GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Mag met een verbeterde bljbelvertaling langer gedraald?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Mag met een verbeterde bljbelvertaling langer gedraald?

27 minuten leestijd

IX.

Uitgangspunt voor de bespreking van deze urgente kwestie is liet rapport, dat in deze materie op de Synode van 1917 werd uitgebracht en de konklusies, welke daar werden . aangenomen. De Synode achtte een herziening van de Statenvertaling niet beslist noodzakelijk.

Ten opzichte van de wenschelijkheid stond zij . anders. Het rapport onderscheidde daarbij tus-Ihad het groote bezwaren. De laatste zou de moeite niet loonen. Het gaf de voorkeur aan de tweede. Toch meende het rapport, en de Synode sloot zich daarbij aan, dat de Synode daartoe niet zelf het initiatief moest nemen, omdat nog te veel voorarbeid moest worden verricht.

Het bezwaar van den vóór-arbeid is thans weggenomen. Bijna een derde van heel de Schrift is door Gereformeerde Godgeleerden sindsdien opnieuw vertaald en gekommentarieerd. Dit mag voldoende geacht om met den definitieven vertalingsarbeid een aanvang te maken.

ZiJ, die dien voorarbeid hebben verricht ziJn als vanzelf tot vertalers aangewezen. Zij staan thans nog in de kracht van hun leven. En waar met de vertaUng een aanzienlijke tijd is gemoeid, is uitstel zeer te ontraden.

Ook dit mag niet vergeten: gelijk in den tijd der Statenvertaling is ook thans het tekstonderzoek tot een rustpunt gekomen. Men kan zeggen, dat we thans een nieuwen textus receptus van het Nieuwe Testament hebben. Is dan niet de gelegenheid gunstig om nu met een verbeterde bijbelvertaling te beginnen?

Is de StatenvertaUng tot stand gekomen in een tijd, toen men zich voor de autoriteit der Schrift boog en heeft zij er miSdellijkerwijs toe meegewerkt, dat in den tiJd van inzinking, welke daaro pgevolgd is, vele eenvoudigen aan de waarheid vasthielden, wij hebben er ons ernstig rekenschap van te geven of ons in deze misschien niet een da capo van het verleden wacht en of wij verantwoord zijn, wanneer wij het nageslacht niet het kostelijk kleinood nalaten avn een verbeterde bijbelvertaling. Waaneer onverhoopt de deformatie onze kerken mocht verminken, is wellicht in geen eeuwen een zuivere vertaling te wachten. En zoolang kan onze Statenvertaling niet meer mee.

Op het reformatorisch program behoort verbetering der bijbelvertaling te staan vóór uitbreiding der belijdenis en herziening der liturgie, hoe gewenscht beide laatste ook zijn. Want èn belijdenis èn liturgie zijn ten opzichte van de Schrift secundair. God heeft de zielen der geloovigen aan die Schrift gebonden. Verreweg de meesten kennen echter de Schrift slechts in een vertaling. Maar dan heeft de kerk ook te zorgen, dat deze ver' taling zoo getrouw mogelijk zij. En nu zal geen deskundige durven beweren, dat do Statenvertaling, hoe uitnemend ook, het meerdere üoht doet uitschijnen, dat God over de Schrift voor het tegenwoordige geslacht deed opgaan. Het verschil tusschen „grondtekst" en Statenvertaling is waarlijk niet zoo gering. Neemt men dat verschil niet zooveel mogelijk weg, dan zal hiervan het gevolg zijn, dat de gemeente meer en meer los wordt van het Woord.

Symptomen van los-vvorden van het 'Woord komen af en toe in de prediking reeds tot uiting, door de indiridueele vertalingen, welke van den kansel soms worden geboden en waarbij er zijn, die nog gebrekkiger zijn dan de Statenvertaling.

Het besef, dat de Statenvertaling opi meer dan één punt verouderd is, sijpelt langzaam, maar z'eker naar heel de gemeente door.

Uitteraard is er een kategorie yan gemeenteleden, die dit besef zoolang mogelijk traöhten te onderdrukken.

Maar daartegenover bevindt zidh weer een andere kategorie, die neiging heeft om in meer dan één opzicht de waarde der' traditie te miskennen en die dit besef in niet te voren overwogen daden; tot uiting brengen.

Het is een feit, dat er Gereformeerde gezimiexi zijn, waarin bij de huiselijke godsdienstoef e n i n g niet ^ meer de Statenvertaling wordt gebruikt, maar partikuliere yertaUngen, ja zelfs de Leidsche Vertaling.

Vraagt gij dan, waarom men zoo handelt en of zij over demeerdere juistheid V^in| die vertalingen oordeelen kunnen, dan zult gij meermalen een antwoord ontvangen: 'dat nu juist niet, maar ik begrijp-ze beter dan "den Statenbijhel.

