GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

KERKELIJKLEVEN

Bekijk het origineel

KERKELIJKLEVEN

41 minuten leestijd

De scheuring in Amerika. (IV.)

Thans komende tot de aanleiding o£ oorzaak der scheiding in Amerika, hoeren we ds Hoeksema allereerst spreken over de „nieuwe mentaliteit", die omstreeks 1924 in de amerikaansche zusterkerk zich openbaarde.

Zonder op de détails in te gaan, waartoe ik onbevoegd ben, geloof ik toch, dat de situatieteekening, zooals ds Hoeksema ze geeft, veelszins juist is in het noemen der in geding gebrachte punten. Ds Hoeksema zegt:

De oorzaak van haar gescheiden leven sedert 1924 zal ik trachten zoo objectief mogelijk te beschrijven. Er ontstond ongeveer 1920 verschil van meening over de kwestie der gemeene gratie. Een paar broeders, daartoe gedrongen door een steeds toenemenden geest van wereldgelijkvormigheid, die zich op meer dan ééne wijze in de kerken openbaarde, zoowel als door het streven van sommigen in de kerken naar een breedere interpretatie van de gereformeerde waarheid, het tot openbaring komen van wat destijds dikwijls een „nieuwe mentaliteit" werd genoemd, en door het feit, dat deze „nieuwe mentaliteit", schoon den dr Kuyper van de antithese niet willende, dweepte met Kuyper's „gemeene gratie", dachten zich op dit „leerstuk" in, vergeleken het met Schrift en belijdenis, en kwamen tot de slotsom, niet slechts, dat de naam gemeene gratie of algemeene genade niet deugde, noch ook, dat we behoefte hadden aan een betere voorstelling of verdere ontwikkeling dier leer, maar dat de leer zelf in beginsel niet in overeenstemming was met de gereformeerde wereld- en levensbeschouwing, en dies diende te worden verworpen.

Speciaal op den invloed van dr Kuyper's werk valt te letten. Dr Kuyper is ook ginds meer nagepraat dan nagedacht. Ten deele is hier de historie van het kerkelijke en theologische leven voor aansprakelijk. In Amerika was aanvankelijk veelszins tegen Kuyper bezvi'aar gerezen; hij werd door zeer velen niet vertrouwd. Later is men den anderen kant uit gegaan, onder invloed eener inmiddels opgetreden tegen-leiding. En toen is Kuyper's „Gemeene Gratie" voor velen een welkom boek geworden. Zooals evenwel in de eei-ste periode een encyclopaedisch rijpe theologische verantwoording van de bestaande antipathie tegen Kuyper veelszins ontbrak, zóó stond het in de tweede feitelijk óók met de vlug gewonnen sympathie. Men dacht de zaken niet door; hetgeen ook geen wonder was. Ook in Nederland werd het vrije debat over Kuyper's theologische stellingen veelszins gesmoord; en dr Kuyper zelf ging daarin voor. De manier b.v. waarop hij Ten Hoor „afhandelde" (zoo ongeveer in dezer voege: „u bent nominalist, ik ben realist, de vaderen waren dat ook, praten geeft bij zóó groot verschil in uitgangspunt niet meer, goeden dag dus") kon niet door den beugel, bracht de zaak niet verder, en stelde tegenover Ten Hoor's m.i. niet geheel juiste omlijsting van enkele op zichzelf gerechtvaardigde bezwaren tegen opvattingen van dr A. Kuyper, nu van diens zijde een evenzeer verkeerde omlijsting; m.i. was Ten Hoor niet geheel ter zake, toen hij achter alles en nog wat de opleidingskwestie zag liggen; maar Kuyper deed een schot in de lucht, toen hij van nominalisme en realisme spral. Die extravagantie ging Ten Hoor's fout in onjuistheid ver te boven. Was het wonder, dat waar in Nederland het debat over veel en velerlei gesmoord werd, in Amerika niet veel beters te wachten viel?

Vandaar dan ook, dat een tijdlang de grootste verwarring daar geheerscht heeft. Met name in de periode, waarin de zaak-Janssen aan de orde was. In die dagen schrijven acht theologen (vier predikanten en vier professoren) samen een brochure tegen Janssen, acht auteurs, die niet lang daarna scherp tegenover elkaar zullen staan: de heeren Berkhof, de Jong, Heyns, H. J. Kuiper, Ten Hoor, Volbeda, en ook Danhof en Hoeksema. En wat al geschilpunten! Janssen beschuldigt Ten Hoor van dit en dat. De acht auteurs vinden dat „koddig". Janssen vreest, dat Ten Hoor behalve Kuyper ooK Bavinck veroordeelt. De acht auteurs verzekeren het tegendeel. Dr Janssen —• zelf betrokken in kwesties van bijbelcritiek — werpt de kwestie algemeene-bijzondere genade op. De acht auteurs verzekeren te zamen, dat men verschillen kan van de gangbare opvatting der Gemeene Gratie, en toch op den bodem der confessie staan. „Indien hij (dr Janssen) dat niet weet, is liet zijn eigen schuld." Ja, ja, maar enkele jaren later lig* een tweetal van die acht in scherp conflict met de zes, en met heel de Chr. Ref. Church. Wie de geschriften van dien tijd leest, snakt af en toe naar een diepere en breedere behandeling der vragen. Inderdaad, het theologische beeld van de eerste jaren der Chr. Ref- Church is niet al te opwekkend. Verwarring, onzekerheid, gebrekkige probleemstelling, het is alles wèl geschikt om oorlogen met onklare ultimatums en onrijpe vredesedicten in het leven te roepen. En als na zooveel jaar dit door een buitenstaander, die zelf nog tot de jongeren behoort, geconstateerd wordt, dan is dat niet een acte van overmoed. Eerder zou het bewijs van onwezenlijke en onwaarachtige „vriendschap" zijn, a» wij thans de dingen anders voorstelden. Want 't is heuscn geen wonder, dat de gang van het amerikaansche leven zoo zwaar geweest is. Wij zelf zijn over elementaire vragen, niet zoozeer van confessioneel, doch van wetenschappelijk belang, ook nog pas aan het eigen gesprek toegekomen; en ook dat gaat nog stroef genoeg. Hoe zou 't anders kunnen, ginds, waar men alleen rüB.3.t dén vertraagden 'gang in den eersten tijd heeft kunne» hebben.

Het kan misschien verzoenend stemmen, als van beide zijden toegegeven wordt, dat de probleemstelling in den tijd der doorgehakte knoopen had kunnen verdiept zijn, maar het niet werd. Iets vemederends ligt jn deze opmerking niet; ook in Nederland zijn we ons terdege bewust van de pijnlijkheid van de „crisis der jeugd", waarover prof. Bouwman destijds uitvoerig geschreven heeft ter teekening van de veelszins gebrekkige behandeling der problemen, waarvoor de afgescheidenen in Nederland, nauwelijks toegekomen aan eigen theologischen herbouw, zich geplaatst zagen in de eerste decenniën na de Afscheiding.

