kwaads" weet i k van het hart der heidenen: bewijs Rom. 2 : Vi. Ik weet niet, of in Amerika het ambtsgeheim van predikanten bestaat. Laat ons het aannemen. Als as L. wedervaart naar zijn eigen logica, dan zal het liet best wezen voor aangeklaagde gemeenteleden. Als «e verdediger vraagt: roep ds L. als getuige a dé- ™arge op, en ds L. zegt dan: ik laat me over de zaak w kwestie niet uit, dan kan de aanklager zeggen: Qs L. heeft den aanval ondersteund: beklaagde moet - hangen op grond van wat de dominee „gezegd" heeft. Het vonnis is dan „based" op ds L.'s verzekering, dat öiJ zich niet over de zaak uitliet.

c. Daarom is het ook „nonsense", als ds L. beweert, lat volgens mij „prassein" in 't algemeen (dus ook als 1 niet sprake is van „de wèts-prassein"), zou beteekenen: handelen uit kracht van een innerlijk respect voor de wet, doch „poiein": handelen zonder die innerlijke achting. Als tegen die uit ds L.'s fantasie ontsproten stelling dan allerlei tekstenmateriaal wordt aangevoerd, gaat mij dat geheel voorbij. Ik heb alleen beweerd: iemand KAN gezegd worden, iets te „poiein", zonder dat zijn hart er bij is. Als „The Banner" over de gemeene gratie serieus wil gaan schrijven, dan kan het blad, wat mij betreft, diè stelling ontzenuwen; ik zal me dan dadelijk gewonnen geven, althans voor wat Rom. 2:14, 15 betreft, en erkennen, dat er meer in zit, en dan ten gunste van den onwedergeboren mensch, dan ik dacht, en dan zal ik meteen een gravamen indienen tegen de Dordtsche Canones, die beweren, dat hij zijn natuurlijk licht ten onder houdt, geheel bezoedelt, en misbruikt. Zoolang „The Banner" evenwel zulk een campagne niet aandurft, hetgeen ik maar hoop, en ook wel geloof, zal ik dit geredeneer van ds L. ijdel noemen, en een di'oevig misverstand.

d. Ook al zóu ds L. me goed begrepen hebben inzake de al-of-niet-breedheid van den inhoud van wat de werkwoorden „poiein" en „prassein" zéggen willen, ook dan zou hij nog misverstanden opgehoopt hebben in zijn artikel. Hij redeneert: volgens Schilder is de man van wien het „poiein" geldt, er niet con amore bij als hij handelt; dat geldt alleen van het subject van het „prassein". Und jetzt geht's los. Waar haalt echter ds Lyzenga die wijsheid omtrent mijn beweringen vandaan? Ook volgens mij kan iemand con amore een bepaalde handeling (poiein) verrichten, al houd ik van hem vol, dat hij zijn practijk er niet van maakt (prassein.) Iemand kan een bepaalde HANDELING met hart en ziel doen, maar dat houdt nog niet in, dat hij het overeenkomstige (doorloopende) HANDELEN met hart en ziel zou doen; noch ook, dat hij de motieven deelt van wie doorloopend zijn practijk maakt van bedoelde handeling. Een amateurfotograaf maakt losse foto's; waarschijnlijk heeft hij met koortsoogen zijn beeld zien opkomen, toen hij het negatief ontwikkelde. De beroepsfotograaf, die op 't zelfde oogenblik ook een negatief ontwikkelde, dacht misschien en passant aan een onbetaalde rekening, en 't kon hem „momenteel" maar matig interesseeren, toen het beeld langzaam opkwam. Niettemin maakt die laatste mijnheer zijn beroep van het fotografeeren; en de amateur niet. Het is alsnu dwaasheid te zeggen: Schilder ontzei den amateur de interesse. Weineen, hij heeft alleen maar betoogd, dat de amateur zijn beroep niet maakt van het fotografeeren. Hij ontzei den amateur de diepe interesse voor het fotografeeren, niet de acute interesse voor zijn foto. De amateur heeft het vak niet lief, anders was hij wel fotograaf geworden. Zoo staat het ook met den heiden, die in dit en in dat wetsanaloge handelingen verricht. Hij is daar mogelijk met heel zijn ziel in; maar dat is wat anders, dan te verklaren, dat hij de wet zelf liefheeft, en graag gehoorzaanrt, zijn practijk van het gehoorzamen maakt.