Het moet worden toegegeven, ' dat dit al een zeer O'ppervlakkig motief is.

Niet de betrouwbaarheid der vertaling geeft hier den doorslag, maar de leesbaarheid.

Wie dus aan den grondtekst een zin leent, die er in 't geheel niet in ligt, maar die bevattelijk is voor het jerstand of meer het gevoel toespreekt, kan bij deze menschen v.oox zijn werk, dat zacht uitgedrukt niet serieus mag worden geheeten, afzetgebied vinden.

Zoo doen rationalisme en mysticisme hun intrede in de gemeente.

Verstand en gevoel beslissen wat God in Zijn Woord wil zeggen en wat niet.

En nu kunt gij en moet gij hiertegen ook wel toornen.

Gij kunt deze menschen om hun liclitvaardig radikalisme bestraffen.

Maar daarmee zijt gij niet klaar.

De kerk geve hun een hertaling, waaraan minder gebreken kleven.

Met toornen, berispen, k'ritiseeren komfzij er niet.

Zij moet er iets positiefs 'tegenover stellen.

Al worden de bezwaren tegen de Statenvertaling overdreven, de bezwaren zijn er en woerden steeds sterker gevoeld.

Te keeren is dit niet.

En het mag ook niet.

Die bezwaren behooren zoo spoedig mogelijk uit den weg geruimd te worden.

Zelfs alle voorwendsel moet worden ontnomen.

Anders is de kerfe niet verantwoord, dat haar leden van de waarheid afzwerv^en.

Men stelle zich niet gerust: het zijn maar enkelingen, die een modernistische bijbelvertaling ter hand nemen.

Die enkelingen oefenen ook invloed en sleepen anderen mee.

De tijdgeest werkt de losweeking van het Woord in de hand.

Dat de kerk dit gevaar manmoedig onder de oogen zie en geen halve maatregelen neme of erger nog: zich van het nemen van maatregelen onthoude.

Op nog een ander symptoom dient gewezen.

Ik denk, dat iedere predikant met eenige ervaring, vooral in groote-stads-gemeenten er oVer meepraten kan.

Wanneer jonge menschen met moeilijkheden, welke de leer betreffen, tot hun dominee gaan en deze de Schrift voor hen doet spreken, is dit een vraag, die keer op keer wordt gesteld: maar moet die tekst misschien niet anders worden vertaald?

Zoozeer werkt het weten, dat de Statenvertaling' gebrekkig is, den twijfel in de hand!

Een afwijkende meening zoekt men soms gaarne te dekken met een mogelijke onjuistheid in de vertaling.

En dan kan men soms zoo schrijnend voelen

het tekort van de kerk in deze. 'Wie met Jonge menschen, die de talen, waarin de Bijbel geschreven is, zelf niet machtig zijn, in aanraking komt, kennis neemt van hun strijd, geduldig luistert naar hun moeiten, zal zich Van deze kwestie niet zoo luchtig kunnen afmaken.

Er is bij velen niet dat Vertrouwen opi het Woord Gods, dat er zijn moet.

Daaraan draagt ook schuld, dat onze bijbelvertaling niet i s, die ze moet zijn en kan zijn.

Er bestaat hier werkelijk een noodstand.

Dat men zich niet susse en paate.

Petrus van Mastricht over het spreken van de slang.

I

De kwestie-Geelkerken is een bron van zorg, een bron van twist, maar ook een bron van lektuur.

De eene brochure gaat, de andere komt.

Er zijn er bij — wij' hopen ze op éen anderen keer te bespreken — die getuigen van eirnstigie studie.

Er zijn er ook bij, die de Vertroebeling nog grooter maken.

Voegt daarbij de' artikelen, welke in de bladen daarover worden geschreven en gij verwondert u niet, dat sommigen besluiten: ik wil er niets meer van lezen, ik heb er genoeg van.

Toch worden zóó de moeilijliheden niet opgelost.

Wij lazen ergens wél een voorstel om alle g^^ schrijf over deze kwestie te staken tot de Generale Synode, maar men kan van teVoren uitrekenen dat dit voorstel niet wordt aangenomen.

En dat men zich uit, kan op zichzielf geen kwaad

De geesten worden openbaar.

Met droeflieid ontwaart men, dat er in onze kerken stroomingen werken, die, worden ze niet in tijds in goede bedding geleid, in plaats van een geleidelijke, een meer ingrijpende reformatie nooè zakelijk maken.

We willen echter ook' niet voorbijzien, dat ei thans veel gesproken en geschreven wordt, wat later, als de bewogen psychische gesteldheid yoor een kalmere heeft plaats gemaakt, gaarne zal worden teruggenomen.