Vergissen we ons niet, dan heeft een en ander ook zijn beteekenis gehad voor de manier, waarop men de klacht over „wereldgelijkvormigheid" geuit heeft, en haar bestaan met de gemeene-gratie-leer in verband heeft gezet. Maar daarover volgende week.

K. S.

De Hereeniging Der Chiisielijke Gereformeerde En Protestantsche Gereformeerde Eerken.

IV.

Nu werd in deze harmonische verhouding aller dingen tot God eene breuke geslagen door de zonde. Alleen maar moeten we er aanstonds nadruk op leggen, dat de breuke geslagen werd in het geestelij k-ethisch middenpunt van den aardschen kosmos, in het hart van den mensch. Er kwam van des menschen zijde bondsbreuk. De breuk is dus geestelijk-ethisch van aard. Wezenlijke verandering werd in de verhouding der dingen niet aangebracht door de zonde. De zonde kan nooit ten gevolge hebben, dat de schepping zou worden vernietigd, noch ook, dat de onderlinge betrekking tusschen de schepselen en de betrekking der schepselen tot den mensch wezenlijk zou worden veranderd, zoodat b.v. de schepping in een chaos zou zijn verkeerd, indien er geen gemeene gratie tusschenbelde ware getreden. Wel torst het schepsel in verband met den gevallen mensch tijdelijk den vloek, is het der ijdelheid onderworpen, maar de eenheid der schepping werd niet verbroken, de natuurlijke, organische saamhoorigheid der schepselen bleef gehandhaafd. En wel werd de gevallen mensch in zijn gaven en krachten en natuurlijk licht zeer beperkt, zoodat hij slechts eenige overblijfselen van natuurlijk licht heeft overig behouden, maar ook in zijn gevallen staat bleef hij zijn positie behouden aan de spitse der schepping. En ofschoon het niet kan worden gezegd, dat hij nog altijd amtsdrager Gods is, en dat hij dus het recht heeft om in Gods Huis te dienen, voor den eisch, om in zijn positie in de schepping met alle gaven en middelen, zijn God in liefde te dienen, staat hij zeer zeker nog altijd. Dit laatste kan hij echter niet, wil hij niet en kan hij niet willen. Want een geestelijk-ethische breuke werd geslagen in de betrekking van den mensch tot God. Het leven zijns harten sloeg in zijn tegendeel om. De werking van. het beeld Gods, waardoor hij met verstand en wil en al zijne krachten naar God uitging in den staat der rechtheid, werd in haar tegendeel omgezet. Hierop dient mede alle nadruk te vallen. Het is niet genoeg om te zeggen, dat de mensch door den zondeval het beeld Gods verloor, nog veel minder is het juist om te zeggen, dat hij dat beeld gedeeltelijk verloor. Indien dit laatste het gevolg is van de onderscheiding van het beeld Gods in engeren en in ruimeren zin, is het beter deze onderscheiding te laten varen. Maar het beeld Gods sloeg in zijn tegendeel om. Zijn licht werd duisternis, zijne kennis verkeerde in leugen, zijne gerechtigheid werd ongerechtigheid en zijne heiligheid onreinheid en rebellie in al zijn willen en genegenheden. Zijne liefde verkeerde in vijandschap tegen God. De zonde is niet slechts een gebrek of gemis, maar privatio actuosa. En de knecht en bondgenoot des Heeren werd een vriend en bondgenoot des duivels. Ook zoo blijft God echter door Zijne voorzienige kracht de schepping dragen en regeeren. En het geheele organische bestand der dingen bleef wezenlijk onaangetast. Komt hierin nu geen verdere verandering, dan wordt het eindresultaat der geschiedenis, dat de voldragen geestelijk-ethische vrucht van het leven der schepping wordt het tegenovergestelde van hetgeen zij naar Gods scheppingsordinantie behoort te zijn.

Dit alles, schoon gewerkt door de moedwillige ongehoorzaamheid van den eersten mensch, had echter plaats naar den raad en het willen Gods. Ongelukken gebeuren er uit Gods oogpunt niet. God is God. Hij is in den hemel en doet al zijn welbehagen, niet slechts in weerwil van de pogingen van satan en zonde, maar ook dóór die pogingen. Altijd gaat Hij recht op Zijn doel af. Van een verhinderd worden door het schepsel is nooit sprake. En bij Hem is geen verandering noch schaduw van omkeering. Ook de zondeval is volkomen naar den Raad Zijns willens en dient Hem in het bereiken van Zijn doel. En Hij had wat beters over ons voorzien. Zijn einddoel was met de ruste van den zevenden dag niet bereikt. Zij was slechts beeld van de eeuwige ruste in den eeuwigen en hemelschen tabernakel, in het eeuwige koninkrijk, waarin alle dingen in Christus als hun hoofd zullen zijn vereenigd, alle dingen in hemel en op aarde in het hart van Christus eeuwiglijk hun middenpunt zullen hebben. Hij toch is het Beeld des onzienlijken Gods, de Eerstgeborene aller creature, en dat wel als de Eerstgeborene uit de dooden, het Hoofd des lichaams, het Begin, opdat Hij in alles de Eerste zou zijn. En door Hem zijn alle dingen geschapen, die in de hemelen en die op de aarde zijn, die zienlijk en die onzienlijk zijn, hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten; alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen. En het is des Vaders welbehagen geweest, dat in Hem al de volheid wonen zou. Col. 1 : 15—19. Zoo staat het naar Gods eeuwig raadsbesluit. Het eeuwig Verbond der vriendschap Gods moet in Christus worden bevestigd en door Hem worden opgevoerd naar zijn eeuwige en hemelsche eindbestemming, wanneer Se tabernakel Gods bij de menschen zijn zal. Daarom handhaaft God dan ook aanstonds bij den val Zijn verbond, in weerwil van satan en zonde, doch nu' dat Verbond, zooals het eeuwig vastgelegd is in Christus. Door de realiseering van dat Verbond aanstonds bij den val wordt de vriendschap met den Satan in het hart des menschen teniet gemaakt en door de werking der genade vijandschap tegenover Satan in des menschen hart gewrocht. Hier echter krijgen we te doen met den raad der predestinatie. Want niet alle kinderen Adams zijn verordineerd om in het eeuwig verbond van Gods vriendschap in te gaan. De genade loopt langs de lijn der verkiezing. De kern alleen wordt door de genade geraakt, de bolster wordt verworpen. Juist hierdoor komt de antithese in de wereld. Immers ook thans blijven de schepselen in natuurlijken zin tijdelijk bestaan in organischen samenhang. Ook de- genade brengt, evenals de zonde, geen wezenlijke verandering aan in het tijdelijk bestand der dingen. God heeft uit éénen bloede het gansche geslacht der menschen gemaakt. Uit bloot natuurlijk oogpunt zijn alle menschen één. En nog altijd staat die mensch in organisch verband met den kosmos, temidden waarvan hij leeft, zich beweegt en ontwikkelt. Er is dus geen dualisme. Natuur en genade zijn geen tegenstellingen. En reeds thans mag worden gezegd, dat genade nooit oorzaak kan worden, dat hij, die haar deelachtig wordt, uit de wereld ga. Wel wordt door de breuke der zonde en het intreden der genade, de laatste loopende langs de lijn der verkiezing, de antithese van zonde en genade in het leven geroepen. Alle dingen blijven bestaan en zich ontwikkelen naar hun eigen aard, gedragen door Gods almachtige kracht, in ouderlingen samenhang. Maar temidden van dit tijdelijk bestand der dingen ontstaat en ontwikkelt zich de geestelij k-zedelijke antithese van zonde en genade, van licht en duisternis, van liefde Gods en vijandschap tegen Hem, van leven en dood, van hemel en hel. En door dit alles doet God al Zijn welbehagen en voert Hij alle dingen heen naar hun eeuwige eindbestemming, de eindelijke scheiding van kaf en koren, de eeuwige verwerkelijking van het Verbond Zijner vriendschap.

