Vu cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Vu te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Vu.

Bekijk het origineel

„honor in honorante” — — et in honorato.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

„honor in honorante” — — et in honorato.

81 minuten leestijd

Op den paaschmorgeri grijpen we weer naar den tekst van Paulus' woord over God, die den Middelaar van het genadeverbond zoozeer vereerd en verhoogd heeft, dat Hij Hem een naam gaf welke boven allen naam; is.

En we realiseeren ons, dat we 'op Paschen toegekomen zijn aan het thema óók van het g o d d e 1 ijk eerbetoon aan den mensch. Den mensch Jezus Christus.

Als wij spreken over „goddelijk eerbetoon" *dan is dat een ander thema dan dat van „Christus' (eigen) heerlijkhei d".

Zeker, we hooren op Paschen ook veel zeggen over Christu^' heerlijkheid. Hoe vaak heeft men niet hetgeen op Paschen voorvalt en daarna b 1 ij f t geschieden, een „anthraciet-gebeuren" genoemd? Laat niemand hier het hoofd fronsen, oijwennig tegenover zulke beeldspraak; want zoo héél vreemd is ze niet. „Anthraciet" is afgeleid van , - , anthrax", en dat wil zeggen: kool. Welnu, niet alleen bij oud-christelijke schrijvers, doch ook in oude kerkelijke liturgieën is het lichaam van Christus zoo dikwijls „anthrax", kool, pruna, genoemd. Anthraciet, waar geen vuur bij komt, is dof; maar komt het vuur erin, dan begint ze te gloeien. Nu is het vleesch van Christus, aldus vele oud-christelijke schrijvers, zoo'n anthrax, zoo'n kool: het dient te worden do-orgloeid van het vuur van den in Hem wonenden Geest. Want „het vleesch is tot niets nut", kolen zonder vuur zijn doffe kolen; maar: „de Geest is het, die levend maakt", het vuur laat de kool glanzend zijn en óns verwarmend. Zoo is ook in het avondmaal (de eucharistie) „het brood" een „anthrax", niet meer dan een kool; doch, komt daar straks het vuur des Geestes men over, dan schroeit die gloeiende kool onze zonde weg, — aldus Johannes Damascenus. Heeft ook niet een engel met gloeiende hemel-kolen, met anthraciet van het altaar vóór den Troon, Jesaja's lippen ontsmet?

Welaan dan, wanneer op Paschen het lichaam van Christus uit den dood verrijst, dan komt de goddelijke L o g o s en ook deHeiligeGeest, elk voor zich, die „kool" van vuur doorgloeien; en dan verschijnt de Christus in de heerlijkheid van een van Geestesgloed doortrokken hoogst verheerlijkt lijf.

Zóó is Paschen volgens veler inzicht te zien.

Wij zullen over deze beelds^iraak niet te veel zeggen; het is ons reeds genoeg, eraan te herinneren, dat de Geest a 11 ij d in Christus woonde, óók toen zijn lijf en ziel tezamen in vernedering waren; Hij heeft trouwens door den eeuwigen Geest zich onstraf f elijk opgeoffra-d; het vuur was toen reëel V el r t e r e ni d, , en dit (ook) van binnen uit. En overigens bedenke een iegelijk, dat niet Christus' 1 i c h a a m uit de dooden opgetrokken is, doch de Christus. Hij is levendgemaakt door den Geest; H ij, niet maar zijn lichaam. Paschen is geen feest voor kaduke lijven, doch voor gevallen menschen; het is geen jubeldag voor „broze en bouwvallige lichamen", doch voor verworpen apostaten. Het is geen feest spe-

ciaal voor lijfartsen, doch ook voor psychiaters. En vooral voor hun patiënten. Feest voor den heelen ongedeelden menseh.

Neen, het beeld van die „anthraoiet" zullen we maar niet in ónze liturgie indragen: de Christus is nooit een enkele seconde doove kool geweest, zelfs niet, „toen Hjij in het graf lag", zooals onze Belijdenis het zegt. De roomsche mystiek over Christus' vleesch als (in het Geestesvuur) geroosterd brood (Scheeben, Mysteriën, 426) ligt ons niet.

Maar, de zwakheid van dit beeld wordt ons eerst duidelijk, als wij ons vragen: waar komt de heerlijkheid van Christus, onzen Paaschkoning, toch vandaan?

Het antwoord is: ze is Hem gegeven. Van de Hem eigene bestaande heerlijkheid dienen we op te klimmen tot Gods rechterlijk aan Hem bewezen e er e. Eeren is bij God: forensisch glorie toebedeelen.

Het is: gerechtelijk geleide doxa-admjnistratie, geleide lévens-oeconomie.

In betrekking nu tot die goddelijke en forensische eerbetooning, die op Paschen den Christus toekomt, denken we aan. een bekende spreuk: „honor est in honorante, iniuria in iniurato".

Wat wil dat zeggen?

„Honor est in honorante", dat beteekent: de eer is gelegen in dengene, die de eer bewijst. De bedoeling is: vraagt ge, hoeveel een eerbewijs waard is, let er dan op, wie het is, die de eer komt bewijzen. Ala een analfabeet een student om zijn kennis eert, beteekent dat niet veel; maar als een bevoegd coUege van geleerden het doet, heel veel. Als de knapenvereeniging u een serenade brengt, zegt dat niet veel; geeft de koning u een eerbewijs, dan telt dat mee.

„Iniuria in iniurato", — hier neemt de redeneering een beteekenisvolle wending. Letterlijk beteekent deze uitspraak immers: onrecht is gelegen in den verongelijkte, den beleedigde, in hem die de beleediging ondergaat. Men wil er me© zeggen: vraagt ge, wat een bepaalde onrechtvaardige behandeling, een beleediging, om 't lijf heeft, let er dan niet op, wie het is, die iemand beleedigt, doch'wiehetis, die beleedigd wordt.

In de voorafgaande spreuk (over dat eerbetoon) werd dus gezegd: de beteekenis der handeling hangt af van den persoon, die de handehng (van het eeren) VERRICHT.

Maar in de tweede spreuk — en dat is de „wending", die we zooeven aanwezen — werd ervan uitgegaan, dat de beteekenis en het gewicht der handeling (het verongelijken of beleedigen) afhangt van den persoon, die de handeling ONDERGAAT. Wanneer, zoo wil men lïiaar zeggen, een recruut beleedigd wordt, is dat, ook zakelijk genomen, lang niet zóó erg, als wanneer een generaal wordt verongelijkt, of de koning.

Dat deze spreuk m^t ons Paaschfeest verband houdt, zal niemand betwisten.

„Iniuria in iniurato", — God zelf was de door onze zonde Beleedigde. De Catechismus zelf nu zegt: Gods gerechtigheid vordert, dat de zonde, welke tegen de Hoogste Majesteit bedreven is (die Hoogste Majesteit is dus de beleedigde partij) ook mjet de hoogste, dat is met de eeuwige straf aan lichaam en ziel gestraft worde. Iniuria in iniurato: de zonde is daarom zoo erg, wijl ze tegen God bedreven is: GoedeVrijdag!

Maar aan den anderen kant: „honor in honorante". Dat God zelf op Paschen den Zoon des menschen in het zadel heft, dat is het. Hier is God het subject der handeling. Daarom, omdat Christus zichzelf in den dood vernietigd heeft, daarom heeft Hem ook God uitermate verhoogd: Paschen!

Beide spreuken hebben echter ook nog op ander terrein haar toepassing gekregen. Ze hebben haar beteekenisvolle rol óók gespeeld in het kerkelijk-theologisch debat over deplaatsbekleiedende gerechtigheid van Christus, over zijn genoegdoening aJs Borg. "De vraag immers was gesteld: wat is de zonde, een „eindige" dan wel een „oneindige" grootheid ?

Het antwoord luidde: ze is „oneindig" in beteekenis, niet zoozeer vanwege den „iniurans", den b e d r ij - ver van het onrecht (die maar eindig is), doch vanwege den „iniuratus", dengene, tegen wien het onrecht begaan is. God, die immers oneindig" is.

En dan werd vervolgens op dien grond betoogd, dat dus alleen een Borg, die zelf , .oneindig" was in zijn Persoon, kon voldoen aan het goddelijke recht, dat riep om vergelding voor die oneindige beleediging.

Maar hiermee was het redeneeringsschema nog niet ten einde toe gevolgd. Men zei: nü eenmaal de Borg is opgetreden, de Borg, die God en menseh in één Persoon van oneindige waardij was, nu zijn diens handelingen „theandrisch", d.w.z. God-menschelijk; derhalve, toen die Borg God „e e r d e", en Hem, Z ij n e e r e gaf door onder zijn wet door te gaan en zich geheel en al daaronder voor Hem te bukken, toen gold voor God de regel: , , honor in honorante"; dat is: hier wordt Mij door Christus een eerbetoon gebracht, dat van oneindige waarde is. „Honorans", bij dat woord denken we meestal aan God. Maar ditmaal wordt met dit woord de Middelaar aangeduid, die immers zelf ook God is. In Christus' gehoorzaamheid ligt een oneindig eerbetoon aan God, want het is hier de eeuwige Zoon Gods zelf, die Gods recht eert in zijn borgtochtelijk straflijden. De „oneindig e" beleediging der hoogste majesteit werd nu door een „oneindig" eerbetoon aan diezelfde hoogste majesteit weer goedgemiaakt.

In zulke betoogen hebt ge nu het schema voor u, dat in den aanvang de scholastieke satisfactie-theorieën beheerschte. In den aanvang slechts. Want er kwam uiteraard nog veel meer voor den dag.

Men voelde n.l. zelf, dat hier iets niet klopte.

In de relatie beleediger-Beleedigde heb ik te doen met die van niensch-God. Eïndig is de één; oneindig de ander.

Maar in de zooeven bedoelde relatie Eergever-Eerontvanger (het gaat om deborgtochtelijke voldoening) hebben we te maken met die van C h r i 9 t u s - G o d, d.w.z. óók met die van G o d - God. De Oneindig e brengt de eere, de Oneindige n e e m t de eer in ontvangst. God betaalt aanu God. God koopt los van God. God geeft Gode de eer.

Eerst dus: mensch-God.

Dan: God-God.

Vandaar dat men zijn scholastieke redeneering weer ging praeciseeren in allerlei nadere onderscheiding. Het heette dan, dat in betrekking tot de beleediging, die de zondaar God had aangedaan, „een 5l e k e r e" oneindigheid was, oneindigheid „in zekeren zi n", doch dat in betrekking tot Christus' borgtochtelijke voldoening rustig kon gesproken worden van werkelijke oneindigheid. Of, om het weer anders uit te drukken: dat in het eerste geval (de beleediging) slechts een m o-r e e 1 e oneindigheid, fn het tweede daarentegen (de eerbetooning door den Borg) een physieke (natuur-lijke) oneindigheid Ie vinden was: omdat de mensehelijke natuur van den Borg met de goddelijke natuur van het eeuwige Woord Gods verbonden was. Nog weer smders geformuleerd, liet het onderscheid zich aldus omschrijven: de b e-leediging, door den menseh God aangedaan, was terminatief-oneindig (begrensd-oneindig, d.w.z. oneindig met iets eindigs erin); de eer, door den Borg aan God betoond, was daarentegen o b-j e c 11 e f - oneindig, oneindig met niets eindiga erin.

En zoo kwam men tot de conclusie, dat de borgtochtelijke handeling (Gode zijn eere geven) tenslotte krachtiger was dan die der beleediging, die den miensch Gode aandeed (Gode zijn eere rooven); de borgtochtehjke behandeling was dus „si upera bunda n t", d.w.z. meer-dan-genoegzaam. Die hield óver. Wat Christus niet geroofd had, dat moest Hij wedergeven. Maar het weergegevene (honor in honorante, objectieve oneindigheid) was MEER dan het geroofde (iniuria in iniurato, terminatieve oneindigheid).