Eigenaardig is het, dat zoo'velen de meening zijn toegedaan als zou de kwestie van het spreken van de slang in het Paradijs eerst nu een brandende zijn geworden.

Men meent soms fonkelnieuwe argumenten aan te voeren, terwijl, als men de gesöhiedenis geraadpleegd had, zou bemerken, dat ze al erg" oud waren.

Wat men op rekening van de laatste Vorderingen der wetenschap schrijft, blijkt in vroeger eeuwen reeds to zijn gedebiteerd.

Men sleept er soms Kant bij, als zou die de menschen over de slang en dergelijke kwesties aan het denken hebben gezet, terwijl historisdt onderzoek uitwijst, dat zo vroeger precies eenderen vaak nog scherper werden gesteld.

Wij willen in een paar artikelen den bekenden Gereformeerden theoloog Petrus van Mastrioht over deze kwestie het woord geven en men zal, dunkt ons, wel eenige verrassende ervaringen opdoen.

Wij gebruiken hier de oude HoUandsche vertaling van zijn werk, hetwelk in 1749 verscheen.

Alle subjektiviteit is hiermee uitgesloten.

Wij hebben de spelling wat gemoderniseerd, maai den ouden zinsbouw lieten we onveranderd.

In het eerst leest deze wat zwaar, maar weldra went men er aan.

Op verschillende plaatsen handelt hij over bet spreken van de slang, maar vooral op' blz. 231-241 van het Tweede Deel zijner „Beschouwende en Praktikale Godgeleerdheit”.

Hij tracht daar verschillende dwalingen te dezer zake te wederleggen. Vooral treedt hij op tegen Balthasar Bekker. Natuurlijk nemen wij' niet elke uitdrukking en elk argument voor onze rekening, maar veel valt er uit te leeren. Wij öiteeren dan:

„Ten vierde, aangaande de slaiig, den verleider, pleegt gevraagd te worden, niet zoO' zeer wie ze geweest zij van gedaante en soort, een basilisk, een adder, of eenig ander dier, dan wel hoedanig hij geweest zij, of een ware en natuurlijke, dan of alleen een gedaante daarvan, en indien een ware slang, of dan een slang alleen, dan of bestoet, vergezeld, bezeten en vervuld van en door den Satan, Philo da Jood van de wereldmakiog, gelijk het gansche derde Hoofdstuk van Genesis, zoo ook deze slajig in een leenspreulc veranderende, verstaat door dezelve niets anders dan den wil. Dezen volgt Origenes, die in de meeste plaatsen der Schrift aJIegoriseert; en onder de geestdrijvers Jakobus Behm, de geheele Genesis in een leenspreuk veranderende; integendeel laten sommige Joden niet dan een natuurlijke slang toe, welke Aben-Ezra (in Perusch super Gen. III) dapper verdedigt, en met welke 't houden de Socinianen, Kabalisten, Cyrillus (contr. Julian, lib' HI) en Kajetanus, die alleen den Satan verstaan, in de gedaante van een slang blirdtende. Het gemeenere en waarachtiger gevoelen der Gereforrneerden is, dat 't geweest is een slang bezeten van den D'uivel, en deszelfs werktuig in de verleiding: waarom Theodoret.us (Quaest. in Gen. 32) zegt....

De slang is het werktuig geweest van dengene, die in der waarheid de vijand was. Want dat er een ware slang bij is geweest, blijkt zoowel uit het getuigenis van den tekst, Gen. III, als uit de straf van het op den buik kruipen en het eten van 'tstot, 'VS 12. Doch dat er niet alleen een slang is tegep^ woordig geweest, blijlrt: I. uit de gelijkluidendheia der plaatsen: Joh. VIII, 44; 2 Kor. XI, 3; Openb-XII, 9. II. Uit hare redeneering en verleiding. H'-Uit de aangekondigde straf der kopvermorzeli'Q'g, a'" geen anderen aangedaan of zullende aangedaan vrordan aan den Satan, Rom. XVI, vs 20. Hetgeen nu, iehalve deze dingen, aangaande de orde van deze Verbondschending, en aangaande de eerste beweging daarvan, insgelijks aangaande de zwaarte, ©n andere stut ken meer pleegt boredentwist te worden, hebben w? reeds allang in het Leerstukkige en Verklarende deel aangeroerd.

Men vraagt, ten vijfde, of het verhaal van de jerzoeking en verleiding der eerstgeschapen menscheii historisch zijn, dan allegorisch. Wij zullen niet ^ed» om voor den dag: roepen diegenen, welke wij in '^^ Verklarende deel, en in de voorgaande paragraaf geteekend hebben.