Genade is dan ook nooit gemeen.

Het woord genade komt in verschillende beteekenissen in de Heilige Schrift voor. De tijd ontbreekt ons, om thans hierop in bijzonderheden in te gaan. Doch vergun mij om even de lijn aan te duiden, die we in de Schrift meenen te vinden aangaemde dit begrip. Het woord chen heeft in de Schrift de beteekenis van buiging, neiging, aantrekking, schoonheid, bevalligheid, gunst; de afleiding van het woord charis is minder zeker, doch het is duidelijk, dat ook in het Nieuwe Testament het woord genade een veelzijdige beteekenis heeft. Het beteekent aangenaamheid, gunst, verbeurde gunst, genadewerking en genadeweldaden, dank. In de brieven van den apostel Paulus komt het woord dikwijls voor in tegenstelling met verdienste en werk. Een vergelijking van vele Schriftuurplaatsen, waar het woord genade voorkomt, leert ons het volgende. God is in volstrekten zin de genadige. Hij is genadig afgedacht van eenige relatie tot het schepsel. Genade is een deugd Gods. Hij is in Zichzelven genadig. Want Hij is de volstrekt en oneindig goede en heerlijke God, het inbegrip van alle volmaaktheden. Daarom is Hij ook de bevallige, de aantrekkelijke, de gratieuze God. Liefelijkheden zijn in Zijne rechterhand eeuwiglijk. En als de Drieëenige God aanschouwt en kent Hij Zichzelven op 't volmaaktst, wordt Hij tot Zichzelven aangetrokken, mint Hij Zichzelven, heeft Hij aan Zichzelven een welgevallen. Maar God heeft ook een welgevallen aan het schepsel. Hij heeft Zich immers dat schepsel, met name den mensch, die naar Zijn beeld geformeerd is, en in den allerhoogsten zin des woords Zijne Kerk in Christus als haar Hoofd, schoon gedacht. Daarom heeft Hij ook aan het schepsel een welgevallen, om Zijns naams wil en vindt het genade in Zijne oogen, overlaadt Hij dat schepsel met de bewijzen Zijner gunst en trekt het tot Zich met koorden der liefde in Zijn eeuwig vriendschapsverbond. Ligt dat schepsel nu in schuld en zonde, zoodat het in zichzelven geen voorwerp van Gods welgevalligheid en gunst zijn kan, maar, integendeel voorwerp is van Zijn toom en afkeer; en is dan dat schepsel van eeuwigheid door Gods souvereine genade in Christus gezien, verkoren, verordineerd om den heelde des Zoons gelijkvormig te worden, gerechtvaardigd en verheerlijkt, kostelijk bevonden in Zijne oogen en in Gods beide handpalmen gegraveerd; en gaat dan die eeuwige genade naar het schepsel uit, dan is die genade in de eerste plaats verbeurde gunst en staat ze in volstrekten zin tegenover werk en verdienste. Die genade delgt alle onze overtredingen uit, rechtvaardigt ons in het bloed des kruises, geeft ons de aanneming tot kinderen, het recht op het eeuwige leven. Maar in de tweede plaats is die genade ook een kracht en werking in ons, waardoor wij van de afstootelijkheid en overheersching der zonde verlost worden, den heelde des Zoons gelijkvormig worden, Gode welgevallig worden, vervormd worden naar het beeld, dat Hij vau ons in Zijne handpalmen heeft gegraveerd. En dan wordt eindelijk ook voor dien door genade geredden zondaar, in zijne ervaring en voor zijn bewustzijn, God weer de alleen Goede, de aantrekkelijke en bevallige God, Wiens goedertierenheid beter is dan het leven en die waardig is om alleen te ontvangen allen lof en aanbidding en dankzegging. Hij valt in aanbidding voor dien God neer en geeft Hem charis.

Zoo zouden wij in het algemeen de lijn willen trekken.

Wij meenen dan ook, dat er geen wezenlijk verschil te stellen is tusschen zulke begrippen als genade, liefde, goedertierenheid, goedheid, barmhartigheid, en welke andere aanverwante begrippen er ook in de Schrift mogen voorkomen. Men heeft wel gemeend, dat men dichter bij de waarheid kwam, wanneer men in den term "gemeene gratie" het laatste woord zou vervangen door een ander, zooals gunstige gezindheid, goedheid of goedertierenheid, doch wezenlijk maakt dit geen verschil. In den diepen grond beteekenen al deze begrippen hetzelfde, en zijn ze één.

Men zal dan ook kunnen verstaan, dat in het licht van boven gegeven omschrijving, , wij nooit van gemeene gratie kunnen spreken. Het zondige en bedorvene schepsel kan qua talis Gode nooit welgevallig zijn, doch is voorwerp van Zijn afkeer, toom en verbolgenheid, haat en vloek. Slechts zooals datzelfde schepsel in Christus is ingezet en van eeuwigheid gezien,

(Zie vervolg pag. 276.)

276 kan het Gode welgevallig zijn en voorwerp van Zijn souvereine gunst. Slechts van uit dien eeuwigen raad der verkiezing kan Gods genade in Christus tot hem uitgaan. En zoo is het dan ook metterdaad. Er gaat van uit het eeuwig welbehagen Gods in Christus eene genadewerking uit op den verkoren kern van ons geslacht in verband met het organisch geheel der schepselen. En door dat wonder der genade wordt die verkoren kern in Christus, altijd in verband met het geheel der dingen, uit duisternis en schuld en zonde en dood en vloek en ijdelheid, gered, verlost, bevrijd, verheerlijkt, opgeheven tot in den staat der hemelsche heerlijkheid van Gods Verbond der vriendschap. Maar evenzeer blijft de toom Gods op den verworpen bolster buiten Christus, en gaat er eene werking uit van Gods afkeer en toorn, verbolgenheid en verstooting en verharding, waardoor deze verworpen bolster rijp wordt voor het verderf. In dit alles gaat God recht op Zijn doel af. Hij neemt nooit een omweg. Hij keert nimmer op Zijne schreden door de historie terug. Zijn werk wordt nimmer gefnuikt. Zijn doel wordt op geen enkel moment der historie verijdeld. Deze ontwikkeling en werking van Gods genade en afkeer, aantrekking en wegstooting, zegen en vloek, verteedering en verharding, gaat gestadig door, naar Zijn eeuwig welbehagen en in verband met de werking Zijner voorzienigheid en de organische ontwikkeling van ons geslacht. Men kan dan ook in eigenlijken zin van geen stuiting van dit proces spreken. Weliswaar komt het einde niet aanstonds bij het begin. De ontwikkeling of wilt ge het proces van genade en zonde is naar Gods welbehagen en door Zijn voorzienig bestel gebonden aan de organische ontwikkeling van ons geslacht in verband met het organisch bestand van alle dingen. Maar dat proces wordt niet gestuit. Het gaat zoo snel als het maar kan. Want Christus komt haastelijk en Zijn loon is met Hem, om een iegelijk te vergelden naardat zijn werk zijn zal.