Dat we onzen Goeden Vrijdag-avond niet op deze epreuk, aldus uitgewerkt, behoefden te fundeeren, is ons wel duidelijk. Want in werkelijkheid werd de prijs der betaling niet bepaald door onze zonde, doch door Gods toorn. En niet onze zonde moest worden verzoend, doch G o d. Zonde is berooving. Waarvan ? Van een aevitern — al t jj ddurend — goed: eerbetoon aan God. En voor ditaeviterne eerbetoon, dat uitblijft, moet nu de Middelasir garant zijn. Gelijk Hij ook de aeviteme straf moet lijden. Men spreekt hier steeds maar weer over „iniuria" (onreyht, beleediging), maar moest eigenlijk spreken over „ira" (toorn). Het verhaal van daar straks over het verschil, dat er ligt tusschen de beleediging, een recruut aangedaan, èn een beleediging, tegenover den generaal aangedurfd, is tenslotte maar dwaasheid. De recruut heeft immers geen recht-in-zichzelf, de generaal evenmin. Er is geen natuur-recht. Het is maar de vraag, wat de w e t zegt. De Wetgever" nu verklaart niet, wat de b e t e, e - k e ni i s eener (mis)daad „in zichzelf" is, want daden HEBBEN geen waarde óf onwaarde „in zichzelf". De vraag, welke „beteekenis" een (mis)daad heeft, wordt beantwoord uitsluitend door de uitspraak van den Wetgever aangaande zijn eigen gezag, dat in bepaalde opdrachten naar v r ij e beschikking aangaande de passende rechtsgevolgen zich gelden laat.

Wat nu op Goeden Vrijdag onze preek niet fundeeren kan, vermag dit evenmin op Paschen.

Ook op Paschen is er sprake van een „eere geven". En dit van twee kanten. Twee partijen.

Heeft n.l. op Goeden Vrijdag Christus den Rechter van hemel en aarde zijn eere gegeven door onder diens recht gewillig door te gaan, en zich voor zijne hoogheid te vernederen tot in het stof des doods, dan komt op Paaschmorgen die Rechter zijnerz ij d s Hem eeren als dengene, die voldaan heeft .aan Gods recht. En dit niet alleen. Hij eert den Borg ook als den eeuwigen Zoon, die v o 1-daan heeft aan hetgeen was „afgesproken" in het eeuwig vreeverbond tusschen Vader, Zoon en Geest. Honor in honorante? Et in honorato! Honor is een kwestie van verbond geworden door dat God Almachtig zich begeven heeft in ee^ z.g. vreeverbond, een z.g. werkverbond, een genadeverbond. Verbonden bepalen alle zaken van eer en oneer voortaan.

Terwijl dus op Paaschmorgen God den Middelaar eert, daar b 1 ij f t op dien zelfden feestdag óók nog dat andere eerbetoon, dat n.l. de B o r g den Hemelschen Rechter bewijst, heel gewoon verder gaan. Want óók na Paaschmorgen blijft de Christus het vreeverbond handhaven, des Vaders wil volbrengen, de historie voleinden overeenkomstig Gods afgekondigd recht en naar den Wil, die is gesteld in den eeuwigen Raad van Vrede.

Wij zullen wèl doen, deze dingen in hun onderlinge eenheid te laten staan. Want zóó alleen zien tvij de eere, die de in g 1 O' r i e staande Iletre Christus op . Paschen ontvangt van den Vader-Rechter in haar rechte eenheid en haar verbondskarakter.

God eert Hem allereerst als zijn geliefden Zoon, die het verbond der drie Personen tot het bijdragen, elk op eigen wijze, aan de teruggave van de gevallen wereld aan den Drie-eenige, tot op dezen dag toe volkomen heeft gehouden tot in de zelfvernietiging aan het schandehout toe, en die ook voortaan aldus handelen zal. De eere vari het v r e e - verbond, voor den Zoon als Zoon, als God.

God eert Hem voorts als menseh e, n Menschenzoon, die heeft voldaan aan wat de Wetgever in het paradijs van den mensch-in-tijdelijkbestaan gevorderd had, en in geval van beleediging van God, den Bondgenoot van Adam, had geëischt als strafbetaling. Als Wetgever, die éénzijdig de bondsstatuten stelt in 't paradijs, heeft God bepaald, welks r e'chtsi beteekenis Hij zal toekennen aan de mensehelijke handelingen in de bondsrelatie. Nu is de toorn tegen de beleediging gestild, en de goddelijke „appetitus", de goddelijke honger, het goddelijk begeeren naar een Hem als Bondgenoot eerend en liefhebbend tijdelijk menschenbestaan eveneens bevredigd. De eere van het werkverbond dus, voor den Zoon alsmensch.

God eert Hem eindelijk als Borg der zijnen, als Mid delaar van het genadeverbond, optredend in rechten voor de zijnen, hen in zich opnemend; dragend, opdragend, voordragend al de zijnen bij den Vader-Rechter. Hij eert Hem als aan de wet voldoenden Middelaar, die in al zijn tijdelijke verrichtingen God en de menschen des welbehagens tegelijkertijd liefhad, hen tezamen heeft gebracht en ook bij elkander houden zal van nu voortaan, en al de dagen. De eere van het gemadeverbond, voor den Zoon als God-en-mensch-in-één-Persoon.

De dosis (het gaven' geven) isapo-dosis (geven van wat naar drievoudig bondsrecht was verschuldigd).

En waar dus deze eere niet alleen in Hem ligt, die de eer b e w ij s t, doch ook in Hem, , die ze o n t - vangt, „in honorante" dus, maar ookj „in honorato", daar is God geëerd van God, en ook de menseh geëerd als opgenomen in Gods rechtsbestel, en dit voortaan in vrede. De tijdelijke gehoorzaamheidsprestatie van Christus als opgenomen in het eeuwig edict van Gods norm-stellend rechtsbestel, die is ook erkend en in apodosis geëerd. Die Mij eeren zal Ik eeren. Ik hoor dit woord — en nü kan ik het hebben, dat ik het hoor.

De „t oor n" ligt in Hem die toornt, è n in Hfem die onder dien toorn zich stelde. De eenige, die dit heeft volbracht (zich stellen) is de Borg!

En de „e e r" ligt in Hemi die eert èn in Hem die wordt geëerd, als dengene, die God eerde in de gewillige betaling.

Dat is de monoloog van Vrijdag en van Zondag; de Zoon eert den Vader, de Vader eert den Zoon.

Maar de t e k s t van deze» monoloog is ons bekend gemaakt, en in den dialoog zegt God in Christus ook tot mij: die Mij eeren zal Ik eeren. Wij eeren Hem slechts in den Borg, den eenige, die God zijn eere geeft. Onze eer is uit Hem ontvangen eij in Hem ge­ garandeerd.

K. S.

OECUMENISCHE BEWEGING.

M.i. wordt op kerkelijke eenheid door de menschen van de z.g. Oecumenische beweging een eenzijdige en onjuiste nadruk gelegd. De fout zit in den regel in hun kerkbeschouwing. Als men alles wat zich als kerk aandient, en allen die, tot een of andere „kerk" behooren, in een „kerkelijke" eenheid wil samenvatten, dan is het resultaat, dat men wil bereiken juist het tegenovergestelde van een echte kerkelijke eenheid. Want men vereenigt wat niet bij elkaar behoort. Zoo'n vereeniging kan nooit anders dan kunstmatig zijn. Men vereenigt wat inderdaad elkaar moet bestrijden. En daarmee is niets gewonnen. Integendeel gezonde, nut-'tige, plichtmatige verdediging en beleving van de waarheid wordt daardoor aan banden gelegd en verhinderd. Wie zou zich daarover verheugen? Zeker niet onze Koning, die Zijn Rijk op waarheid wil grondvesten.

Ik weet wel, dat men, als ik zoo spreek, mij onmiddellijk tegen zal voeren: Maar de Heere heeft toch Zelf gebeden: Dat zij allen één zijn? Maar men vergist zich als men meent, dat daarmee ter verdediging van het door mij gewraakte streven naar „kerkelijke" eenheid ook maar iets gewonnen is. Ik betwist ten sterkste, dat de Heere met die vaak aangehaalde bede het oog gehad heeft op wat vele oecumenisten thans willen. Geloof men dat werkelijk, dat de Heere een eenheid op het oog gehad heeft, waarbij Gereformeerden en Lutherschen en Doopsgezinden met Vrijzinnigen, Remonstranten, adventisten enz. enz. enz. allen vreedzaam in een kerkverband met elkaar zouden leven; een kerkverband waarin bovendien de kerken geregeerd zou kunnen worden naar presbyteriaansche en collegialistische en episcopale opvattingen; waar voor loochenaars van Christus opstanding, en van Zijn borgtoch-

telijk lijden en van Zijne Godheid en van de goddelijke inspiratie van den Bijbel als voor de verdedigers van die waarheden gelijkelijk plaats zou zijn? Zou het Zijn bedoeling geweest zijn leugen en waarheid te verzoenen, en onder één dak broederlijk naast elkaar te doen wonen?

Willen de oeoumenisten dat soms niet? iilaar wat willen zij dan? Willen ze slechts wat Christus wilde, dat allen één zullen zijn in Hem, gelijk Hij in den Vader en de Vader in Hem? Wie zou dat niet willen? Maar meent men heusch dat te bereiken door maar zooveel mogelijk verschillende en strijdige richtingen in een verband te vereenigen? En door aan de waarheid, die al het verkeerde in al die richtingen veroordeelt, het zwijgen op te leggen, of althans te verbieden, dat naar die waarheid consequent gehandeld wordt?

Men vat den strijd m.i. verkeerd aan, wanneer men zegt: Wij moeten een eind aan die kerkelijke verdeeldheid maken, dus: niet al te zeer op ons stuk staan ten aanzien van de waarheid, die wij belijden, en van de kerkelijke regelen, die wij in gehoorzaamheid aan die waarheid voor ons kerkelijk leven ontworpen hebben. Dan keeren we ons terwille van de éénheid tegen het allerkostelijkste, wat ons de Heere heeft gegeven, en waarover wij bovendien niet de beschikking hebben, maar waaraan wij ons gehoorzaam hebben te onderwerpen. Als ik geloof, dat mijn Gereformeerde belijdenis een zoo zuiver mogelijke weergave is van de waarheid, ons in het Woord van God geopenbaard, dan moet ik daarvan niet alleen voor mijzelf niets willen verliezen; maar ik moet ook mijn best doen om te weerleggen en te bestrijden al wat daarvan verschilt. En als het gevolg van die handhaving der belijdenis en van die bestrijding van wat daarvan verschilt is, dat er Christenen zijn, die met mij niet in één kerkverband willen leven, dan moet ik dat accepteeren liever dan dat ik terwille van die eenheid iets van de waarheid prijs zou geven, of ook iets zou inboeten van mijne vrijheid om die waarheid te beleven en te verdedigen.

Wij moeten niet doen, alsof de Heere door Zijn gebed tot den Vader om innerlijke eenheid tusschen Zijne discipelen aan o n s de opdracht heeft gegeven om voor „kerkelijke" eenheid te zorgen. Die eenheid, waarom Hij bad, is eert andere, betere, hoogere, is de ware eenheid. En voor die eenheid zorgt de Vader. Die eenheid bestaat. Die behoeven wij niet tot stand te brengen. En wij brengen die zeker niet tot stand door het met de belijdenis en de handhaving der waarheid minder nauw te nemen. Wij behooren die bestaande éénheid tot openbaring te .brengen niet in de' eerste plaats door alles wat zich Christen noemt bij elkaar te brengen in één kerkverband, maar — door lief te hebben allen, die, zij het met gebrek, - de Waarheid liefhebben en doen. De liefde vereenigt ons met zulke menschen, ook als zij te goeder trouw van ons verschillen.