e. Ook vergeet ds L., dat, indien ik de werkwoorden „poiein" en „prassein" scherp onderscheiden zou hebben (des neen, mijn voorbeelden illustreerden slechts de bewering omtrent hun meerdere of mindere draagwijdte), alsdan nóg dit te bedenken zou vallen: de man, die iets in practijk brengt, levert honderd en één „poiêma's" (resultaten der handelingen). Maar de man, die alleen maar „poiêma's" aflevert, komt nog niet tot het „prassein" toe. M.a.w. het subject van prassein is ook dat van poiein, maar niet omgekeerd. De beroepsfotograaf levert veel meer foto's af dan de amateur; maar de amateur geen één beroepsfoto. Als dus Paulus zegt: ook heidenen „doen" („poiein") dingen-van-de-wet, dan staat daar niet: a. de heidenen hebben de wet in het hart geschreven (zooals ettelijken, zie Catechismusbijlage, beweren); b. ze hebben dus een organischen drang tot wetsgetrouwheid (het werkt van binnen naar buiten); c. ze maken dus hun practijk van de gehoorzaamheid, zij het dan incomplete. Het subject van „poiein" mag ik niet tot subject van „prassein" maken, tenzij het uit andere Schriftplaatsen mocht kunnen gevindiceerd worden. Wie alleen maar Rom. 2:14, 15 voor zich heeft, mist het recht er toe.

f. Als ds Hoeksema op hetzelfde aambeeld hamert, heeft hij daarin gelijk. En als men met hem, d.w.z. met de problemen, die aan den strijd vóór en tegen hem verbonden zijn, klaar komen wil, dan doet men beter „The Banner" te vrijwaren tegen een ondoordacht artikel, waarin iemand (de bedoelingen zullen wel goed zijn), onbedoeld de verzenen tegen de prikkels der Dordtsche Leerregels slaat. Als toch aldaar te lezen staat, dat de onwedergeborenen hetgeen zij aan natuurlijk licht hebben, ten onder houden, bezoedelen, en wat dies meer zij, ja zelfs geheel bezoedelen, dan hoor ik daarin: het „poiein" is bij hen wel, maar het „prassein" niet. Ik wilde wel, dat de Chr. Ref. Church in „The Banner" een orgaan bezat, dat aan de gemeene gratie evenveel aandacht wijdde als het zusterorgaan „De Wachter" er doet. Dan zouden althans de kwesties voor

den dag moeten komen.

K. S.

Palestina Diorama's.

In het pand Schotersingel 117 A te Haarlem zijn, zooals ik reeds verleden jaar meedeelde, prachtige en voor wat de voorstelling betreft, wèl overwogen bijbelsche panorama's te zien, die het leven in Palestina willen uitbeelden. Met 'toog op de (a.s.) vacanties wil ik ook thans nog deze enkele regels in 't redactioneel gedeelte wijden aan deze diorama's. Het is nu de tijd om de vacantiegangers op te wekken ze te gaan zien. Met name óók de jongeren, en hun leiders, zullen van een bezoek kunnen profiteeren. De anderen niet minder. Er is geld noch moeite gespaard, om er iets moois van

te maken.

K. S.

Psycho-analytische geschiedbeschrijving.