Batliasar Bekker onlangs in zijn betooverde Wereld I Boek., XII Hoofdst, omdat hij meende, dat de ge^ schapen geesten niets andei"s zijn dan enkele ne^ kingen, en dat ze derhalve door hun eigen kracMe buiten zich niet werken, als hij zag', dat hem voor n tegengesteldo zou tegengeworpen worden de ois rie der verleiding van den 'Satan door de slang, wa door dis gewrocht heeft buiten zich, zoo op slang, als doior middel en 'behulp van dezelve_ op . Yrou-w; tracht met inspanning van alle kracnten te

verwerven, dat het nieit historisch, maar éen allegorisch verhaal zij. Over deze zaak zegt hij vooraf, s 1, dat hij niet verplicht noch verbonden is, om alle zwarigheden, bij, hem desaangaande voorkomende, op te lossen, als hij dat maar hebben en houden mag, hetgeen zijn gansche werk bedoelt, namelijk, dat de kvvade geesten niet werken buiten zich. Dan schijnt hij § 2 te erkennen, dat de Satan den mensch verleid heeft, en dat Mozes zulks door omstandigheden verhaalti ondertusschen gebiedt hij met dit verhaal to vergelijken Clnistus, Joli. Vlli, 44, alwaar hij zegt, dat de Duivel is een leugenaar en een menscheninoorder vaai den beginnej en Paulus 2 Kor. XI, 3, alwaar hij zegt, dat de slang Eva door haar arglistigr head beiogen heeft; en Johannes Openb. XH, 9, , alwaar hij zegt, dat' de onde slang geweest zij de Satan; dat dus de vergehjking van al deze gezegden aan dit verhaal veel licht toebrengt, , en dat men daarop allermeest acht geven moet.

Daarna leert hij § 3 dat de slang in den tekst vermeld wordt, en wel alleen; en dewijl, volgens § 4 de slangen menigvuldig zijn, en van allerlei soort en gedaante, ten minste mannetje en wljlfje, dat men dan niet begrijipen kan, om Wat reden er alleen maar één vermeld wordt, en wel mét een aanwijizend voorzetsel: die slang; noch ook hoe dezelve §5 gezegd wordt listiger te zijn dan al de diere'n, daar er listiger dieren opgemerkt worden: daarenboven § 6, dat men niet bedenken kan, op Wat wijze eenig onredelijk, stom dier door listigheid bekwaam zij', om den mensch to verleiden en te bedriegen, en •wel een mensch, die met een zoo groote wijdheid begaafd Was. Hier vandaan vaart bij voort tot den ütiivel § 7, om te verwerven, dat de Satan op geenerhando wijze een slang uitgekozen heeft, door wier behulp hij spreken zou tot de Vrouw, omdat hij geen tong en stem noodig gehad heeft, waarmede hij de Vrouw aanspreken zou, en omdat een slang verstoken is van verstand teffens en van sprake, waartoe zou hij derJialve een 'slang voor zich uitgekozen hebben? Waarom geen ekster of aap? Dioch § 9 gesteld zijinde, dat de Satan door de slang gesproken heeft, zoo zegt hij', dat de slang even hierdoor een groeter wonderwerk gedaan heeft, dan God zcli ooit gedaan heeft. Ja § 10 zegt hijl, zoo gij vergelijkt de ezelin va.n Bileam, door een Goddelijk© kracht sprekende, dat daaruit vloeien zal, dat de Duivel zich zelven veel wijfeer betoond en gedragen heeft, dan God, sprekende door een ezelin, voorzoover de redenoeringen van gene fijner en schranderder geweest zijn, dan van deze. Doch § 11 dat God niet zegt, dat de Satan door de slang gesproken heelt. Hij vraagt derhalve § 12: wio is het dan geweest, die sprak? En hij antwoordt zich zelven: diezeflde slang, waaraan hij naderhand de straf aankondigde. Doch hier werpt hij zichzelven wederom tegen: hoe kan God een stom dier aanspreken? hoe kondigde hij hetzelve een straf aan, te kruipen op de aai'de, hetwelk aan hetzelve van te voren reeds eigen Was door deszelfs natuur? En § 14, 15 wederlegt hij Pareus, welke meent, dat de' slaog vóór den val ep voeten gegaan heeft. Diat ook § 14 niet verstaan kan wnrden, op wat wijize aan 'de slang tot een straf aangekondigd wordt, het eten van het stof, daar men opmerkt dat de slang allerlei dingen eet. D'at ook § 16 niet verstaan kan w'orden, op wat wijfce er vijandschap plaats heeft tusschen het zaad der Vrouw en het zaad der slang, wijl er een grodtere vijandschap bespenrl. en gezien Wordt tusschen de mensch en andere onvernuftige dieren, bijvoorbeeld, leeuwen, tijgers, wolven, enz. en § 18 dat de Ophiten de slangen eertijds geëerd hebben bovon Christus, enz.