Met het bpvenstaande wil ik, Gij begrijpt het reeds, dit zeggen, dat ik het niet onvoorwaardelijk eens ben met W. B. in het Zendingsblad als hij zegt, dat het „zoo uitermate gewenscht zou zijn, dat al de Christelijke Kerken op Midden-en Oost-Java, die zijn ontstaan door de actie der vier genoemde Zendingen (Ned. Zend. Gen., Salatiga-en Doopsgez. zending, en Zending V. d. Ger. K.) zouden kunnen komen tot een samenleving in één kerkverband". Natuurlijk zou ook ik dat wenschelijk achten als dit mogelijk zou zijn op den grondslag van een zuiver Schriftuurlijke belijdenis en met een kerkregeering, waarvoor de lijnen naar die belijdenis zuiver getrokken waren. Op die conditie ben ik ook voor samenleving in één kerkverband van alle bestaande richtingen en groepen bij U in Nederland. Maar ieder gevoelt, dat men met zulk een wensch niet op den bodem der werkelijkheid staat; en dat men, om zulk een doel na te streven, niet mag opzien tegen bestrijding van wat die belijdenis verwerpt en bestrijdt. Eenheid van alle Christenen in één verband te willen zonder bestrijding en uitwerping van wat principieel zich niet onder de waarheid wil voegen isi een utopie, df het komt neer op verloochening der Waarheid.

De eene Christelijke Kerk van Javanen op het geheele Javaansche taalgebied lijkt mij een utopie. Zij lijkt mij ook precies even wenschelijk als één kerkverband, dat alle Protestantsche Christenen in Nederland omvat, n.l. wenschelijk in het afgetrokkene; gelijk men ook den hemel op aarde wenschen kan. In de gegeven omstandigheden durf ik niet zoo maar de wenschelijkheid van kerkelijke eenheid erkennen.

In ieder geval lijkt het mij. niet de taak te zijn, die wij als zendende Kerken hier op Java hebben, dat wij alles vermijden wat de totstandkoming van één Javaansche Christelijke Kerk zou bemoeilijken, en alles doen, wat dit doel zou bevorderen. Want onze zendingsopdracht luidt niet: Zorgt dat gij alle Christenen in één kerkverband bij elkander brengt; maar wel: Leert hen onderhouden alles, wat Ik u geboden heb. Als wij aan die opdracht getrouw zijn, arbeiden , wij ook aan de totstandkoming van de ware eenheid van allen, die door den Vader aan Christus gegeven zijn.

Ongetwijfeld is er op Java tusschen alle Christenen, die waarlijk Christenen zijn, iets van die eenheid. Een feit is, dat iemand, die door het geloof Christus aanneemt als Zijn Zaligmaker, in den regel ook begint met den Bijbel te erkennen als het Woord van Grod. In het algemeen kan men van de Christenen op Java wel zeggen, dat zij den Bijbel aanvaarden als Gods Woord.

Maar dat beteekent allerminst, dat ze ook stuk voor stuk alles gelooven, wat in den Bijbel staat. Als dat zoo was, dan zouden Christenen in het allereerste stadium van him ontwikkeling juist de allerbeste Christenen wezen. Maar ieder weet, hoe vol ze vaak nog zitten van allerlei bijgeloof, en hoe gemakkelijk ze meegaan met allerlei wind van leer. Hun gebrek is, dat ze nog maar o, zoo weinig weten van wat in den Bijbel staat; en dat ze ook dwalingen, die hun geleerd worden, gemakkelijk als Bijbelsche Waarheid aanvaarden.

Denkt Gij, dat, als ergens een zendeling aan jeugdige Christenen leert, dat Jezus een voortreffelijk m e n s c h was, wiens voorbeeld wij te volgen hebben, en die ons door zijn verheven voorbeeld op den weg tot den Vader leidt; denkt Gij, dat die Christenen, aan zulk onderwijs geloof slaande, er erg in hebben, dat zulks neerkomt op verwerping van het Evangelie. Zij zullen op de vraag, of zij het met den Bijbel eens zijn, evengoed volmondig ja antwoorden.

En evenzoo, wie op het stuk der kerkregeering aan enkele menschen, aan wie zij den naam van synode geven, de opperste macht in de kerk toekennen, ook de macht om wetten en bepalingen te maken die in lijnrechten strijd komen met de Schrift, denkt Gij, dat die menschen U zullen vertellen, dat zij in dat opzicht Gods Woord verlaten? Geen sprake van. Zoo is hun dat niet voorgesteld. En om zelf de lijnen te trekken, die in Gods Woord voor de inrichting en regeering der kerk gegeven zijn, daar zijn ze bij lange na nog niet aan toe.

Dus de menschen gevoelen zich wel gebonden aan Gods Woord, maar dit belet hun niet om heel iets anders t© belijden en te doen, dan Gods Woord ons leert. En tenslotte geeft bij hen, ais het op kiezen aankomt, de doorslag wat zij begonnen zijn te doen. Dit is voor hen de waarheid naar Gods Woord. Voor een betoog, dat zij zich daarin vergissen zijn ze heel moeilijk toegankelijk. Probeert het maar eens een Broeder in Holland, die U grif toestemt, dat de Bijbel Gods Woord is, te overtuigen dat de belijdenis en de kerkelijke praktijk van de kerkelijke! organisatie, waartoe hij behoort, met Gods Woord in strijd is. In 99 van de 100 gevallen zal U dat niet gelukken. Hij dwaalt te goeder trouw. Daarom gelooft hij niet, dat hij dwaalt.

Op die wijze is er, naar mijn innige overtuiging (en ik meen ook wel een beetje de kaart van het land te kennen) in de jonge Javaansche Kerken reeds zeer veel dwaling. En ik zou het voor de zuiverheid van het kerkelijk leven hier een groot gevaar achten, wanneer het aan menschen, die daarvoor willen ijveren, gelukte, om al die Christenen in een kerkverband te vereenigen. Onze Chrstenen van Midden-Java, die vergelijkenderwijze misschien de zuiverste opvatting van de waarheid, en het meest heldere inzicht in den rechten kerkvorm naar de Schrift hebben, zouden, binnen het ver­ band van zulk een organisatie heel spoedig him invloed, en ook hun zuiverheid der beschouwing kwijt zijn. Want onze p r a k t ij k heeft dikwijls heel wat meer invloed op onze overtuiging, dan onze studie. Episcopalen blijven in den regel episeopalen omdat ze eenmaal episcopalen zijn, al zijn ze het nog zoo met U eens, dat wij aan de Waarheid van den Bijbel niet moeten tomen, evengoed als een Schriftgeloovig Roomsche Roomsch blijft, al staat hij vaak met zijn belijdenis naast Gods Woord.

Het is dus geen goede argumentatie, die zegt: Die Christenen op Java gelooven allemaal den Bijbel, dus is het nog wel mogelijk, dat ze elkander vinden in één organisatie, als wij (zendende Kerken) er ons maar niet teveel mee bemoeien.

Als voorts gezegd wordt: „Ook is men één in de hoofdzaak der belijdenis; alle Javaansche Kerken hebben de XII artikelen", dan ben ik geneigd om te zeggen: Och kom, denkt Gij heusch, dat zulks voor werkelijke overeenstemming in de belijdenis van zooveel beteekenis is? Hoeveel Christenen hebben niet de XII artikelen, die niettemin kerkelijk mijlen ver uit elkaar liggen? Die XII artikelen hebben ze zelf toch niet opgesteld. Ze zeggen ze slechts na, elk op zijn manier, en vaak verstaan ze heel weinig van wat ze daarmee zeggen.

En dan wat die sterke drang betreft, die er volgens „kenners" leeft naar eenheid in de Javaansche Kerken, ik moet eerlijk zeggen (en ik leef toch ook 34 jaar onder Javaansche Christenen) dat ik daar maar weinig van merk. Ik meen dat die kerkelijke eenheid een modeartikel is, dat evenals andere artikelen, waarvoor de noodige recl& me gemaakt wordt, ook door niet-kenners voor deugdzaam wordt versleten. Maar zulks moet men dan op rekening van die reclame schrijven meer dan op de overtuiging van die menschen, die zoo'n oordeel tot het hunne makep.

K. VAN DIJK.

Naschrift. Dit schreef Ds K. van Dijk van Wonosobo in zijn Van Friesland's Zendingsblad van 6 Januari 1940. Een uitnemend woord ook voor nu, na ruim 8 jaar. Hier worden de lijnen recht getrokken, de quaesties goed gesteld. Het komt niet maar aan op organisatorische eenheid, doch op eenheid in gelooven en handelen naar de waarheid' van Gods Woord. 'Dte Heere bad maar niet dat zij allen één zijn, doch: dat zij in ons één /feijn. Hier gaat de waarheid voorop, het geloof in, en het leven naar Gods openbaring in de Heilige Schrift, over Goddrieëenig, en wat de Heere verder in Zijn Woord openbaart.

S. GREIJDANUS.

Ut omnes unum sint. ¹)

Den text, welken ik U voorgelezen heb, heeft in de christelijke kerk en haar geschiedenis, steeds een groote rol gespeeld. Opdat zij allen één zijn: ut omnes unum sint, is een woord, dat telkens en telkens weer de harten van de geloovigen heeft aangegrepen en in gloed gezet.

Wie kent niet het heimwee naar de eenheid van Christus' zoo ontzettend verscheurde kerk en wie hoort niet in deze woorden een oproep om met deze verscheurdheid te breken en weder te keeren tot de door Christus van den Vader afgebeden eenheid. En zeker in onzen tijd, waarin over de Una Sancta, de ééne heilige algemeene christelijke kerk, aan alle zijden wordt gesproken, is het de moeite waard een oogenblik naar dit woord van Christus te luisteren.

Laat ons intussohen niet denken, dat het juist onze tijd is, die de vraag naar de eene heilige algemeene christelijke kerk aan de orde heeft gesteld. Reeds de groote reformator Johannes Calvijn schreef in zijn dagen aan Cranmer in 1552: „Tot de grootste misstanden van onzen tijd moet het feit worden gerekend, dat de verschillende kerken zoo uit elkander zijn gescheurd, dat het bij elkemder behooren als menschen onder ons nog nauwelijks geldt, laat staan dan de heilige gemeenschap van de leden van Christus, die wel door allen met den mond beleden wordt, maar slechts door weinigen ook metterdaad beoefend. Daardoor komt het, dat het lichaam der Kerk met verstrooide ledematen verminkt neerligt.

Ik persoonlijk zou het mij niet laten verdrieten, om als men mij gebruiken kan, indien noodig, tien oceanen te doorkruisen"^).

Opdat zij allen één zijn, bidt Christus in dit Woord van den Vader. En als de Heere Christus zelf om die eenheid bidt, deze eenheid afbidt van zijn Vader, zouden dan zij, die Christus begeeren te volgen, ook niet alles in het werk hebben te stellen, om deze eenheid der kerk te helpen realiseeren en te bevorderen?

Nu doet zich het merkwaardige feit voor, dat, wanneer men onder christenen zich op dit woord van Christus gaat bezinnen, de gedachten gansch verschillende wegen inslaan.

Er zijn er, die er aan wanhopen, dat dit woord, van den Heere Jezus ooit "werkelijkheid wordt, die eigenlijk gelooven dat dit een onverhoord gebed van den Heiland gebleven is. Ze (wijzen U op de verscheurdheid der Kerk', op het feit, dat in één stad verschillende kansels elkander uitsluiten, dat de Avondmaalstafels tegenover elkander staan opgericht, en dat, in plaats van dat de eenheid onder de kerken toeneemt, er een steeds grootere verscheurdheid valt te constateeren. Zij beschouwen dit woord van den Heere Jezus hoogstens als een ideaal, dat ons wel voor oogen kan blijven zweven, maar waarbij de werkelijkheid altijd ver ten achter blijft. Eigenlijk staat het zoo: zij vragen niet, wat heeft de Heiland, blijkens het eigen verband van het Evangelie met dit Woord bedoeld, maar zij benaderen dit Woord vanuit de werkelijkheid van de verscheuring der Kerk, en zonder te vragen naar den diepen zin VEin deze woorden van Christus, constateei'en zij haastig, dat, gezien die werkelijkheid, dit woord wel nooit realiteit zal worden.