H. HOEKSEMA.

Een eerste vrucht; . En een vraag zonder antwoord.

Prof. dr V. Hepp schrijft in „Credo" een enkel woord over een uitlating van prof. dr J. Waterink, betreffende „de ziel in den zin, waarover de Confessie er over spreekt". Prof. Waterink zegt, ik leid tenminste uit „Credo" af, dat hij zelf de schrijver is, dat de ziel in den zin, waarin de Confessie er over spreekt, een geschapen substantie enons t e r f e 1 ij k is. Daarna geeft hij van zulk een geschapen substantie een aanduiding („geschapen zelfstandigheid met eigen wezen en bestaanswijze, formeel bepaald door eigen levenswetten en levensverband", en dan „ n a- t uur lijk van den Schepper afhankelijk"). Begrijp ik prof. Waterink goed, dan meent hij, dat de Confessie, door „in dezen zin" te spreken over de ziel, daarmee ons onthaalt op de omschrijving van een „beginsel". Het zal dus wel een gereformeerd beginsel zijn, althans volgens prof. W.

Volgens „Credo" kan men deze uitspraak van prof. Waterink vinden in „Paedagogisch Tijdschrift", April 1939, en komt ze voor in een „cursus voor de practijk".

Den opmerkzamen lezer ontgaat het niet, dat hier in het midden gelaten wordt, of de Confessie zelf een wetenschappelijke, of althans op wetenschappelijke overwegingen mistende definitie van „geschapen substantie" uitgesproken of ondersteld heeft, dan wel, of de termen in haar zin slechts dienen „voor de p r a c t ij k ". We vermoeden het laatste, aangezien de schrijver opmerkt, dat „deze (zijn eigene) omschrijving niet bepaald is als een wijsgeerig volledige omschrijving, maar als een omschrijving, waarvan de cursisten het gemakkelijkst gebruik kunnen maken en die ongeveer benadert, wat de bedoeling is van het wijsgeerig begrip". Dit laatste zal dan wel weer bedoeld zijn als het met het gereformeerde denken alsnog te verbinden, doch dan toch nog weer anders te formuleeren wijsgeerig begrip.

Dezen opmerkzamen lezer zal het evenmin ontgaan zijn, dat prof. Waterink hier dus nog geen w ij s- geerige definitie geeft. Slechts is de bedoeling van een wijsgeerig begrip ongeveer benaderd. M.a.w. een omschrijving hebben we nog niet. Hetgeen we ook heelemaal niet betreuren. Want we zouden over elk woord toch weer verder moeten praten. Dat geldt zélfs van de woorden, die we thans lezen in dit gemakkelijke gebruiksvoorwerp der cursisten. Woorden als: „eigen", „wezen", „formeel bepaald", „levenswetten", „levensverband". O ja, en dan is daar nog die „onsterfelijkheid", die nog niet omschreven is, noch voor cursisten, noch voor wijsgeerig-begrip-zoekenden. Alsmede de... „zelfstandigheid" zelve.

Vragen dus nog te over.

Gelukkig.

Het blijve zoo, opdat we ons niet blameeren door een kerkelijke definitie.

Iets anders nog.

Prof. Hepp schrijft, dat z.i. deze uitlating van prof. Waterink „een nadere verklaring" lijkt. Wel wordt ze niet als zoodanig door den schrijver aangekondigd. Of deze dus nog steeds zijn voorgaande boeken wil erkend en verbreid zien, ten nutte b.v. van cursisten, als gemakkelijk gebruiksmiddel in de toelichting op de cursus-stof, blijft onbesproken. We nemen aan, dat die boeken — en dan met instemming van den auteur — evenzeer verspreid mogen worden als de geschriften uit den kring der calvinistische wijsbegeerte het willen. We zien dus prof. Hepp optreden als hulpverleener bij het goed lezen van prof. Waterink's bestaande geschriften. Als nu na dezen prof. Hepp ook met andere broeders en zusters uit de Gereformeerde Kerken eens zoo ging doen, speciaal met diegenen, van wier geschriften hij de lezing door niet herstelde fouten zwaar bem-oei- 1 ij k t heeft, en die dus meer haast hebben dan prof. Waterink, en, in onderscheiding van dezen, voorzeker récht, en als prof. Hepp nu óók van hén eens ergens uitspraken vandaan haalde, waarmee men rekenen moet om de ware opinie des mans te kennen, wel, wel, welk een mutatie zouden de slagorden ondergaan!

Hier houden we dan ook even halt. Waarom wordt prof. Waterink, en juist hij alleen, zoo beschermd tegen eventueele misverstanden?

Prof. Hepp antwoordt: „om het gewicht der zaak". Best. Maar er zijn meer zaken van gewicht. Er moet dus een nog bij-komende (niet bij-komstige) kwestie in het spel zijn. Prof. Hepp geeft ze aldus aan: „m.i. blijkt hieruit, dat het inzicht van prof. Waterink zich heeft gewijzigd". En deze wijziging vindt prof. Hepp dan weer zóó gewichtig, dat hij, naar eigen getuigenis op een in het oog vallende plaats, met uitroepteeken er bij, een iegelijk wien zulks aangaat, uitnoodigt, er mee te rekenen. O p 't oogenblik zal prof. Hepp deze gewichtige aangelegenheid niet verder bespreken. Later allicht wel.

Ik moet me wel heel zwaar vergissen, indien deze publicatie niet alvast een eerste vrucht is van het feit, dat in de zaak der bekende commissie gelukkig aangedrongen wordt op klaarheid. Daaraan zal wel gedacht zijn bij de publieke vermaning, om prof. W.'s jongste inzichten niet te brengen onder de van „gangbare meeningen" afwijkende gevoelens. Aan den loop der dingen danken we dan dit brokje opheldering. Wie zou zich niet verblijden over een zegenrijke werking in het klaarheid scheppen? Er zullen nog meer goede vruchten te wachten zijn.

Maar ik heb nog enkele vragen, die ik bij voorbaat tot de onbeantwoord blijvende reken, maar die ik toch nuttig acht voor ons volk. De weg van den meesten weerstand is voor de kerk soms zeer nuttig, al is hij voor wie hem betreden, een korten tijd moeilijk.

