Studentenalmanak 1913 - pagina 191
FARRAGO 177 En ze was zoo goed zoo edel, Of ze vaders wenschen wist. Was zij 's winters bij familie, Daar werd één tehuis gemist. ...
Studentenalmanak 1913 - pagina 192
i;8 FARRAGO Moeders raad en vaders meening Was maar praten in den wind. Ids wist immers alle wakken En terug was 't voor den wind. ...
Studentenalmanak 1913 - pagina 193
FARRAGO 179 En daar sleepten zij een slede Door de staldeur in het licht. Dood lag daar Marije neder, Bleek en stijf het lief gezicht. 'n Leekebloem prijkt' op haa ...
Studentenalmanak 1913 - pagina 194
'n VAKANSIE ONDERVINDING. ENK aan, vijf daë van ontspanning na hard werk! Is dit nie verrukkelik nie? Sukke vijf heerlike daë het 'n vijftal Afri- kaanders in 1909 gehad. Dit was in Junie ensoos julle weet ...
Studentenalmanak 1913 - pagina 195
FARRAGO 181 Eindelik word die ding so opgelos: almal sal kokwees. Eén is dan houtdraër, 'n ander waterdraër, één kokeren die ander twee moet sorg dat die pampoen schoon indie pot kom en die koffie ook; op h ...
Studentenalmanak 1913 - pagina 196
182 FARRAGO Die tweede dag het dit beter gegaan. Hoewel ditbaje koud was, en die rijp 'smoors bijna soos kapok( = sneeuw) geleh het, het ons die vollende nachte buitelanges die wa geslaap — däär was tenminste ruim ...
Studentenalmanak 1913 - pagina 197
MEI.Mei, Mei, blonde Meiin je blijde bloemkleedijeindelijk gekomen,met je haren vol van geur't mondje druk van zoet geneur,zusje van mijn droomen.Mee, mee naar de weinaar de bonte bloemensprei,samen daar te zingen ...
Studentenalmanak 1913 - pagina 198
184 FARRAGO Mei, Mei, zoete Mei, zoen mijn mond en oogen bei, onder 't lachend stoeien; zing mijn hart vol vroolijkheid, t want je zangen doen altijd v ...
Studentenalmanak 1913 - pagina 199
ZOMERLIEDJE. Hoor je niet het dreunend kloppen vanjden specht in 't splijtend hout, die zijn nestje heeft gebouwd tusschen hooge waaiertoppen van|het zingend dennenwoud? Hoor je wel het vroolijk neuren van de meezen in het bosch, ...
Studentenalmanak 1913 - pagina 200
GESCHEIDEN.Ik zit hier eenzaam op een' bank van steen,En monotoon ruischt boven 't hoofd de linde;De stad hult zich in scheem'ring — daar beneên —Als ware haar sluim'rend hoofd omkransd met winde . . .De neev'len stijgen, op het weide-ve ...