Daar zijn ook anderen. Die gaan met de zoo even genoemden een heel eind mee in hun redeneering. Zij gelooven ook niet, dat er ooit iets komt van de eenheid, waarom Christus hier bidt, zij hebban zich al 'ang neergelegd bij de verscheuring der kerk, zij gelooven niet, dat daar ooit een einde aan komt. Maar zij zien deze bede van Christus anders. Zij gelooven wèl. dat deze bede verhoord en tot realiteit wordt. Alleen maar: zij laten de eenheid, waarom de Heiland hier bidt, slaan, niet op de uiterlijke eenheid, op de z.g. zichtbare kerk, maar zij meenen, dat de Heiland hier doelt op de onzichtbare kerk, op een eenheid, die er tusschen alle geloovigen" zou zijn in het z.g. onzichtbare Lichaam van Christus. De kerkmuren laten zij staan, maar zij zien een onzichtbare eenheid, over de kerkmuren héén, die alle geloovigen uit wat voor kerk zij ook mogen komen, zou vereenigen, en daarop zou d£in deze bede van den Heere Christus slaan.

Het: opdat zij allen één zijn, zou eiken dag vervuld worden in de onzichtbare eenheid, welke de geloovigen, uit allerlei kerkinstituten, zou samenbinden in Christus.

En eigenlijk, luisteraars, hebt gij hier opnieuw dezelfde methode van benadering van dit woord van den Heere Jezus. Men vraagt niet: wat heeft de Heiland blijkens het verband van het Evangelie met dit woord bedoeld, maar men komt tot dit woord van Christus met een eenheidsgedachte, welke men niet van te voren met de Schriften zélf heeft geconfronteerd. De eenheid der kerk wordt naar de onzichtbaarheid verwezen, over de kerkmuren heen, en zoo wordt dit woord en deze bede van Christus in de nevelen gezet.

Maar het blijft de vraag, welke wij zoo dadelijk willen trachten te beantwoorden, of de Heiland metterdaad hier alleen aan die onzichtbare kerk heeft gedacht.

Toch willen lang niet alle christenen wanhopen aan de verhooring van deze bede van Christus of de eenheid, waarvan hier gesproken wordt, alleen in het onzichtbare zoeken.

Er zijn twee richtingen in het Christendom, welke welbewust de hier door Christus afgebeden eenheid willen zoeken in de zichtbare, aanwijsbare kerk en die meenen dat de hier door Christus genoemde eenheid óf al realiteit is óf op weg is die te worden.

Daarbij denk ik aan het eenheidsstreven van de Roomsche kerk aan de eene zijde en aan dat van de oecumenische beweging aan den anderen kant.

De kerk van Rome twijfelt er niet aan of deze bede van Christus wordt verhoord: Immers de eenheid van de kerk is er. Komt zij niet heerlijk uit in de eenheid van de kerk over de geheele wereld met den pauselijken stoel te Rome? Straalt tegenover de jammerlijke verdeeldheid van het protestantisme deze eenheid niet wonderlijk uit? Ja, in het bekende werk: het Katholieke Geloof, wordt gezegd, dat deze eenheid van de Roomsche Kerk één van haar meest in 't oog loopende eigenschappen is. Zij is zoo absoluut, zegt dit boek, dat er van afwijkingen in de leer en van particularistische strevingen geen sprake kan zijn. Wie van de eenheid in de leer afwijkt, staat daardoor als ketter buiten de Kerk; wie zich van de eenheid in het kerkelijk bestum-afscheidt, is een scheiirmaker. Zoowel de leer ais de bestuursvorm der Kerk zijn onaantastbaar. Daar bovendien alle macht tot uitdeeling der genade uitsluitend voortvloeit uit het ééne sacrament van het Priesterschap, wordt ook in dit opzicht de eenheid der Kerk gewaarborgd" ").

En wanneer de schrijver een overzicht heeft gegeven van de verscheurdheid van het protestantisme, zegt hij: , , Het loont werkelijk de moeite, om na dit overzicht nog eens een blik te werpen op de Katholieke Kerk en met dit staatskerkendom en de inwendige verscheurdheid van de niet-katholieke godsdienstige genootschappen de innerlijke eenheid van de Katholieke Kerk onder haar eene, door God aangesteld opperhoofd te vergelijken. Dan komt het Woord dat de Heer tot Petrus sprak, in een helder licht, in een wonderbaren glans te. staan: , , Gij zijt de rots, en op deze rots zal ik mijn Kerk bouwen, en de poorten der hel zullen haar niet overweldigen""'').

Men ziet het: hier wordt de door Christus afgebeden eenheid althans niet naar het onzichtbare verwezen, maar gezocht in de eenheidsopenbaring van de roomsche kerk onder haar hoofd, den paus van Rome.

Maar ook binnen het protestantisme vindt men een beweging, welke staat naar de zichtbare openbaring van de een"heid der kerk. Ik denk hier in het bizonder aan de z.g. oecumenische beweging, een beweging, welke den laatsten tijd hand over hand toeneemt. Ook hier is men gegrepen door dit woord van Christus: dat zij allen één zijn. En ook hier wil men die eenheid zoeken te verwerkelijken in het zichtbare. Maar men gaat hier wel een gansch anderen weg dan Rome.

In deze oecumenische beweging heeft men de verschrikking van de verdeeldheid der kerk ervaren en gaat men nu zoeken naar de eenheid der kerk, ook in het zichtbare. En deze eenheid zal zich openbaren wanneer alle kerken gaan deelnemen aan het z.g. oecumenische gesprek. Dat wil zeggen, dat men moet beginnen te erkennen, dat alle kerken in hun belijdenissen slechts een schets hebben ontworpen van Christus, dat in him belijdenissen slechts een schets is ontworpen van zijn gelaat, en dat zij nu die schetsen moeten gaan vergelijken. Eén van de vertegenwoordigers van deze beweging schreef: „Het eenige dat ons overblijft om te doen is, de gemeenschap te zoeken met de gescheiden broederen, en in wederzijdsche boete te komen tot een gemeenschappelijk gesprek. Tot een gesprek als om de Ronde Tafel, waarop de Heilige Schrift gelegen is, om bij gebed en boete tezamen naar den Christus der Schriften te gaan luisteren. Om te bidden, of Hij ons weer tot de ongeschonden zuiverheid en tot de onverkorte volheid van Zijn Openbaring terug wil voeren. Of H|ij, ons allen gezamenlijk, zoo wil onderrichten uit het Oerbeeld van de H. Schrift, dat dat Christus-gelaat, dat wij allen van Hem hebben ontworpen, steeds meer trekken gemeen moge krijgen, opdat wij allen eens een Christus-beeltenis van Hem mogen ontvangen, die in alles samenstemt.

Een Christus-gelaat, waarop ons aller schetsen meer en, meer gelijken gaan, tot ze daarmee eens samenvallen. Totdat Htij ons allen eens een zelfde Christus-gestalte te aanbidden en te beminnen geeft, en alle confessies der kerken samenstemmen tot een eenstemmige belijdenis"").

Men bemerkt het, - luisteraars, hoe hier het woord van Christus wordt verstaan. Zeker, zoo zeg^; men hier, zijn bede wordt verhoord: opdat zij allen één zijn. Maar daartoe is de weg, dat wij eerst moeten erkennen, dat wij allen maar een schets van Christus hebben, een gestalte van waarheid Hem hebben gevormd. Wanneer wij eerst allen prijsgeven, dat wij in onze eigen confessies Christus hebben verstaan, als wij eerst maar erkennen dat het totale Christus-beeld d«r Schriften . pas verstaan wordt in het prijsgeven van ons aller Christus-beeld, dan zal ook de eenheid der kerk dagen.

Het was met opzet, luisteraars, dat ik enkele meeningen in het huidige christendom de revue liet passeeren om zoo U iets te laten zien van de wijze, waarop dit Woord van den Heiland in onzen tijd wordt verstaan.

Het wordt thans tijd, dat wij ons haasten het Evangelie in 'het verband, waarin het dit Woord doorgeeft, zelf te laten spreken.

Want de ware zin van dit woord van den Christus blijft ons verborgen, wanneer wij geen scherp acht geven op het verband, waarin het gesproken is. En al is dat zoeken naar het verband soms een weinig vermoeiend, we zullen het, om ons levens wil, niet mogen nalaten.

De Heere Christus heeft deze woorden gebeden in de Paaschzaal. De groote nacht van het lijden en van zijn dood is aanstaande. Hij heeft met zijn jongeren het laatste Avondmaal gevierd.

Zoojuist heeft Hij Judas heengezonden uit de Paaschzaal. En de Heiland maakt zich gereed nu zijn laatste groote gehoorzaamheidswerk te beginnen. Hoor, Hij bidt nu tot den Vader. Het is een lang gebed geworden en Johannes, de Evangelist, heeft nauwkeurig geluisterd en het ons doorgegeven.

En als ge dit gebed uit Johannes 17 nauwkeurig leest, dan ziet ge, dat Uw Heiland hier voor drie onderscheidene groepen bidt.

Eerst bidt Hij voor Zichzelf: Vader, verheerlijk Uw Zoon, , opdat Hij ook U verheerlijke, o Vader., Daarna slaat Christus zijn blik op Zijn jongeren, die rondom Hem zijn gezeten en Hjij bidt ook voor hen: ' Ik heb hun Uw Woord gegeven; en de wereld heeft ze gehaat, omdat zij vsin de wereld niet zijn, gelijk als ik van de wereld niet ben. Ik bid niet, dat Gij hen uit de wereld wegneemt, maar dat Gij hen bewaart van den booze.

En dan tenslotte gaat Christus bidden voor zijn kerk. Voor de velen en velen die na Hem zullen komen en die de boodschap van de apostelen zullen hooren. Hij gaat dan bidden voor de gansche kerk der eeuwen. Hij omvat dan zijn gansche kerk in Zijn Middelaarsliefde. Vader, zegt Christus, ik bid niet alleen voor dezen, dat zyn de apostelen die daar voor Hem zitten, maar ook voor hen die door him Woord in mij gelooven sullen en dan komen de woorden van onzen text: opdat zij allen één zijn, gelijkerwijs Gij Vader in Mij en ik in U, dat ook zij in ons één zijn, opdat de wereld geloove dat gij mij gezonden hebt.

En nu wordt de zin van deze woorden ons duidelijker. Nu zien wij dit machtige woord van Christus hier staap in zijn volle bedoeling. Opdat zij allen één zijn. Daarmee bedoelt Christus dus niet slechts degenen die door hun Woord, n.l. door het Woord der apostelen in Hem gelooven zullen, de kerk die na zijn opstanding en hemelvaart er zal komen, maar daarbij sluit Hij óók de apostelen in.

Opdat zij allen één zijn, nJ. de apostelen daar vóór Hem en de kerk die na hen komen zal, getrokken door hun Woord. En voor die beiden, de apostelen hier en de kerk straks, bidt nu de Christus. Vader, wil Hij als het ware met deze woorden zeggen: Vader, houd ze één, mijn apostelen en mijn kerk die na hen zal komen. Vader bind ze samen, houd die kerk, die komt, vast op het fundament van de apostelen en van de apostolische leer. Vader, houd mijn kerk met de apostelen één in 't gemeenschappelijk belijden van mijn Naam

Hier ziet ge nu, luisteraars, den vollen zin van dit majesteitelijk Woord van den Christus.