Vervolgens § 21, dat hier alleen de slang vermeld; wordt, en dat Paulus 2 Kor. XI : 3 niet zegt, dat de-Satan Eva verleid heeft; dat anderszins niet verklaard kan worden, hoe hem tot een straf aangekondigd zij geworden, te kruipen op den buik. Al hetwelk zich § 2a hierin bij hem ontlast, dat noch de slang, noch Je Duivel, noch die beide hier e i g e n 1 ij k moeten verstaan worden, en bijgevolg, dat het verhaal niet h i s - torischer-maar allegorischer-wijz-a verstaan moet worden. En schoon de Schrift leert, § 24, dat de oorsprong van don val der geesten van de zonde is, en der menschen uit den Duivel, maar, of dit met beleid en raadslag, of volgens voorbeeld, dan op eenige andere w^jze geschiedt, dat zij evenwel geen verhaal zeggen. Dat 't zeker zij, dat de tekst spreekt van de slang alleen, doch die 'drt niet heeft kunnen uitvoeren., Ondertusschen, welke de aUegorische zin van dit verhaal zij, verklaart hy niet en kan hij ook buiten twijfel niet verklaren-Dit is het korf sommier van 's mans gansche redeneering, oprechtelijk voorgesteld; laten wij dezelve nu eens een-weinig nader overwegen”.

HEPP.

Een caristelijk-Gereformeerde stem.

VII.

Het wordt zoo langzamerhand tijd, dat we de rekening ^'to docent v. d. Schuit opmaken. Kraditens de bedoeling van deze artikelenreeks gaan we niet op de '•^ile als zoodanig in en laten we dus buiten beschouwing wat de auteur opmerkt over de moderne of evoluhoaistische richting en over zijn eigen „schriftuurlijkconfessioneele". Slechts inzooverre, als de bespreking 'Jaarvan ons stof leveren kan voor ons betoog, dat ^li' Kuyper voer de rechtbank van Apeldoorn — en ™ wijderen zin van een heele groep vlakbij ons staande cnristenen, die wij moeten zoeken — geheel en al verkeerd belicht en op door en door vooze gronden wordt gevonnist, kan dat alles hier 'ter sprake komen.

Slechts veroerloven wij ons in het algemeen twee opmerkingen. i

De eerste is, dat de rectorale rede van docent v. d. S. W al te veel het kenmerk van overhaasting 'h'aagt. Hij spreekt van „viesie", „antroposophio", "Adolescente periode", „Mijers", „analitisch", den „locus omschrijving en nauwkeurige aanwending van het woord. Een enkelen keer zegt docent' v. d. S. precies het omgekeerde van wat biji bedoelt (bl. 12, regel 19, 20) en hij begaat de vergissing, den titel van het nog wel beroemde werk van William James: ïh© varieties of religious experience te vertalen door: „Verscheidenheden van religieuse proefneming". Toch had het feit, dat James' werk is vertaald in het nederlandsch door J. P. ^yesselink—van Rossum onder den titel: „De verscheidenheden op het gebied van godsdienstige ervaringen, hem den beteren weg kunnen wijzen. Dit alles heeft geen belang voor iemand, die niet geroepen is, een jrecensie te geven van een niet ter recensie aangeboden geschrift. JMaar voor ons betoog heeft het wel beteekenis. Het kaa ons doen vragen: blijkt hier genoegzaam geduld, om in te dringen in het onderwerp, dat de spreker behandelen wil? In het algemeen is men de oefening van zoodanig geduld aan zichzelf verplicht. Maar vooral wie iemand als Kuyper, een medechristen, nog wel mèt diens heele „richting" bestrijden wil, is dit aan dien medechristen verplicht.