Prof. Hepp vindt het citaat van April 1939 dus gewichtig. Het is immers bewijs van gewijzigd inzicht. Die wijziging was dus blijkbaar noodig, want het r a a kt één der punten der bekende commissie der synode.

Prof. W., hoewel hij vroeger tegen prof. Vollenhoven, ook over het substantiebegrip, nog al heftig polemiseerde, is na dien tijd tot twee maal toe met een nadere verklaring voor den dag gekomen. De eerste maal enkele maanden vóór de generale synode van 1936 (Amsterdam). De tweede maal enkele maanden vóór de generale synode van 1939 (Sneek). De eerste maal, in gezelschap der hoogleeraren Grosheide en Hepp. De tweede maal, op eigen terrein, voor zijn cursisten, maar toch wederom voorgesteld als man van gewijzigd gevoelen door prof. Hepp.

Welnu, indien deze tweede vlak voor een synode gepubliceerde wijziging van inzicht bewijs is, dat de zaak-prof. Waterink nu in orde is, dan was ze toch zeker n i e t in orde, toen prof. Hepp's bekende brochure kwam over „de ziel" en haar substantialiteit, o.m.? We zaten reeds met het probleem waarom bedoelde brochure wèl prof. Vollenhoven, en wél diens medestander, den heer Janse, becritiseerde, doch prof. Waterink buiten schot liet. We vonden dat vreemd. Vooral op prof. Hepp's eigen standpunt. Want hij gaf den indruk, alsof hij waande, dat als maar de namen der door hem aangevallenen verzwegen werden, niemand den vrede zou verstoord achten. Waarom heeft prof. Hepp dan prof. W. niet geciteerd? Als 't toen nog niet in orde was? Krijgen geen gelijk, achteraf, wie dat onrechtvaardig vonden?

Nog iets. Ds J. M. Spier heeft in ons blad aangetoond, sprekende waar prof. Hepp gezwegen had, dat, wie goed las, prof. Waterink's uitlatingen slechts aldus combineeren kon, dat ook prof. W. de substantialiteit der „ziel" ontkende. Stilzwijgen volgde. Maar krijgt achteraf ds Spier geen gelijk?

Wederom iets. De synode van 1936 benoemde een commissie ter onderzoeking van meeningen, die afweken van de gangbare. Nu is September 1936 geen April 1939. Waar in September 1936 van prof. W. het inzicht nog niet gewijzigd was, en de w ij z i- ging toch in rekening komen moet, en dus het nietgewijzigd zijn (tol eind Maart 1939) óók, waarom hebben wij dan nooit van prof. Hepp kunnen merken, dat hij ook prof. W.'s opinie in duscussie bracht? Volgens zijn „in het oog vallende" mededeeling van thans wijkt de meening-Waterink tot eind Maart 1939 af van de gangbare; anders kon „Credo" niet met zooveel woorden een iegelijk vermanen, de opinie-Waterink van April 1939 toch vooral in rekening te brengen. Maar waarom dan toch altijd den één bestreden, den ander ongemoeid gelaten? Krijgen de klagers daarover achteraf geen gelijk?

Twee verklaringen alzoo: Mei 1939, vóór Sneek. Mei 1936, vóór Amsterdam. Goed. Wij bekijken op herhaald verzoek, de papieren, en staan verwonderd. In Mei 1936 (vlak vóór Amsterdam) spreken de professoren Grosheide en Hepp uit van oordeel te zijn, dat na de destijds door prof. W. afgelegde verklaring „zelfs de geringste schijn van een confessioneel geschil is weggenomen". Duidelijker kan het niet. Maar niettemin moet in Mei 1939 met de wijziging van prof. Waterink's inzichten zeer ter dege gerekend worden! Hoe zit het nu? Was er dan tóch nog vóór April 1939 een schijn van confessioneel geschil? Maar waarom dan spreken tegen den éénen collega, en zwijgen over den anderen? Wordt alles billijk aangelegd? En hoe moeten we nu de verklaring van Mei '36 behandelen? De verklaring van de professoren Grosheide en Hepp? Wat beteekent hij dezen laatste „confessioneel geschil"? Hij ontkent de aan­ wezigheid daarvan in '36, waar het een opinie betreft die in '39 wijziging blijkt te behoeven. Waarom wordt tegenover anderen de term „confessioneel geschil" gebruikt?

In verband daarmee nog iets. Over mijn overzicht van het kerkelijk leven in het Jaarboek 1937 en '39 heeft prof. Hepp, bijgevallen door anderen, die ik evenmin versta, nog al eenige critische noten ten beste gegeven. Men moest het volgens hem zelfs maar eens met een ander probeeren; een advies, dat ik gaarne tot de „broederlijke" reken, — lals het tenminste op goede gronden rust. Welnu, in het jaaroverzicht over 1936 heb ik de aandacht van ons volk er op gevestigd, dat het toch wel wat vreemd toegegaan was. Op de tafel van één kerk (Amsterdam) lag enkele maanden vóór de synode van '36 een aanklacht tegen prof. W. Die werd, in die enkele maanden vóór de synode, van die tafel weggenomen. Allo, we hadden er vrede mee; wij vonden, dat het wel in orde komen zou en hebben prof. W. nooit achtervolgd. Maar toen kwam het vreemde: op aandrang speciaal der professoren Kuyper en Hepp, werd ineens tegen menschen, tegen wie geen enkele klacht bij één der kerken ingekomen was, een offensief geopend. Een offensief, dat in zijn verdere ontwikkeling de nog niet ten-goede-gewijzigde meening-Waterink buiten haar gezichtsveld liet. En tegen dit meten met twee maten, o prof. Hepp, zeiden en zeggen we niet: allo, 't komt wel in orde! We hebben daartegen gestreden, en zullen 't blijven doen.

Men ziet: de publicatie Mei 1939 hebben we niet onopgemerkt gelaten. Die van Mei 1936 evenmin. We hebben ze alleen maar allebei zeer duidelijk van een datum voorzien. En als ik over de zaken goed nadenk, dan geloof ik, dat prof. Hepp's vriendelijke adviezen, inzake het Jaarboek der Geref. Kerken samenhangen niet met het geven van een valsch beeld van het kerkelijk leven door ondergeteekende, doch met het feit, dat hij de waarheid zeide, maar die prof. Hepp liever niet wilde lezen. Edoch — amicus Hepp — sed magis amica Veritas et ecclesia.

K. S.

Den goeden kant uit.

De consciëntie gaat spreken. Van meer dan één kant wordt, en we zijn er dankbaar voor, erop aangedrongen, dat de zaak van de z.g. meeningsgeschillen niet in den doofpot komen zal.

Wij hebben, men weet het, evenals prof. Greijdanus, van meetaf bezwaar gehad tegen heel den gang van zaken in dezen op de synode van 1936. Bezwaar tegen den praeses, die op een moment, toen er „genoegzame eenparigheid" was voor een beslissing, die niemand zou gewond hebben, maar die prof. Hepp zou verhinderd hebben een paar keer het te hebben over „menschen, wier opinies naar de meening eener synode nader onderzoek behoefden", die beslissing niet liet nemen. Bezwaar tegen hen, die na een week van pauze zich hadden laten ompraten.