Hier ziet ge den Christus staan bij den troon van den Vader. Hier ziet ge Hem bidden, niet aUeen maar voor de jongeren, die hier om Hem heen zijn geschaard, maar biddend voor de gansche wereldkerk, die komen zal. En hier in den nacht, in denwelken Hij verraden zal worden, draagt Hij ons allen op aan den Vader en worstelt Hij om het behoud van Zijn duur te koopen Kerk. Vader, ik bid niet alleen voor die elf discipelen hier, maar ook voor héél mijn-kerk, die na hen komt.

Opdat zij allen één zijn n.l. de apostelen daar vóór dament der apostelen, één in het bewaren van de leer der apostelen, één in het bewaren van het Woord der genade, opdat er Vader, geen breuk kome, tusschen deze apostelen en hun belijden hier en de kerk, die door hun Woord in mij gelooven zal.

Luisteraars, het is alsof de Christus hier profetisch de eeuwen in ziet, die komen gaan. Hij kent waarlijk wel de zwakheid van Zijn volk. Hij kent ook de listige pogingen van Satan om Zijn kerk van dat eenmaal gelegde fundament der apostelen af te trekken. Hij weet, hoe al dadelijk na Zijn hemelvaart de strijd in Zijn kerk zal losbarsten om het Woord der apostelen zuiver te bewaren. Hij weet, hoe moeilijk het voor het vleesch van Zijn kerk vallen zal, het Evangelie van den gekruisten en opgeslanen Christus, het Evangelie der scuvereine genade, te bewaren.

Hij weet ook, hoe er in de kerk altijd weer de neiging zijn zal, den grond van de zaligheid te gaan leggen niet in Zijn offer en bloed alleen, maar ook in de wedergeboorte, of de bevinding of de goede werken van den mensch. Hö weet hoe de kerk telkens weer zal ophouden te roemen in de - vrije genade alleen. Hij weet dat alles zoO' goed.

En nu staat Hij gereed Zijn groote offerande te gaan brengen voor de kerk van alle tijden. Hij staat gereed die kerk te gaan zaligen door Zijn bloed. Maar Hij weet ook, hoe weinig Zijn kerk zich telkens weer zal willen laten zaligen door dat bloed alleen. Koe weinig zij den grond voor de zaligheid en voor het geloof zal zoeken in het 'VV^oord van dat kruis en van dat offer alleen. Hij weet, dat daarom steeds weer de strijd in Zijn kerk zal ontbranden, om dat Evangelie der souvereine genade zuiver te bewaren. Hoe aan

dat Woord der apostelen telkens zal worden toe gedaan. Hoe daaraan steecjs weer zal v/orden toegevoegd een menschelijke leer aangaande de goede werken of aangaande de wedergeboren christen.

En omdat Jezus Christus dat alles weet, daarom bidt Hij hier: Vader, maak mijn kerk tot nasprekers van de goede belijdenis van Petrus. En weer den Satan, o Vader, opdat hij mijn kerk niet afvoere van het eenmaal gelegde fundament. Dit is met recht Zijn hoogepriesterlijk gebed tegen alle dwaalleer en verleiding van Satan in, dit is het gebed van den Christus, om de kerk te bewaren bij het Evangelie der souvereine en vrije genade.

En dat gebed, luisteraars, dat door Christus werd opgezonden in de Paaschzaal, in den nacht van Zijn lijden, dat gebed werd door den Vader verhoord. De Vader hoorde Zijn Zoon wel, toen Hij daar bad voor Zijn apostelen en voor héél de kerk, die door hun woord in Hem gelooven zou. Christus' gebed in de Paaschzaal verklonk niet op de aarde, maar he^ drong omhoog, door alle sferen heen, tot den troon van den Vader.

Ja, het is hier alsof ge Jezus Christus in deze gebedsworsteling Zijn apostelen en heel Zijn kerk ziet dragen voor des Vaders heiligen troon. Het is de Middelaar, die hier Zijn Middelaarsgebed bidt. En de Vader hoorde die woorden en Hij heeft ze verhoord. De Vader zag immers achter dit gebed heel het lijden en sterven van Zijn veelgeliefden Zoon, de Vader zag immers daarachter diens gansche Middelaarsworsteling.

De Vader verhoorde dit gebed, dat gelooven wij, omdat Hij elk gebed van Zijn Zoon heeft verhoord. Omdat alle gebeden van den Christus waren gericht naar 's Vaders wil en 's Vaders gebod.

En in het licht van de verhooring van dit gebed van Christus, luisteraars, moet ge nu de gansche geschiedenis van de kerk zien. Dan krijgt ge ook het rechte licht op de eenheid en op de verscheurdheid der kerk. Dan gaat ge ook zien, welk kerkwerk in overeenstemming en welk kerkwerk tegen dit gebed van Jezus Christus ingaat. Dan gaat ge in heel de kerkgeschiedenis, zooals die zich nu al bijna twintig eeuwen voor onze oogen heeft afgespeeld, iets zien van de verhooring van deze bede van Jezus Christus. Dan zult ge U ook voor de fout bewaren om vanuit de werkelijkheid van de verscheuring der Kerk of vanuit een of ander kerkbegrip te naderen tot deze woorden van Christus, om ze vervolgens vanuit die werkelijkheid of vanuit zoo'n kerkbegrip te gaan interpreteeren en uitleggen.

Wanneer ge echter de geschiedenis en het leven van Christus' kerk in het licht van deze woorden gaat zien, dan ziet ge zoo maar, dat de Vader ook vandaag en alle dagen van de wereld, deze bede van Zijn Zoon blijft verhooren.

Want lederen keer, dat Satan vasten voet krijgt in de kerk en het Evangelie der souvereine genade gaat verduisteren, lederen keer, wanneer de Satan de eenheid van de apostelen en de apostolische leer aan ^en eenen kant en de kerk, die na hen komt aan den anüeren kant, verbreken en verscheuren wil, door de kerk af te voeren van het fundament van apostelen en profeten, lederen keer grijpt de Vader in. Op grond van dit bidden van Zijn Zoon en brengt Hij Zijn Woord weer tot triumf in Zijn kerk.

Dat is dus de achtergrond van de gansche geschiedenis van Christus' Kerk. Al de strijd en worsteling, welke ge de eeuwen door constateeren kunt, is de strijd om deze eenheid te bewaren.

Het gaat in dien strijd dus niet om het bewaren van de eenheid van het instituut, van het kerkelijk gebouw. Als dat waar was, zou Rome gelijk hebben. Als de strijd om de bewaring van dit Woord van Christus zou beteekenen, dat gij tot allen prijs bij een bestaand instituut zoudt moeten blijven, dan zou de Paus gelijk hebben. De leuze, dat men zich nooit mag afscheiden van de Kerk, al zijn haar zonden nog zoo groot, is een door en door valsche en onware leuze. Dat hebben onze vaderen al verstaan, toen zij hun geloof beleden in art. 28 van de Nederlandsche Geloofsbelijdenis en daar neerschreven, met hun hartebloed, in het gezicht van brandstapels en moordschavotten: dat het het ambt aller geloovigen is, zich af te scheiden van degenen die van de Kerk niet zijn en zich te voegen tot deze vergadering — dat is de eerder beleden ware kerk van Christus — het zij op wat plaats dat God ze gesteld heeft, ook al ware het zoo, dat de Magistraten en plakkaten der prinsen daar tegen waren en dat de dood of eenige lichsimelijke straf daaraan hing. Daarom, al degenen, die zich van haar afscheiden of niet daar bij voegen, die doen tegen de ordinantie Gods.

Men buigt zich dus niet onder dit gebed van Christus, wanneer men zegt, dat men zich nooit van een bestaand kerkinstituut mag afscheiden. Want om de bewaring van de eenheid van bestaande instituten heeft Christus niet gebeden.

Neen, hierom gaat het in deze Middelaarsbede van den Heiland: Hij bidt dat Zijn kerk steeds mag bewaren de eenheid met de apostelen en met de leer der apostelen. En tot die eenheid brengt Hij telkens Zijn kerk terug.

Of is dat niet steeds de oorzaaJc geweest van den strijd in Christus' kerk? Ge ziet het, als ge de kerkgeschiedenis, ook de jongste, goed kent, telkens weer. Steeds tracht men aan dat door Christus in de apostelen gelegde eenheidsf undament' t o e te doen of a f te doen. ledere maal, als Satan vasten voet krijgt in de kerk van Jezus Christus, wordt' aan dat apostolisch fimdament toegedaan of afgedaan. En wordt in de plaats van het Evangelie der vrije en souvereine genade gesteld een menschelijke leer. Wat die leer ook moge zijn, of ze den grond der zaligheid moge stellen in pnze persoonlijke vroomheid of wedergeboorte, of dat ze die stelt in de goede werken der christenen, 't is een afvoeren van dat door Christus gestelde fundament.

Maar nooit laat de Vader dat blijvend toe. Telkens grijpt Hij weer in. Telkens gedenkt Hij dit gebed van Zijn Zoon en legt Hij opnieuw den eenheidsband tussohen de apostelen en ons. Houdt Christus Zijne kerk in stand, zoo mag de hel vrij woeden, gezeten aan Gods rechterhand, kan Hij haar wel behoeden.

Neen, wanneer Christus hier zou bedoelen de eenheid met een bestaand instituut, dan zou dat beteekenen, dat de kerk nooit door de verleiding van Satan het •eenmaal gelegde fundament zou kunnen prijsgeven, dat de eenheid met de leer der apostelen er altijd zou blijven. Maar de geschiedenis van Israël en ook 't Nieuwe Testament en de gansche kerkgeschiedenis leeren wel anders. Die eenheid is er niet automatisch. Ze blijft er altijd alleen door het trouw verhooren van den Vader van dit gebed van Zijn Zoon en door Zijn genadevol tot heerschappij brengen van Zijn Woord in Zijn kerk door Zijn genade alleen.

En daarmee zal het U tevens duidelijk zijn, luisteraars, dat wij afwijzen, dat de verhooring van deze bede van Christus hierin zou bestaan, dat er is een onzichtbare eenheid van alle geloovigen, dwars door, en over alle kerkmuren heen. Dat in dien zin het „ut omnes unum sint", opdat zij allen één zijn, zou moeten v; orden verstaan. Spreekt Christus hier over de or.-Jchtbare Kerk?

Maar Hij heeft het immers over hen, die door hun Woord in mij gelooven zullen. Die door het door de apostelen, dat is door Zijn kerk gepredikte Woord in Hem zullen gelooven. Christus denkt hier wel degelijk aan de zichtbare kerk, aan de kerk, aan welke Hij Zijn Woord, de grootste schat van Zijn genade, heeft toevertrouwd.

Zoo wordt deze bede van Christus verhoord, heel de geschiedenis van Zijn duurgekochte kerk door is dit de groote vreugde voor allen, die Hem beminnen, dat zij, wanneer zij metterdaad die eenheid met het apostolisch fundament bewaren, zich opgenomen weten in het kerkvergaderend werk van den Heiland, dat voortgaat, naar luid van den Catechismus, van het begin der wereld tot aan het einde.

Intusschen, luisteraars, Christus voegt nog iets aan deze woorden toe. Hij vervolgt: opdat zij allen één zijn, gelijkerwijs Gij in mij en ik in U, dat ook zij in ons één zijn, opdat de wereld geloove, dat Gij mij gezonden hebt.

Wonderschoone perspectieven opent de Christus U hier. Hoe oneindig wijd breidt zich in deze woorden de horizon van Zijn gebed uit.