In de tweede plaats moet het ons van het hart, dat doe. V. d. Schuit zich wat al te gemakkelijk „vlijt", zooals hij tot twee maal toe abusievelijk schrijft. Hij heeft de moderne of evolutionistische richting bestreden met wapenen, die haar eigen voorstanders ten doele reeds hebben overgenomen, en tastte haar aan in bepaalde typische kenmerken, die wel een vorige generatie van deze school, maar niet de modernste vertegenwO'Ordigers ervan kunnen kenschetsen. De enquêtemethode b.v., die het religieuse individu aan het woord liet komon, om uit zijn eigen verklaringen en ervaringen het verschijnsel van bekeering en wat daarmee samenhangt, te loeren kennen, is in den laatsten tijd losgelaten voor een meer doeltreffende methode van onderzoek, waarbij meer de religieuse gemeenschappen en de godsdienst zelf in zijn sterkste en hoogste vorschijiningsvormen worden onderzocht. Met deze nieuwere zelfcorrectie der moderne school heeft docent v. d. Schuit geen rekening gehouden. D'at is óók weer een verschijnsel, dat voor ons doel veel te zeggen heeft. Immers, het wijst erop, dat de kalender niet bijgehouden werd. En dat behoeft ook niet in alle gevallen te gebeuren. Maar het is w è 1 noodzakelijk voor iemand, die zegt, dat hij een heele groep van medechristenen wil uitsluiten van de school der schriftuurlijk-confessioneelen, en dat nog wel in een tijd, die zoowel de Schrift als de confessie weer in het brandpunt der belangstelling plaatst. Evenals docent V. d. S. de moderne school bestreed zonder acht te slaan op de recente feiten en de ontwikkeling der dingen in den laatsten tijd, evenzoo heelt hij ook met do 'z.g. Kuyperiaansche „richting" gedaan. D'obatten, die allang tot rust gekomen zijn, en waarover reeds voor 20 jaar (1905) synodale olie uitgegoten werd, maar dan naar zuiver recept, worden totaal genegeerd; en om toch maar in de contramine te blijven wordt positie genomen in den tijd vóór 1905, en dan nog zóó, dat de moderne lichting beter bekeken wordt dan de Kuyperiaansche.

Er is in al deze dingen iete, dat krenkend is.

Krenkend door lichtvaardigheid.

Of is het geen lichtvaardigheid, als docent v. d. S-dui'ft zoggen, dat het een , , p s y c h o 1 o g i s c h e" fout van Kuypers richting is, dat ze komt tot do leer van de dormante (sluimerende) wedergeboorte? Hoeveel dat laatste heteekent, hebben we reeds gezien; daarover nu geen woord meer. Maar we vragen, niet zonder ver-wondoring: i.s hier een dogmaticus aan het woord van de C h r i s t e 1 ij k - G e r e f o r m e e r d e Kerk? Spreekt hier een man, die geen p s y c h o-1 o g i e bestudeert maar theologie? Docent v. d. S. heeft beloofd, dat hij „Schrift" en „c-'önf es s i e" zal aan het woord doen komen. 'Maar hij heeft ze beide grondig verzwegen en links laten liggen. En hij begaat de voor een „schriftuurlijk-coinfessioncel" richtings-man onvo'rgeeflijke foul, dat hij de kwestie uitvechten v/il, en met de Noocalvinisten „airekenen" wil, op „psychologis c h e" g r o n rl o n en langs p s y c h o 1 o g i s c h e n redoneorgang. Letterlijk schrijft hij: „Ik wil trachten dit te doen (afrekenen met de NeocaJvinistische richting!) niet .als op de gewone gemakkelijke wijze, door teksten uit den Bijbel en co'nfessie aan te halen, maar in regelrecht verband met mijn o-nderwerp dit psychologisch trachten te weerleggen.”

Alzoo staat het geschreven

Maar wij wrijven de oogen uit-Is de bewijsvoering met Schrift en confessie „ gemakkelijk”?

Ne^n, neen, die is juist hier de eerste, en 'de zwaarsteoisch.

Wil men in Apeldoorn de uilkomsten der geologie bestrijden, voorzoover men zo niet wil erkennen, doet men dat dan ook soms niet langs „'den gemalckelijken weg van Schrift-en confessie", maar langs geologischwetenschappelijken weg?

En wil men er de filosofie, laat ons zeggen, van Hegel bestrijden, doet men daar dat dan niet „met Schrift on confessie", maar langs filosofischen weg?

Ieder voelt, dat dan de theologische school van Apeldoorn onmiddellijk kan verdwijnen. Want Schrift en confessie zijn geen handboeken voor geologie en niet voor filosofie, en ook niet voor psychologie. Maar zegeven daarvoor wel de beginselen aan.

Het is een droef tragi-comisch verschijnsel, dat zich hier afspeelt.

Eenerzijds staat dr Kuyper. Docent v. d. Schuit zegt tegen bem: gij begaat een „psychologische" fout-Maar dr. Kuyper heeft zijn leven besteed voor de verbreiding der gedachte, dat hij de terreinen van de wetenschap, ook dg psychologische, niet kon betreden tenzij met de Schrifrin de hand en in het hart, i) Daarom is ook zijn constructie van de leer der wedergeboorte geen kwestie van psychologie. Hij komt tot zijn voorstelling op grond van de SCHRIFT. Hijheeft herhaaldehjk bewijzen uit den bijbel genoemd.