Maar, tóen het eenmaal zoo geloopen was, hebben we ook steeds gezegd: nü elkaar houden aan het zware woord. Nu ook de consequentie getrokken uit het feit, dat één commissielid andere beschuldigt. Nu ook niet wijken voor intimidatie, of voor suggesties-van-vrede, die geen basis hebben in de feiten. Nu ook open en bloot leggen, en dan naar alle kanten. De kerken hebben daar recht op. Alle van de V.U. komende dominees passeeren prof. Vollenhoven. En alle van Kampen komenden mij. Wij doen dus niet „eigen" zaken af. Weineen: de zaak der kerken. Ook ondergeteekende weigert de kerken te dienen als haar hoogleeraar, als hij niet door diezelfde kerken wordt beschermd tegen het doen van niet-kerkelijke hoogleeraren, die „dwaling" en „confessioneele geschillen" constateeren, maar een nader gesprek daarover ver m ij den. De kerken moeten weten, wien zij haar onderwijs toevertrouwen. En daarom zijn wij dankbaar voor iedere poging om te verhinderen, dat men deze publieke zaak in geheime vergaderingen of in al te korten tijd „af­

handelt".

K. S.

Dr F. L. Rutgers en Jhr Mr A, F. de Savomin Lohman over het oude, Grereformeerde, kerkrecht. (I.)

In 1886 en volgende jareia betwistten velen aan de leiders der Doleantie het recht om op kerkelijk gebied te handelen en aan te raden, zooals zij deden. Men kwam met allerlei argumenten aan: historische, staatkundige, kerkrechtelijke e.a. Toen hebben Jhr Mr A. F. de Savomin Lohman en Dr F. L. Rutgers het goed recht der Doleantie tegen dergelijke bezwaren verdedigd in een gesthrift: De rechtsbevoegdheid onzer plaatselijke kerken. In eene tweede, veel vermeerderde, uitgaaf hebben zij ook uitvoerig op de bestrijding van hun geschrift door Ds E. César Segers, Dr H. G. Kleyn, Prof. M. A. Goossen e.a. geantwoord. Uit dit geschrift kunnen wij duidelijk zien, evenals uit „Herauf'-artikelen in die jaren van Dr A. Kuyper, welke de beschouwingen waren van de Doleantieleiders over de rechtsverhouding der plaatselijke kerken tot wat wiJ noemen de meerdere kerkelijke vergaderingen; welke de beginselen volgens hen waren van de samenleving der Gereformeerde Kerken hier te lande sedert de Reformatie, en welke dus de kerkrechtelijke beginselen zijn van de Doleantie. Het zal bij het nagaan van dit geschrift wel spoedig duidelijk kunnen worden, hoe het nieuwe kerkrecht zich in kerkrechtelijk opzicht feitelijk stelt aan den kant van de bestrijders der Doleantie, wat n.l. betreft de verhouding van plaatselijke kerken en meerdere kerkelijke vergaderingen, en tegen de opvattingen desbetreffend van de groote leiders dei Doleantie, Dr F. L. Rutgers, Dr A. Kuyper e.a.

In dit geschrift behandelen de Schrijvers in eene eerste § den toestand der kerkelijke goederen vóór de Hervorming, in een tweede § den toestand na de Hervorming, daarna in eene derde § dien van 1795—1816, vervolgens in eene vierde § dien sedert 1806. In eene vijfde § handelen zij over de verbreekbaarheid van kerkelijk verband. Daarna volgen nog een paar § § resumtie en slot, en vier bijlagen. In het begin komen eerst algemeene opmerkingen en het voorstellen van de quaestie.

Zij stellen de vraag, waarover het in 1886 op kerkelijk gebied bij de Doleantie ging, aldus: „is er ééne Nederlandsche Hervormde Kerk, wel is waar verdeeld in locale afdeelingen met een zeker zelfbestuur, doch alzoo, dat die afdeelingen onafscheidbare deelen zijn van de geheele corporatie, wier leden derhalve de individuen zijn, die, waar dan ook, behooren tot genoemde Kerk;

dan wel, zijn er onderscheidene plaatselijke kerken, wel is waar vereenigd tot een geheel met zeker gemeenschappelijk bestuur, doch alzoo, dat dit geheel slechts de samenvoeging is van deelen, die eigenlijk ieder op zich zelf een geheel zijn, welk plaatselijk geheel gevormd wordt door de individuen, die op die iepaalde plaats tot de Hervormde Kerk behooren?

M.a.w.: is er een genootschap, dat zich over het geheele land uitstrekt en dat uit individueele personen bestaat; of wel: is er eene vereeniging van locale kerken, waarin deze hare eigene macht tezamen brengen, en waaraan, wat de rechtsverhouding aangaat, elke kerk zich ten allen tijde weer onttrekken kan? ", blz. 3/4.

Wij zien het: de groote quaestie was volgens hen de verhouding van plaatselijke kerken en meerdere vergaderingen. Zijn die plaatselijke kerken zelfstandige kerken, dan wel zijn zij feitelijk afdeelingen van een grooter geheel, van eene classicale, provinciale, landelijke, kerk, wel „met een zeker zelfbestuur", maar als afdeelingen toch onder de hiërarchisch opklimmende hoogere besturen van classis, provinciale of particuliere, en generale synode. En zijn die meerdere vergaderingen metterdaad meerdere vergaderingen, tot stand komende door vrijwillige, ofschoon van Godswege verplichte, vereeniging van gelijke, zelfstandige kerken, welke zich ook, van menschenkant bezien, „ten allen tijde weer onttrekken" kunnen, of zijn die meerdere vergaderingen hoogere vergaderingen met opperbestuur over deze kerken, wier zelfstandigheid dan feitelijk niet bestaat, maar die dan slechts „een zeker zelfbestuur" hebben, haar gelaten of toegekend, voorzoover en voorzoolang die meerdere vergaderingen of hoogere besturen dat goedvinden.

Welk is het karakter der meerdere kerkelijke vergaderingen, welk is het karakter van het Gereformeerde kerkverband?

Is dit laatste eene confoederatie, of is het eene hiërarchie?

Zijn die meerdere vergaderingen hoogere vergaderingen, opperbesturen, met een eigen, boven de plaatselijke kerken staand. Goddelijk gezag, of zijn het slechts samenkomsten van kerkelijke afgevaardigden, die formeel, d.i. afgezien van de vraag, of hare besluiten materieel in overeenstemming zijn met Gods Woord, slechts zooveel gezag over elkander hebben, als zij onderling bij hare confoederatie overeenkomen, en vastleggen in de door haar te zamen bepaalde en aangenomen kerkenordening?

Dat was volgens Dr F. L. Rutgers en Jhr Mr A. F. de Savomin Lohman toen de vraag.

En dat is ook nu de vraag, met alle verschillen in het bijkomende, die hier het wezen niet veranderen.