Gelijkerwijs Gij Vader in mij en ik in U, dat ook zij in ons één z|jn. Nu de Heiland gebeden heeft om de eenheid van Zijn apostelen met de kerk, die na hen komt, bidt Hij thans dat die eenheid zoo hecht moge zijn, als die tusschen den Vader en den Zoon. Gelijkerwijs zij één zijn, zoo zij ook Zijn kerk één met de apostelen.

En daarmede wordt U nog verder licht op de door Christus begeerde eenheid geworpen. En bevestigen voorts deze woorden van den Heiland, wat-wij over de eerste woorden van dezen text tot U spraJcen.

Ge moet er nu even goed op letten, welke eenheid de Heere hier bedoelt. Gelijkerwijs Gij Vader in mij en ik in U, dat zij ook allen één zijn. Reeds Calvijn heeft erop gewezen, dat hier niet bedoeld wordt de eenheid van Vader en Zoon in het eeuwige goddelijke wezen. Zeker, dat weet gij, luisteraars. Vader en Zoon zijn van eeuwigheid één. Eén in hun eeuwig goddelijk leven. De kerk heeft dat zoo schoon beleden, toen zij uitsprak, dat Christus is God uit God en Licht uit Licht. Van eeuwigheid en tot eeuwigheid zijn Vader en Zoon zoo ook één.

Maar dat bedoelt de Heiland hier toch niet. Hij treedt hier in deze bede voor ons als de Middelaar, als God en mensch in één persoon, als de ambtsdrager Jezus Christus, die bezig is U te verlossen. En nu bedoelt Hij hier de eenheid, welke er tusschen den Vader en Hem als de Middelaar is. En dat is de' eenheid, welke uitkomt in de volkomen onderwerping van Hem, den Middelaar, aan het Woord en den wil van Zijn Vader. Welk een volmaakte eenheid, luisteraars, tusschen den Vader en Zijn Zoon, onzen Middelaar is dat.

Zie Hem, heel Zijn leven door, in Zijn volmaakte gehoorzaamheid! Eén is Hij met den wil van den Vader, ook als dat van Hem het hoogste offer en het meest gruwelijke lijden vraagt. Eén is Hij met den Vader, ook als dat van Hem de zwaarste gehoorzaamheid vraagt.

En daarom zegt onze Heiland hier: gelijkerwijs gij Vader in mij en ik in U, dat zij allen één zijn. Zooals nu de Vader Zijn liefde tot Zijn Zoon doet uitgaan vanwege diens volmaakte gehoorzaamheid en gelijk Christus een is met den Vader in het gehoorzaam volbrengen van diens wil, zoo bidt Christus nu, dat ook wij, de apostelen en de gansche kerk, die na hen komt, mogen rusten in die volmaakte liefdesgemeenschap van Vader en Zoon, mogen rusten-in de waarachtige eenheid in het werk van den Vader en in het werk van den Zoon, ja in die beiden.

Die eenheid, luisteraars, groeit dan ook in de wereld, als verhooring van het gebed van Christus. Die eenheid groeit, waar men ter wereld ook, de gemeenschap van de ware Kerk van Christus onderhoudt. Die een­ heid groeit, waar de Kerk, naar de eigen woorden van dezelfde Nederlandsche Confessie, welke wij straks citeerden, de reine predikatie des Evangelies' oefent, waar zij gebruikt de reine bediening der Sacramenten, indien zij gebruikt de kerkelijke tucht om de zonSen te straffen. Kortelijk, waar men ter wereld zich zoo aanstelt, naar het zuivere Woord Gods, verwerpende alle dingen die daar tegen zijn, houdende Jezus Christus voor het eenige Hoofd.

Waar Christus' Kerk dat doet, de eeuwen door en op alle plaatsen van de wereld, daar is de waarlijk katholieke-Kerk, als een schoone vrucht van deze bede van Christus, daar is die katholieke Kerk, waarvan, om nog eenmaal onze belijdenis te citeeren, deze zegt in art. 27, dat zij niet gelegen, gebonden of bepaald is in een zekere plaats of aan zekere personen, maar zij is verspreid en verstrooid door de geheele wereld; nochtans te zamen gevoegd en vereenigd zijnde met hart en wil in een zelfden Geest, door de kracht des geloofs.

Het is de door Christus afgebeden eenheid, uitkomend in het zichtbare, in het onderhouden van de gemeenschap met een Evangelieverkondiging, welke zich bindt aan het Woord der apostelen en aan die alleen, uitkomend ook in het gezamenlijk eten van Christus' lichaam en het drinken van Christus' bloed, aan een tafel, welke geopend is voor allen, voor wie Christus die opent en die gesloten blijft alleen voor diegenen, waarvoor Christus sluit, want Hij sluit en niemand opent. Hij opent en niemand sluit.

Welk een zaligheid, luisteraars, en welk een vreugde zich zoo te weten één met de apostelen, één met den Middelaar Jezus Christus, één in Hem met den Vader.

Welk een verplichting ook voor alle christgeloovigen, waar ter wereld, om die eenheid te zoeken, om alle valsche eenheid tegen te staan, en te zoeken de gemeenschap met die kerk, welke wij zooeven door onze vaderen zagen beleden.

Tenslotte voegt Christus daar nog aan toe: opdat de wereld bekenne dat Gij mij gezonden hebt.

In zijn uitlegging op het Evangelie van Johamhes verwijst Calvijn hier naar den jongsten dag. Eenmaal zal de dag komen, dat zelfs de verworpenen, de ongeloovigen, door het zien van de groote schare, welke niemand tellen kan, zullen moeten toegeven, dat Christus geen bedrieger was, maar wel waarlijk degene, waarvoor Hij zich uitgaf. Hun oogen ziülen dan, zegt Calvijn, verblind worden door den glans van Zijn majesteit.

Wij gelooven trouwens, dat deze laatste woorden van Christus ook kunnen beteekenen, dat door de trouwe bewaring van de eenheid met Christus en de apostelen er steeds uit de wereld getrokken .zullen worden tot de kennis van Christus.

Ut omnes unum sint, opdat zij allen één zijn. Het is een geweldige bede van Christus. Ze heeft de Kerk alle eeuwen door gefascineerd. Ze is ook weer steeds misverstaan in de kerk, deze bede van den Heiland.

Wij willen eindigen. Zie Hem nog eenmaal in de Paaschzaal, luisteraars, de Heiland, dit woord biddend: vóór Hem Zijn geliefde apostelen, en daarachter breidt zich voor Zijn oogen uit de schare, welke niemand kan tellen, de kerk van alle plaatsen en alle tijden, zooals die eenmaal samenvergaderd zal staan voor Zijn troon.

O, Hij ziet den Satan rondgaan als een brieschende leeuw, zoekende wie hij zou kunnen verslinden. Heeft hij daarnet niet Judas losgewrikt uit het twaalftal? Welk een gevaren bedreigen Zijn kerk, wat zal het een strijd kosten om het Evangelie zuiver te bewaren.

Maar zie: Christus bidt: Vader, ik bid niet alleen voor dezen, maar ook voor degenen, die door hun Woord in mij gelooven zullen. Opdat zij allen een zijn, gelijkerwijs Gij Vader in mij en ik in U. Zoo bad de Clyistus. En de Vader hoorde en verhoort nog eiken dag tot aan het einde der wereld Zijn bede.

De eenheidsband tusschen apostel|n en kerk blijft altijd weer bewaard, 'zij het door strijd.

Laat ieder van U die dit gehoord heeft, en die de zaak van Christus' Kerk van harte liefheeft, zich naar deze bede van Christus richten. Dan vindt ge den weg in de verwarring van dezen tijd, ook op kerkelijk gebied en dan verstaat ge ook de volle diepte van de woorden, waarmee Gods groote knecht Calvijn eens een brief aan kardinaal Sadoletus besloot, dien hij geschreven had inzake de eenheid der Kerk:

„Geve God, dat gij, Sadolet, met al de Uwen, eens zult inzien, dat er geen andere band van Kerkelijke eenheid is dan het feit, dat de Heere Christus, die ons met God den Vader verzoend heeft, ons uit de verstrooiing in de gemeenschap Zijns lichaams verzamelt, opdat wij zoo alleen door Zijn Woord en Zijn Geest tot één hart en één ziel samen opwassen"®).

R. H. BREMMER.

De vereeniging met de chr. Geref. kerk.

In een vorige jaargang van dit blad, tiebben we aangetoond, dat dogmatiscli de Chr. Geref. Kerk en wij ongeveer gelijk denken, maar dat er wel vele practische moeilijkheden te overwinnen waren.

Het schijnt, dat het met de vereeniging tusschen hen en ons nog niet zoo vlot wil loopen. Ds J. H. Vele-• ma schreef onlangs in Eenigheid des Geloofs, dat directe toenadering niet is te verwachten, 't Zou me werkelijk spijten, wanneer wij elkander niet zouden vinden, 'k Geloof, dat de Heere vereeniging van ons eischt. Tevens, dat ook wederzijds die vereeniging een zegen zou zijn.

Naar aanleiding van het optreden van Ds Sobering in de vrijgemaakte kerk van Batavia is een kwestie gerezen, die wij hier willen bespreken in de hoop, dat de situatie verhelderd wordt.

De lezers van dit blad kennen de kwestie. In het no. van 19 Juli 1947 werd opgenomen een particuliere brief, waarin gesproken wordt van het optreden van Ds Sobering. De kerkeraad van Batavia vond geen vrijmoedigheid Ds Sobering ambtelijk te laten optreden. Letterlijk staat in dien brief: „Zooals de situatie momenteel zich voordoet, is hij voor ons geen wettige ambtsdrager. Het nog kerkelijk gescheiden leven, dat God-niet welbehaaglijk is en waardoor tegenover de wereld Christus smaadheid wordt aangedaan, is er helaas nog".

Deze brief is één pleiten voor de vereeniging. In ' „De Wekker" van 1 Augustus '47 wordt de gansche brief opgenomen door Prof. Van der Schuit. Boven den brief wordt het volgende door hem gezegd:

Ds Sobering — geen wettig ambtsdrager!! Neen, ik schrijf hier achter geen? Ik zet er een uitroepteeken achter, zelfs twee. Ja heusch, het is onze Ds Sobering. Chr. Ger. Predikant, thans in Indië werkzaam onder onze soldaten, die hem zoozeer waardeeren. Maar wie heeft dat gezegd? Welke kerkeraad of welke meerdere vergadering heeft Ds Sobering „suspect" bevonden? Het zijn de broeders'kerkeraad naar ^rt. 31, die dit stukje hebben durven bestaan. Het gebeurde in Indië. Maar wie heeft eens gezegd, dat „beginselen" niet door oceanen worden weggespoeld? Het was in den tijd toen onze Ds Janssen in Indië toefde. Ter zake, want ik kan begrijpen, dat elke lezer nieuwsgierig wordt, wat er nu toch aan de hand is?

Daarna volgt de brief in zijn geheel.

Prof. V. d. Schuit schrijft er onder: Ons zij nog een korte opmerking vergund. Begrijpen deze „jonge «ambtsdragers", dat uit de wettigheid van het ambt ook voortvloeit de wettigheid van het sacrament en dat heel de ambtelijke bediening niet alleen van Ds Sobering maar van alle Christelijke Gereformeerde predikanten, ja dat heel de rechtsgrond van ons kerkelijk leven hier in geding gesteld wordt? Als dit gehandhaafd wordt en als dit de positie is van de Geref. Kerken naar art. 31, dan zouden wij onszelf verlagen, neen erger, dan zouden wij Gods zaak en Christus kerk te schande maken als .wij ooit aan toenadering tot deze kerkgroepeering zouden hebben te denken. Kuyper schreef even vóór 1892 aan de Christelijke Gereformeerde Kerk^ die haar wettige openbaring als Lichaam van Christus in Nederland tegenover de doleantie toen nog handhaafde: „Tot dien prijs komt niemand uit onzen kring over".