Nu kan men zeggen: dr Kuyper maakt een fout; daar kan men over praten. Maar het is tastbare dwaasheid, te zeggen: die fout is psychologisch en we zullen die dan ook eens even langs psychologischen weg bestrijden. Toen dat gezegd werd, toen — we aarzelen niet het uit te spreken — Itoen heeft de rector van de Theol. School van Apeldoorn tenslotte gedaan wat een „schriftuurlijk-confeBsioneele" nooit moet doen. Hij heeft toen zijn standpunt verlegd naar het terrein der modernen, der menschen, die ook van wetenschap praten, zonder Schrift. Die een psychologie kunnen opT: iouwen zonder Bijbel. Al had dr Kuyper zich honderdmaal vergist en docent v. d. Schuit duizendmaal gehjk, dan zou in 'den grond dr Kuyper toch nog zuiverder zijn dan docent v. d. Sch. Want iemand, die zich vergist in de uitlegging Van de Schrift, waarvoor hij o\'erigens eerbiedig bukt en welker resultaten, zooals hij ze ziet, hom op gezag der Schrift bindend zijn, die staat op den bodem der confessie. Maar iemand, die waarheden grijpt, per ongeluk, maar ze dan grijpt langs een anderen weg, 'dan waarlangs hem do bijbel voert, die heeft in zijn wetenschappelijke methode het standpunt der Schrift en der confessie verlaten; die heeft in zijn wetenschap het gereformeerde beginsel verloochend.

Men moet hier niets achter zoeken.

De historie is ©en langzaam werkende, maar punctueel betalende wreekster.

Men heeft geroepen van den kant der christelijk gereformeerde kerk: dr Kuyper heeft de gereformeerde gedachte verlaten. 'Hij werkt — wee over hem — niet met de gereformeerde b e 1 ij d e n i s, maar met de gereformeerde „beginselen". Fij, fijl En hij heeft niet de Schrift geloovig erkend, maar komt met zijn filosofie voor den daig.

En zie hier de wraak der historie.

Daar komt een Apeldoornsch rector. Hij komt voor den dag voor de eerste maal. Hij zal Kuyper weerleggen. Officieel. Welk operatieterrein kiest hij? Niet dat der Schrift, noch dat der confessie; maar dat der psychologie! Op welk wapen wil hij den strijd openen? Op het psychologische!

Maar zoo komt men van dr Kuyper niet af.

Stel dat hij fouten maakte, dan zijn het dogmatise h-e xegetische. En iemand, die met geen woord uit Schrift en confessie Kuyper weerlegt, gaat hem voorbij-

Laat men van den kant van Apeldoorn nooit meer zeggen, dat Kuyper werkt met de gereformeerde beginselen en niet met de gereformeerde b e 1 ij d e n i s. Want de rector van Apeldoorn werkt hier niet met de gereformeerde belijdenis en niet eens met de gereformeerde beg i 11 s e 1 en-Hij opereert met de beginselen der psychologie althans, zooals h^j ze ziet.

Ja, dit laatste moet men niet verzuimen erbij te zeggen. Want feitelijk komt het heele betoog van docent v. d. Schuit hierop neer, dat hij zegt: dr Kuyper zegt wat (al zagen we dat dat iets anders was, dan er hier van gemaakt werd). Maar dat is niet waar.

Argumenten ?

Ja, zeker! Twee argumenten, en dan „psychologisch”.

Argument één: het is niet waar.

Argument twee: het is niet waar.

Ik. scherts niet, ik overdrijf niet.

Want argument één luidt: de wedergeboorte is geen nieuwe schepping, maar een herschepping (maar, dat heeft dr Kuyper zelf honderdmaal betoogd, dus dat kan geen Apeldoomsche ontdekking zijn)-En nu is, ja, hoor goed. „nu is het PSYCHOLOGISCH ONMOGELIJK", 'dat de functies der ziel in den wedergeborene „worden omgekeerd en een richting naar God kragen, en dat de mensch, de zelfbewuste mensch, daar niets van merken zou"i

Dat is argument één.

En het tweede-, hieraan gelijk, is: „Waar de ziel, in al haar functies wordt aangeraakt, daar moet, zoo dra het zieleleven tot bewustzijn is gekomen en de mensch zich dus rekenschap kan geven, wat ron-dom hem en in hem omgaat, die ziel in al haar fmicties zich uiten". Wat is dat nu anders, dan zeggen: Kuyper heeft geen gelijk, want hij heeft geen gelijk; hij zegt wat, maar het is niet waar, omdat het niet waar is?

Is dat soms psychologie?

Weineen, het is niets.