Zooals wij zullen zien, betoogden genoemde geleerden in hun geschrift op historische gronden, dat het Gereformeerde kerkverband dezer landen van den beginne was geweest, en tijdens de Republiek was, eene confoederatie van zelfstandige plaatselijke kerken, en dat de meerdere vergaderingen geene hoogere besturen waren, maar samenkomsten van kerken door middel van hare afgevaardigden, welke vergaderingen met het einde der samenkomst niet meer bestonden, en dan dus ook geen gezag meer hadden, en dat de plaatselijke kerken geene afdeelingen waren van grootere, classicale en synodale, eenheden, van eene classicale, provinciale, landelijke, kerk. Het was hen te doen om uit de historie in het licht te stellen de rechtsbevoegdheid der plaatselijke kerken dezer landen.

S. GREIJDANUS.

De zelfstandigheid der plaatselijke kerk. (III. Slot.)

De plaatselijke kerken mogen dus ook nooit gezien Worden als de samenstellende deelen van een grooter geheel, een landskerk of nationale kerk. Nooit mag men, vanuit zulk een geheel, de enkele kerken beschouwen als de onderdeden daarvan.

Met alle hoogachting voor Ds Joh. Jansen op dit terrem, veroorloof ik mij hier toch een woord van hem aan te halen, dat verwarring sticht. Bij wijze van tegenstelling kan het verduidelijkend werken, omdat ik van nnjn standpunt ervan zeggen moet: Zóó is het nu juist niet!

In zijn brochure „Oud of Nieuw Kerkrecht? " (pag. 19) ^egt Ds Jansen: „Elke plaatselijke kerk is daar ter plaatse eenerzij ds wel een zelfstandige kerk, maar anderzijds slechts een pars, een deel van "et geheel der kerken van het kerkverband, een ecclesia particularis".

Ik laat in het midden, of de naam „ecclesia particularis" dit zoo scherp bedoelt uit te drukken, maar ben, afgezien van de verwarring, die het stichten kan, dank­ baar dat Ds Jansen het zoo doet. Immers het is klaar als de dagj dat hier een gemis is van heldere onderscheiding.

Het woordje „slechts" duidt reeds genoegzaam de miskenning aan van de waarde van het confederatief verband van gelijke zelfstandige grootheden.

Hiervoor wordt ingeruild de inderdaad minderwaardige idéé van een totalitair conglomeraat, waarvan de eenheden de stukken vormen.

Ds Jansen laat vlak aan den geciteerden zin voorafgaan: „De kerk van Christus is een organisme. Het Hoofd gaat aan de leden, het geheel aan de deelen vooraf". Dit wordt gezegd van de eenheid der kerken in kerkverband hier. En het verraadt duidelijk de verwarring met de Kerk (het Lichaam Christi), die zeer zeker wel een organisme is, waarvan Hij het Hoofd is aan de leden voorafgaande.

Bij inachtneming van het confederatief verband der kerken ontstaan geen hoogere machten boven het ambt.

Dit kan ook reeds hierom niet, omdat we in het kerkverband te doen hebben met vergaderingen.

Ze zijn geen colleges als de kerkeraden, maar komen momentelijk samen. En haar leden zijn de afgevaardigden der kerken, die zelfs geen imperatief mandaat van hun lastgevers hebben. Niet omdat ze boven hun kerkeraden staan. De „lastbrieven" bewijzen dat wel anders.

Maar omdat ze vrij moeten zijn in de voorkomende zaken.

Achten we het „mandaat imperatief" een oogenblik denkbaar, dan zou er inderdaad gesproken kunnen worden van een opklimmende macht, zich toespitsende in de generale synode.

Maar nu is het gezag der synoden van geheel anderen aard.

Het vindt zijn grondslag in den regel, dat het behoud is in de veelheid der raadslieden. (Spr. 11", 15^".)

Het is zeer groot. Het heeft steun in den drang en den plicht der kerken tot „gemeen accoord". Het is niet uitgesloten, dat het te hulp moet komen aan de plaatselijke kerk in geval van nood. (Er is geen verschil onder ons over de grootte van het gezag, alleen over het karakter daarvan.)

Het is het gezag van Christus, d.i. het gezag der Waarheid, waarvan het kenmerkende altijd is, dat het kracht heeft in overwicht, maar nooit kracht zoekt in geweld.

De Dordtsche synode was geroepen op te treden in noodgeval, terwijl de ontaarding der kerken veel te ver was voortgeschreden. Zij achtte het tot haar rechtvaardiging onder die buitengewone omstandigheden, noodzakelijk, publiek uit te spreken, dat ze zich sterk wist in de overtuiging, te handelen op last van Christus en op gezag van Gods Woord.

Maar daarmee heeft ze allerminst bedoeld een dogmatische uitspraak aan de kerken te geven omtrent het karakter der meerdere vergaderingen als hoogere machten boven het ambt.

Zooeven haalde ik een woord van Ds Joh. Jansen aan. Het zij mij vergund dit nogmaals te doen. Thans met groote instemming. Ik geef toe, dat er reeds zooveel hierover gezegd is, dat het langzamerhand eentonig dreigt te worden. Maar dit is een woord, dat van beteekenis is tegen de argumentatie vóór hoogere machten in onze kerken.

In zijn „De bevoegdheid der meerdere vergaderingen" (pag. 4) zegt Ds Jansen het volgende: „De meerdere vergaderingen vormen geen vast bestuur, dat boven de mindere vergaderingen staat. Zij zijn slechts samenkomsten van meerdere kerken door middel van haar afgevaardigden. De uitdrukkingen in de oude kerkenordeningen zijn verschillend en wisselen af. De synode van Dordrecht, 1578, sprak in artikel 18 van „grooter" en „minder", maar in artikel 19 van „meerder" en „minder versamelinghen". Het bijv. naamw. „grooter" wil niet zeggen hooger in macht, maar grooter of meerder in aantal en bijgevolg in graad van gezag."

„Zelfs het Latijnsche woord superior, dat eigenlijk hooger beteekentj moet hier niet als een hoogere vergadering in den zin van een hooger bestuur worden opgevat, gelijk duidelijk blijkt uit den nederlandschen text, waarin het ongetvrijfeld opzettelijk niet door „hooger", maar door „meerder" is weergegeven. De uitdrukking „meerdere en mindere vergaderingen" beteekent dus, dat er in een meerdere vergadering meer kerken in aantal samen komen dan in een mindere."

...„En daaruit vloeit nu een ander verschil voort, n.l. dat een meerdere vergadering niet in den aard, maar wel in den graad van haar gezag boven een mindere staat. De uitdrukking „meerdere vergadering" duidt geen hooger gezag of hoogere bestuursmacht aan, zooals in het burgerlijk leven het lager aan het hooger bestuur, en het deel aan de bestuursmacht onderworpen is. Maar wel is er het gezag van meerdere kerken saamgebracht en kan men dus van meerder gezag in graad spreken, omdat tien knappe mannen meer weten dan één, en het oordeel van tien kerken meer waarborg biedt het juiste oordeel te zijn, dan dat van één kerk". Men weet, dat dit juist door Dr M. Bouwman bestreden wordt, en dat men zich daarvoor gaarne beroept op het woord „superior" „hooger"."