In de situatie, waarin de Christelijke Gereformeerde Kerk thans gekomen is tegenover de kerken naar art. 31, herhalen wij met alle klem dit woord.

Ik ben blij, dat Prof. van der Schuit den vollen brief in „De Wekker" heeft overgenomen, 'k Hoop, dat hij ook mijn artikel een plaats zal geven in de kolommen van ziin blad. Het lijkt me, dat de commentaar, die Prof. v. d. S. geeft op dezen brief niet heelemaal juist is.

Ik wil er in de eerste plaats op wijzen, dat in dezen brief heel duidelijk spreekt de begeerte naar vereeniging tusschen Chr. Geref. en vrijgemaakten.

In de tweede plaats spreekt in dezen brief heelemaal niet de geest van: wij weten het alleen. Deze jonge kerkeraad maakt zijn verontschuldiging, dat hij die besUssing moest nemen zonder dat er iemand kon worden geraadpleegd.

In de derde plaats schijnt Ds Sobering toch het heelemaal niet zoo te hebben aangevoeld als zijn leermeester. Hij heeft een stichtelijk woord gesproken tot troost van de broeders.

In de vierde plaats wil ik er op wijzen, dat Prof. van der Schuit in dien brief vet laat drukken: geen •wettige ambtsdrager. Ik leg het accent anders: „Zooals de situatie momenteel zich voordoet is hij voor ons geen wettige ambtsdrager. Het nog kerkelijk gescheiden leven, dat God niet welbehagelijk is en waardoor tegenover de wereld Christus smaadheid wordt aangedaan, is er helaas nog".

Die jonge kerkeraad in Batavia heeft gezegd: 't Spijt ons verschrikkeUjk Ds Sobering. Gij zijt een broeder en wij vertrouwen, dat gij het Woord recht snijdt Maar helaas kunnen wij u nog niet als ambts-. drager laten^ optreden, vanwege de kerkelijke gedeeldheld. De nadruk moet dus worden gelegd op het: voor ons geen wettige ambtsdrager. Me dunkt, dat spreekt toch wel vanzelf. Onder de Chr. Geref. predikanten heb ik goede vrienden. Maar als één van hen in Enumatil komt en zegt: mag ik Zondag voor je preeken? dan antwoord ik: 'k hoop, dat dit zoo spoedig mogelijk kan, maar nu gaat het nog niet. We zijji immers nog niet vereenigd! Voor ons zijt ge geen wettig ambtsdrager. Wanneer ik omgekeerd bij een Chr. Geref. collega zou aankloppen, zou ik hetzelfde antwoord ontvangen. Ik geloof, dat Prof. van der Schuit uit dezen particulieren brief al te verreikende conclusies heeft getrokken.

In het np. van „De Wekker" van 22 Augustus '47 komt Prof. v. d. Schuit naar aanleiding van een artikel in Dfe Wachter op deze zaak terug. Hij schrijft: Wij herinneren ons, wat geschreven is over Ds Sobering, die voor den kerkeraad van art. 31 in Indië geen wettige ambtsdrager is. Thans lezen wij in „De Wachter" een oordeel over de Christeüjke Gereformeerde Kerk, dat allerlei vragen oproept, en ons nog meer in den mist brengt.

De Wachter van 1 Aug. jl. bespreekt de vereeniging der kerken van art. 31 met de Christelijke Gereformeerde Kerk. Het blad wijst er dan op, dat de Kerken naar art. 31 geen nieuwe kerkformatie zijn, maar de oude Gereformeerde Kerken zijn gebleven, die nog steeds voortgaan tot reformatie te roepen.

Hierin ligt grond en oorzaak, waarom deze kerken zich niet aansluiten bij de Christelijke Gereformeerde Kerk.

Maar dan concludeert het blad hieruit een stelHng, die de Christelijke Gereformeerde Kerk toch wel in een gedrongen positie brengt.

Ik geef nu letterlijk weer wat „De Wachter" schrijft: „We zijn dus. geen nieuwe kerkformatie, maar de oude. En ik geloof, dat hiermee ook grootendeels het argument van onze Christelijke Gereformeerde broeders ontzenuwd is. Indien we een nieuwe kerkformatie waren, dan hadden ze inderdaad gelijk. Dan zouden we ons hebben móeten voegen bij de ware kerk. En als we — wat ik nu maar eens even veronderstel — tot de overtuiging zijn gekomen, dat de Christelijke Gereformeerde Kerk waarlijk Kerk is, dan zouden wij ons blijkbaar bij haar hebben moeten voegen ? "

Als ik dit stukske nu goed begrijp, dan zijn er wel „Christelijke Gerefoi^neerde broeders" maar — dat de ChristeUjke Gereformeerde Kerk w a a r 1 ij k Kerk is—? ? ?

Meenen soms de kerken naar art. 31, dat zij alleen Kerk zijn, en dat al wat naast haar bestaat óf valsche Kerk is óf secte?

Geen „wettige ambtsdrager voor ons". Geen kerkformatie, die waarlijk Kerk is. Alleen lieve broeders en zusters, di^ maar zoo spoedig mogelijk met de kerken naar art. 31 moeten vereenigen, opdat hun zondige positie als Kerk moge ophouden ? Kt)men wij nu in den mist, óf wordt het nu pas goed dag? Wanneer dit de gang van denken is bij de kerken naar art. 31, dan weten wij tenminste wat wij aan elkander hebben".

De vraag, die Prof. v. d. Schuit opwerpt, of de Chr. Geref, Kerk een ware Kerk is, is niet moeihjk te beantwoorden. Daar wordt gevonden de zuivere prediking des Woords, de reine bediening der Sacramenten en de handhaving der Kerkelijke tucht. Wanneer ik dit zeg, hadden wij ons dan niet aanstonds bij de Chr. Geref. Kerk moeten aansluiten? M.i. niet. Vrijmaking wilde zeggen: verwerping van de Synodale besluiten, en voortzetting der Geref, Kerken, Voortzetting ook van het zoeken van hereeniging met de Chr, Gereformeerde broeders. We zoeken toch nu niet alleen vereeniging met de Chr. Geref. broeders. We hebben dat altijd gedaan. Dat is ook gaan in de lijn der Afscheiding. Voor me ügt de Acte van Afscheiding, waarin ik lees: uit dit alles tezamen genomen is het nu meer als duidelijk geworden, dat de Nederlandsche Hervormde Kerk niet de ware maar de valsghe kerk is volgens Gods Woord en Art. 29 van onze beüjdenis, weshalve de ondergeteekenden met dezen verklaren, dat zij overeenkomstig het ambt aller geloovigen. Art. 28, zich afscheiden van degenen, die niet van de Kerk zijn, en dus geen gemeenschap meer te willen hebben met de Nederlandsche Hervormde Kerk, totdat deze terugkeert tot den waarachtigen dienst des Heeren en verklaren tevens gemeenschap te willen uitoefenen met alle ware Gereformeerde ledematen, en zich te willen vereenigen met elke op Gods onfeilbaar Woord gegronde vergadering aan wat plaatse God dezelve ook vereenigd heeft, betuigende met dezen, dat wij ons in alles houden aan onze aloude Formulieren van Eenigheid.

In deze acte van Afscheiding zeggen dus Hendrik de Cock en de zijnen, dat zij niet alleen gemeenschap willen houden met aparte personen, maar ook met elke vergadering, 't geeft niet wat voor naam wij elkander geven, wanneer daar maar de begeerte is, om naar den eisch van Gods Woord elkander te zoeken. De Chr, Geref, Kerk wil zich houden aan Gods Woord en de Beüjdenis, wij ook. De Chr, Geref, Kerk wil zijn de voortzetting van de aloude kerk der Vaderen, wij ook.

De Chr, Geref, Kerk wU strijden tegen den geest dezer eeuw, wij ook. De Chr, Geref. Kerk wil Christus vasthouden als het Hoofd van Zijn gemeente, wij ook.

Er zullen moeilijkheden genoeg komen, 't Was gemakkelijker apart te blijven leven, In de Chr. Geref. Kerk vindt mén een bloeiend kerkelijk leven, een prachtig zendingswerk en een rustig bouwen op 't eenig fundament. Bij ons is eveneens een bloeiend kerkelijk leven, een enthousiasme dat verkwikkend, een worstelen op ieder terrein van de waarheid is.

Maar we hebben elkander noodig, we vullen elkander aan. Daarom moeten we niet verwijderd blijven van elkander.

Thans wil ik ook nog iets zeggen over het referaat, dat Ds P. Westerloo van Thesinge op de Chr. Geref. Schooldag te Apeldoorn heeft gehouden over Schriftuurlijke belofteprediking, In deze rede komt hij op onzen kerkehjken strijd. Hij zegt: „Eigen-Ujk beweegt zich heel die strijd om dat ééne woord „belofte".

Men spreekt van dat beloftebegrip als van een bol-' werk, waarop het dogmatisch conflict zich steeds meer gaat terugtrekken. En zien wij het nu goed, dan is heel die strijd het gevolg daarvan, dat men noch van synodale, noch van vrijgemaakte zijde, die belofte ten volle schriftuurHjk predikt. Ik kan u dat vandaag hier natuurlijk niet in bijzonderheden gaan uiteenzetten, maar ik acht dit toch van zooveel gewicht, dat ik wil trachten het u in groote lijnen aan te toonen. Het woord „belofte" beteekent in den Bijbel niet alleen het „beloofde goed" maar geeft ook te kennen de goddelijke heilstoezegging, m, a, w, geeft ook het karakter van de belofte aan, nl, dat zij „toezeggend" van aard is. Als God ons iets belooft, dan wil dat zeggen, dat Hij ons Zijn heil toezegt. Nu is het hierbij, dat gevoelt gij wel, de alles beheerschende vraag, hoe de verhouding is tusschen dië belofte Gods en degenen, tot wie die belofte komt; nog anders gezegd, of die heilstoezegging voorwaardelijk of onvoorwaardelijk is, d.w.z, afhankelijk gesteld moet worden van mijn geloof, dan wel zich onafhankelijk mijnerzijds voltrekt. Nu leert de H. Schrift inderdaad en met name bij monde van Paulus in de brieven aan de Romeinen en de Galaten, dat God de vervulling van Zijn belofte niet van het doen van menschen afhankelijk doet zijn. Waarop Paulus in genoemde Schriftgedeelten den vollen nadruk legt, is het feit, dat de vastheid van de belofte en de vastheid van het verbond daarin bestaat, dat de ontrouw van menschen Gods trouw niet te niet doet, maar zich doorzet trots alle zonde en ongeloof.

Het heil, in de belofte toegezegd, zoo zegt Paulus, komt van God alleen en komt van God volkomen en zet zich door en handhaaft zich en wordt naar Z ij n welbehagen uitgedeeld. Wil men dit de onvoorwaardelijkheid der belofte noemen, hoewel de Apostel Paulus het woord zelf niet bezigt, dan is daartegen geen bezwaar, als men dat begrip „onvoorwaardelijk" dan maar recht verstaat. Want juist in dat verstaan wordt de weg glad en glijden velen inderdaad uit. Onvoorwaardelijk kan men alle beloften Gods noemen en als zoodanig heeft Paulus het ook bedoeld en moet ze gepredikt worden, in zooverre zij ons van den Vader om niet geschonken wordt, zonder eenige verdienste onzerzijds, uit loutere genade. Maar daarnevens ook, dat het voornemen Gods, dat naar de verkiezing is, vastblijft en God in staat voor de verwerkelijking van hetgeeïi Hij beloofd heeft. Alle roem is uitgesloten

Maar wanneer men die onvoorwaardelijkheid der belofte zóó zeer toespitst, gelijk men metterdaad in uiterst synodalen hoek doet, dat alles herleid wordt tot het verbond; niet alleen de belofte, maar ook datgene, wat de belofte ontvangen doet en omhelzen nl. het geloof, zoodat in het verbond geen twee deelen meer begrepen zijn, maar slechts één deel, dan is er in feite voor het geloof geen plaats meer. En dan kan men wel oproepen tot geloof en tot bekeering, maar het strijdfmet het systeem. Dat is geen schriftuurlijke belofteprediking meer. Prof. Ridderbos Jr. zegt op bladz. 21 van zijn geschrift: „De belofte van het ggnadeverbond": „dat de eigenlijke en wezenlijke inhoud des verbonds enkel belofte en enkel heil is. In het heiligdom van Gods verbondsopenbaring worden geen voorwaarden meer gesteld, daar zwijgt de dreiging en is de vloek weggenomen".