Het heet hier „psychologisch onmogelijk", dat de mensch niets zou merken van wat God in Hem doet-Maar de man, die dat gezegd heeft, erkende zelf, dat de wedergeboorte haar aanvang had in „wat de moderne psychologie noemt: het onderbewustzijn". Hij móét dus ook toegeven, dat daar de principiëele verandering intreedt; die niet aanstonds in het bewustzijn opgenomen wordt en doordringt. Hy erkent dus een theologische mogelijkheid, neen, w e r-kclijkheid, die hij dan later rangschikt onder de psychologische onmogelijkheden-Gereformeerd is anders-Wil hij met - dr Kuyper twisten, dan strijde hij 'Over de vraag, of dat verborgen bhjven van het beginsel der wedergeboorte lang kan duren, of minder lang; kort, .of minder kort-Maar deze volzin is niet alleen een verwerping van dr Kuyper, maar ook een verloochening van docent v. d. Schuit. En van Comrie. En per slot van rekening van alle gereformeerde theologen en de heele confessie. Want zij zeggen allen: de wedergeboorte is eerst een omkeering van de vermogens in de ziel en het is theologisch-, , sehriftuurlijk" zeker, dat de mensch daar eerst niets van merkt. De vraag: hoe lang dat duurt, is een tweede-En daar zegt de 'docent geen woord over-Maar dan heeft hij de menschen ook maar wijs gemaakt, dat hij tegen dr Kuyper streed. Hij liet hem gansch rustig liggen. »

En niet beter staat het met het tiveede argum-ent, dat aan het eerste gehjk is-We citeerden het reeds. Ook hier weer de begripsverwarring, die den docen't doet spreken over de „functies" der ziel, terwijl hij het alleen moet hebben over de „vermogens" de , , hebbelijkheden" der ziel, en over de vraag, welken weg de ziel doorloopt om V£^n vermogen tot functie te komen-En dan die geweldige zin, dat, zoodra de mensch zich rekenschap kan geven van wat in hem omgaat, die ziel zich in al haar functies uiten moet. Afgedacht van de voosheid van deze laatste bewering (de psychologie laat het zelf wel .anders zien), merken we alleen maar op, dat de

docent wéér Kuyper links laat liggen. Want heel de kwestie loopt juist over de vraag, hoe het staat met menschen, die nog niet zoover zijn, dat ze zich rekenschap kunnen geven van wat in hen omgaat.

Zulks noemt men nu „afrekenen". Afrekenen met Kuyper.

Quis non fleret?

En dit alles wordt dan aangevoerd tegen Kuyper. Tegen den man, die gewezen heeft op den Dwoper, en op Jeremia en op heel Gods werk in de schepping (b.v. E Voto III, 17.)

Tegen den man, die eens geschreven heeft, dat hij de regelen van het proces, dat van wedergeboorte tot bekeering overleidt., niet kan verklaren, (zooals de christelijk-geieformeerde dogmaticus) langs psychologischep weg, maar alleen door de verborgen levensgemeenschap met Christus en diens werk; alsook door de werking van God den Heere (E Voto III, 386, 427).

Tegen den man, die ook aan docent v. d. Schuit geleerd heeft, dat in de wedergeboorte het rad der geboorte in het centrum van het wezen op oen andere spil wordt gezet; maar die daarna hem komt vertellen, dat hij nu niet maar dadelijk moet gaan praten over de „functies" der ziel, maar moet verstaan, dat op zichzelf in de wedergeboorte de wereld van ons b e - wuste leven nog niet is veranderd; omdat dit eerst geschiedt, als de tot ons ingekeerde H. Geest zijn werking uit het cejjtrum oolc op onze facultates, onze veiTnogens, overbrengt. (Ene. II, 535). En die daarmee zijn bestrijders geen kans geeft, aan zijn logica te onir komen of aan zijn Schriftbewijs, door een beroep op de functies Van den bewust en en naar binnen ZIENDEN mensch, maar hen dwingt, tot het centrum der ziel af te dalen, om aldaar...

Ja, om aldaar te leeren, dat men niet wijs moet zijn, boven hetgeen men behoort wijs te zijn.

Wam dat zegt de Schrift.

Dat zegt ook Kuyper, die niet met psychologische wijsheid, maar met B ij b e 1 s c h e, normatieve gegevens, komt tot zijn leer.

Dat zegt ook de door docent v. d. S. maar gemakshalve genegeerd© synode van Utrecht 1905, waar de Kuyperiaansche „richting" althans eenigermate aan het woord kwam, en die voor doe. v. d. S. meer had moeten beteekenen dan een citaat, dat niet te vinden was, toen er naar gevraagd werd.

K. S.


1) Wetenschap en palingenesiet

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 december 1925

De Reformatie | 6 Pagina's

Mag met een verbeterde bljbelvertaling langer gedraald?

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 december 1925

De Reformatie | 6 Pagina's