Volgens het tijdschrift Revelation heeft prof. Sigmund Freud, de bekende psycho-analyticus, gevlucht uit Weenen, thans in Engeland, een monografie over Mozes afgesloten. Prof. Freud is een Jood, vandaar zijn wijken uit Weenen, toen de druk der nazi's er te sterk werd. Vandaar ook, dat wij belangstellend uitzien naar het antwoord, dat deze Jood zou geven op de problenaen, rakende den grooten Jood Mozes. Het is nu èn voor nazi's èn voor gereformeerde christenen ietwat teleurstellend, dat, nog steeds volgens gemeld tijdschrift, de studies van Freud rakende de psycho-analyse en de vergelijkende godsdienstwetenschap hem hebben geleid tot de „conclusie", dat Mozes zelf geen Jood, doch een Egyptenaar was, die aan Egypte de religie ontleend had, welke hij aan de Joden gebracht heeft.

Men zegt, dat de publicatie spoedig te wachten is. Maar zouden de nazi's Freud maar niet inviteeren om terug te komen? Men kan hem zóó naast ettelijke arischduitsche professoren aan 't werk zetten — de critiek, die Rosenberg op den bijbel oefent, kan er zelfs van

profiteeren...

K. S.

De Kleine Catechismus van Zacharias Ursinus. (VII.)

35. Is dan Christus niet met ons tot aan het einde der wereld, geli}k Hij ons beloofd heeft?

Daar Christus waarachtig God en waarachtig mensch is, zoo is Hij naar Zijn Godheid, Majesteit, genade en Geest altijd in de Gemeente tegenwoordig; ofschoon Hij naar Zijn menschelijke natuur thans niet op de aarde, maar in den hemel is.

36. Worden dan de twee naturen in Christus niet uiteengeruki, wanneer de menschelijke niet overal is waar de Goddelijke ts?

Geenszins. Omdat immers de Godheid oneindig en tegelijk overal tegenwoordig is en blijft, is 'theelemaal niet noodig, dat zij, om ergens anders te zijn, van haar lichaam losgerukt wordt of scheidt.

37. Waarom zegt gij, dat Hij ter rechterhand Gods zit?

Omdat Hij daarom ten hemel gevaren is, opdat Hij daar in Zijn menschelijke natuur Zich de Heer van alle schepselen en het Hoofd der Gemeente zou verklaren, door Wien de Vader alles bestuurt, en opdat Hij ons met de gaven van Zijn Geest zou vervullen, en ons tegen alle Zijne en onze vijanden op almachtige wijze zou beschermen en bewaren.

38. Wat gelooft gij van Zijn wederkomst om te oordeelen de levenden en de dooden?

Dat Hij waarlijk naar Zijn menschelijke natuur, zooals Hij naar den hemel is gevaren, wederom vandaar ten jongste dage in de heerlijkheid Zijns Vaders zal nederdalen, en, na alle goddeloozen in de eeuwige straffen te hebben weggeworpen, mij met alle uitverkorenen van alle kwaad zal bevrijden, en in het eeuwig en hemelsch koninkrijk, dat Hij in mijn naam reeds in bezit genomen heeft, tot Zich zal opnemen.

G. B.


1) „Als men aan den wil der menschheid des Heilands het sluiten van een verbond toekent, dan kent men Hem ook eene menschelijke persoonlijkheid toe; want men sluit geen verbond met iemand, die geen persoonlijke zelfverantwoordelijkheid heeft. En als men Hem eene menschelijke persoonlijkheid toekent, dan heeft men de verworpene dwaling van Nestonus, die twee personen in den Heiland stelde, " Hulst, a.w. 47, noot.

1) Dr Prins' dissertatie (promotor prof. Hepp) schreef aan r j™^''™ to^, vi^at dezen den Remonstranten toeschreven, zie ^rechismusbijlage 'blz. 95.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 juli 1939

De Reformatie | 8 Pagina's

KERKELIJKLEVEN

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 juli 1939

De Reformatie | 8 Pagina's