Dr Bouwman verkondigt de stelling, dat classes en synoden geen meerdere vergaderingen zijn in den onder ons gangbaren zin, maar hoogere machten, die boven het ambt staan en op eigen autoriteit mogen ingrijpen in de particuliere zaken van de plaatselijke kerk.

Hij beroept zich op de mannen, die met alle waarschijnlijkheid dezelfde geweest zijn, die ook Voetius voor een independent hebben uitgescholden, en volgt in dezen hun voorbeeld tegenover de volgelingen van Dr A. Kuyper en Dr F. L. Rutgers. Er feilt maar weinig aan, of ze zijn ook nog met remonstrantisme, coccejanisme en cartesianisme geïnfecteerd, zooals de independenten uit de 17de eeuw. Dr Bouwman heeft nooit eenig gereformeerd auteur uit de 17de eeuw ontdekt, die captie gemaakt heeft op de stelling: de instantie, die bevoegd is, om in eenige zaak een beslissing te nemen of een vonnis te vellen, is evenzeer bevoegd om daaraan uitvoering te geven. (Cuius est judicare, eiusdem estetiam judicium suum exsequi.)

Geen wonder, want hij, die het met deze stelling niet eens is, is volgens Dr Bouwman niet gereformeerd.

Overigens geldt deze stelling voor geen enkele vereeniging en voor geen enkel confederatief verband.

Wel voor de overheid.

De kerken zullen daaraan dan ook alleen uitvoering kunnen geven, wanneer zij haar sterken arm achter zich hebben, zooals de Hervormde Kerk indertijd tegen de afgescheidenen en tegen de doleerenden.

Dr Bouwman ontkent dus het confederatief karakter van het kerkverband. Hij schuift daarvoor in de plaats, al gebruikt hij deze woorden niet, een totalitair geheel onder een hiërarchische macht.

Hij spreekt in den allerlaatsten zin, blijkbaar met opzet, over het kerkverband als „de gemeenschap der kerk" in plaats van „der kerken" en stelt zich als ideaal een tweede Nederlandsche Hervormde Kerk onder synodaal gezag naast de bestaande.

Ten slotte schuift Dr Bouwman mijn bezwaar, dat de zelfstandigheid der plaatselijke kerk wordt aangerand, met een handgebaar op zij, door de opmerking, dat bij afzetting van de ambtsdragers door de hoogere vergadering, toch onmiddellijk nieuwe gekozen worden.

Hij vergeet blijkbaar, dat heel het bezwaar juist gericht is tegen dat eigenmachtig afzetten door een in de plaatselijke kerk vreemd gezag, hetwelk in strijd is met de zelfstandigheid van de plaatselijke kerk en met het karakter van het kerkverband.

Degene, die het opneemt voor de zelfstandigheid van de plaatselijke kerk, doet daarmee aan het gezag der synoden niet te kort. Integendeel, hoe meer ontzag zij afdwingen, hoe liever het hem is. Maar hij zal het tegelijk opnemen voor de synoden, om ze te bewaren voor ontaarding en te behouden bij haar ware karakter overeenkomstig den eisch der Schrift, die ons de kerken doet kennen als zelfstandige lichamen en het kerkverband als confederatief verband.

Het groote gevaar van de erkenning van zulke hoogere machten is, dat met de vrijheid en de zelfstandigheid der kerken als lichamen, ook de verantwoordelijkheid van het ambt wordt weggenomen.

Het gevaar bestaat, dat dan het gezag niet is bij het Woord alleen.

Dit is de dood voor de kerk. In de plaatselijke kerk brandt het vuur. Haar zelfstandigheid en besef van verantwoordelijkheid dient juist door de meerdere vergaderingen geprikkeld en opgewekt te worden. Wederkeerig heeft dan de plaatselijke kerk door de kracht der genademiddelen een zegenende inwerking op de synoden, zoodat de gewone en de buitengewone leden mannen zijn vol des geloofs en des H. Geestes.

POST.

De Groote Catechismus van Zacharias Ursinns. (XXXVni.)

Van de Kerkelijke Tucht.

321. Welke moet de inrichting van de Kerkelijke tucht eijn?

Er moeten ouderlingen aangesteld worden, om opzicht te houden over de gedragingen der Kerk. Aan dezen moeten degenen, die schandelijk leven, nadat zij één en andermaal in 't bizonder vermaand zijn, worden aangewezen, om ook door hen vermaand te worden. Indien zij dezen niet gehoorzamen, moeten zij met toestemming dezer (ouderlingen) van de gemeenschap van 'sHeeren Avondmaal geweerd worden, totdat zij betering des levens niet slechts met woorden beloven, maar ook met daden bewijzen.

322. Welk onderscheid is er tusschen de Kerkelijke tucht en het ambt der burgerlijke Overheid?

Het eerste voorname onderscheid is, dat de Overheid de overtreders met lichamelijk geweld straft en bedwingt; de Kerk evenwel vermaant slechts met het woord en sluit uit van haar gemeenschap.

Ten tweede, de Overheid berust in de uitvoering van het recht door te straffen; de Kerk echter zoekt de verbetering en de zaligheid van hen, die zij vermaant.

Ten derde, de Overheid gaat tot de straf zelf over; maar de Kerk vermaant broederlijk, om de straffen

der Overheid door een tijdige verbetering af te wenden. Ten vierde, de Overheid laat vele ondeugden ongestraft, die voor de Kerk schadelijk zijn, en door haar moeten bestraft worden.

323. Waarom is dese tucht noodzakelijk?

Ten eerste, vanwege 't bevel des Heeren, die beveelt, dat de zondaars eenige malen vermaand moeten worden, en indien zij naar ons niet hooren, aan de Kerk aangewezen moeten worden. Indien zij ook haar geen gehoor geven, moeten ze gehouden worden als de tollenaars en heidenen.

Ten tweede, opdat de ontheiliging van de Sacramenten en van het Goddelijk verbond vermeden worde, welke (ontheiliging) plaats vindt, wanneer met toestemming der Gemeente tot 't gebruik der Sacramenten toegelaten worden, die door belijdenis of leven zich openbaren als vreemd van 't verbond Gods.

Ten derde, opdat in de Gemeenïë~bewaard worde de verschuldigde gehoorzaamheid aan den ambtelijken dienst.

Ten vierde, opdat geen besmettingen voortwoekeren, en opdat bij de tegenstanders en de huisgenooten der Gemeente, zooveel dit kan geschieden, de ergernissen weggenomen worden.

Ten vijfde, opdat niets, wat tot verbetering en zaligheid der zondaren door God ingesteld is, in de Gemeente verzuimd worde.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 juni 1939

De Reformatie | 8 Pagina's

KERKELIJKLEVEN

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 juni 1939

De Reformatie | 8 Pagina's