En in de bekende „Toelichting" van de GJenerale Synode der Geref, Kerken lezen wij op bladz, 16, dat door het verbond der genade 't eeuwig heil des Heeren niet slechts aangeboden maar metterdaad geschonken wordt.

Hier komt de Roomsche gratia-infusa leer weer terug, de leer der ingestorte genade. Het is dan ook geen wonder, dat men terecht heeft opgemerkt, dat in een dergelijke leer van ingestorte genade het hart van de reformatorische prediking doodelijk gewond wordt. Immers was dat hart het „sola-fide", door 't geloof alleen. Niet de innerlijke genade, niet de levenskiem, niet de veronderstelde wedergeboorte, maar de belofte, echter gegeven om door het geloof te worden omhelsd, dat was het reformatorisch beginsel. Dit laatste moet erbij, kan niet gemist, is als het ware in het begrip „belofte" begrepen.

Wie belofte zegt, zegt daarmee ook geloof. En het is daarop, dat de H. Schrift eveneens niet minder den nadruk legt. Zelfs de apostel Paulus, ofschoon hij in de Romeinen-en Galatenbrief zóó sterk de zgn. onvoorwaardelijkheid der belofte' accentueert, laat toch nimmer den eisch des geloofs varen. Hjn thema, ook in genoemde brieven is, dat de gerechtigheid uit of door het geloof is en dan niet zóó, dat dit geloof automatisch, zonder meer, vanzelf in de belofte begrepen is, neen, maar als terdege zelfstandig staande naast en tegenover de belofte. Het geloof is bij hem de weg, waarlangs God ons de vervulling van Zijn beloften schenkt.

Nog sterker benadrukt de Hebreënbrief deze roeping tot geloof. Het deelen in de vervulling van de belofte wordt hier op sommige plaatsen afhankelijk gesteld van het geloof. Zie hfst. 10 : 26—39 en de dreiging en de wraak Gods met kracht verkondigd aan degenen, die Hem in de genade van Zijn verbond verachten; ja zelfs zóó, dat het menschelijk ongeloof de Goddelijke heilstoezegging metterdaad krachteloos kan maken.

Wil men na deze afhankelijkheid der belofte de roeping tot het geloof, in één woord het „sola fide", aanduiden met den term „voorwaardelijkheid" der belofte, alweer, dan is daartegen geen bezwaar, mits men dat voorwaardelijk maar recht verstaat. En dat doen velen niet, nu van een geheel andere zijde.

Hier glijdt men o.i. uit in den vrijgemaakten hoek. Bij de vrijgemaakten wordt het geloof te zeer gegezien als enkel voorwaarde en als eisch en minder ook als gave Gods, misschien wel uit reactie, maar het gebeurt dan toch maar. En waar dat geschiedt, daar komen hoe langer hoe meer de verkiezing, de wedergeboorte, in één woord het werk van den Heiligen Geest op den achtergrond. En voert, gelijk we zagen, een onvoorwaardelijke belofteprediking ons terug in Rome's armen, een eenzijdige voorwaardelijke belofteprediking met niets dan geloof, geloof en nog eens geloof, moet onherroepelijk uit loopen in de haven van het Remonstrantisme, waarbij de laatste beslissingen in het verbond niet bij God, maar bij den mensch komen te liggen. Men kan, gelijk terecht is opgemerkt, het werk van den Heiligen Geest overschatten en daarmee afgoderij bedrijven; men kan het evenzeer kleineeren en het niet naar waarde schatten.

En het is juist daarom, dat Paulus in de te voren genoemde brieven naast de voorwaardelijkheid der belofte, niet minder den nadruk legt op de onvoorwaardelijkheid. Paulus doet dat, omdat hij geweldig heeft moeten strijden tegen het Judaïsme, tegen de Joodsch-wettische verbondsbeschouwing, welke door en door voorwaardelijk was. Geen vervulling der belofte, tenzij voldaan was aan de gehoorzaamheid aan, en de volbrenging van de wet: een soort arbeidscontract dus, werkheiligheid.

En daar tegenover handhaaft Paulus de vrijmachtige beschikking Gods in de belofte, het souvereine geven en komt hij tot het dilemma: het is of het één of het ander.

De belofte is geen belofte meer, wanneer zij nog iets met de wet te maken heeft.

Paulus is vuurbang voor het oud-Nomisme. Maar wanneer men thans van vrijgemaakte zijde de voorwaarde van het geloof zoozeer op den voorgrond stelt, dat dat geloof een nieuwe wet dreigt te worden, dan moeten wij vuurbang zijn voor het nieuw-Nomisme

Uit hetgeen er nu gezegd is en de wijze waarop het gezegd is, is het verder gemakkelijk af te leiden wat wij onder schriftuurlijke belofteprediking hebben te verstaan. Diat is die prediking, die beide elementen predikt, volledig tot him recht doet komen; de onvoorwaardelijkheid en de voorwaardelijkheid, dat is de vrijmaohtige beschikking Gods; maar ook het geloof en dit laatste dan niet als een nieuwe wet, maar als gave Gods, waarvan de catechismus zegt, dat de Heilige Geest het werkt in onze harten door de verkondiging des Evangelies. Zoo wordt het werk van den Heiligen Geest niet verwaarloosd en tegelijk worden wij bewaard voor een verbondsoverschatting. Zoo blijven wij staan tusschen Rome en het Remonstrantendom en tusschen allen, die naar één van beide kanten neigen.

Naar onze meening is dan ook door de jongste Geref. - Kerkgeschiedenis de taak der Chr. Geref. Kerk niet gemakkelijker geworden, maar wel verzwaard. Juist omdat men in de belofteprediking naar beide kanten één-lijnig is en deze naar de Heilige Schrift tweelijnig moet zijn, is er een strijd bijgekomen, n.l. die tegen het gevaar van het Neo-Nomisme, de nieuwwettische verbondsbeschouwing.

Wij staan thans metterdaad „tusschen de muur". "En wij hebben ons als Chr. Geref. Kerk af te vragen: staan wij er tusschen? Zoo ja, dan hebben wij een taak, een oude en een nieuwe, en samen verbonden is die: den ganschen Raad Gods verkondigen ook ten aanzien van de belofte..."

Wij hebben Ds P. Westerloo uitvoerig aan het woord laten komen, opdat de lezers van , , De Reformatie" kunnen gewaar worden, hoe over de prediking der Vrijgemaakten onder de Chr. Gereformeerden wordt geoordeeld. Er worden wel zéér harde beschuldigingen aan ons adres gericht. Nieuw-Nomisme. Remonstrantisme.

En weet u, wat nu zoo jammer is? Dat Dis Westerloo heelemaal geen bewijzen geeft van zijn stelling. Wanneer hij de synodale meening afwijst, geeft hij wel bewijzen.

Maar uit vrijgemaakte lectuur blijkt hij heelemaal niet te hebben geput. Wij zijn van Chr. Geref. zijde betere lectuur gewend. De brochures van Ds Heerma en Ds Velema waren heel wat grondiger gedocumenteerd. 'kZou wel eens willen weten wat Ds Westerloo van onze zijde heeft gelezen. Ik maak me sterk, dat hij zijn argumenten heeft geput uit het synodale boekje van Prof Ridderbos Jr: „De belofte van het genadeverbond". Dteze spreekt op pag. 10 van de Joodsche verbondsleer als van een contract en op pag. 16 van Ouden Nieuw-Nomisme.

Ds J. Smelik schrijft in „Ons Kerkblad" van 6 September terecht: „Het is of je hen hoort spreken, die de Gereformeerde Kerken sinds 1944 hebben gescheurd en ons uitgeworpen. Dat dit uit den mond van een Chr. Geref. prediker komt en nog wel vlak voor de Chr. Geref. Synode te Utrecht samenkomt, die op haar tafel ook het waardige, dringende, godsvruchtige schrijven vindt, aan haar gericht door de Deputaten daartoe op onze Generale Synode van Groningen benoemd — dat is verbijsterend".

In het volgend no. zegt Ds Smelik, dat hij gemakkelijk een maand lang zijn blad zou kunnen vullen met tallooze citaten, die het onjuiste van de bewering van Us Westerloo klaar en onbetwist aantoonen. Hij wijst op stelling VU van de „Verklaring van gevoelen: Dat zoovelen van die kinderen deze beloften met een geloovig hEirt aannemen, zij dat doen krachtens de wederbarende genade des Heiligen Geestes, naar Gods eeuwige verkiezing", op een uitspraak van Prof. Greijdanus, en op de Voorrede van het N.T. der Statenvertaling. Ik zou hier aan willen toevoegen uit het indrukwekkend schrijven van Ds D. van Dijk van Groningen, Juli 1944 aan de Generale Synode der Geref. Kerken: Verre werp ik van mdj elke aantijging, alsof ik het geloof zou maken tot een nova lex, alsof ik niet ten volle zou leeren de onmacht van den mensch, alsof ik aan het werk des Geestes niet de noodige plaats in de prediking zou geven...

Heel mijn prediking richt zich op de bearbeiding van de gemeente tot een teeder, trouw, geloovig leven, dat altijd weer uitloopt op het

Mijn God, U zal ik eeuwig loven Omdat Gij 't hebt gedaan.

Ds P. Westerloo zou ons een grooten dienst bewijzen, wanneer hij de beschuldiging van Neo-Nomisme, die hij op voetspoor van Prof. Ridderbos Jr tegen ons heeft ingebracht, eens waar maakte. Laat hij uit de geschriften van vrijgemaakte broeders eens aantoonen, dat dit waar is. Ik geloof niet, dat hij dat zal kunnen. En daarom bedroeft het mij meer, dan ik zeggen kan, dat Ds P. Westerloo zoo vlak voor de Synode zijner Kerk tegen ons stemming heeft gemaakt en een beschuldiging uitgesproken, die hij niet kan waar maken.

K. MEIMA.

Naschrift. Het is inderdaad ontstellend, zulk spreken en schrijven als van Ds P. Westerloo e.a. over de leer der „vrijgemaakten". Leest men hun geschriften niet, of kan men piet goed lezen? Reeds het Prae-advies deed dit laatste vreezen.

S. GREIJDANUS.

antwoord aan ds schep.

In „Eenigheid des Geloofs" van 19 Dec. j.l. geeft ds Schep van Assen een reactie op mijn „Persoonlijke Indruk" uit „De Reformatie" van 29 Nov. j.l. Hoewel ds Schep zeer onzakelijk redeneert en niet op de feiten ingaat, (wat toch broodnoodig is, wil er van een hereeniging op goede gronden ooit iets terechtkomen) wil ik toch, naar aanleiding van hetgeen hij zegt, enkele tegenopmerklngen plaatsen.

Ik zie de kwestie der mogelijke hereeniging op een heel ander niveau liggen dan ds Schep. Ik wil uitgaan van de w e r k e 1 ij k h e i d; die te verbloemen of de oogen ervoor te sluiten, is onwaarachtig. Als we daarmee reeds zouden beginnen, is m.i. de heele zaak der hereeniging-op-goede-gronden, van den aanvang af getorpedeerd. Die werkelijkheid nu is, d a t e > • geen onderling vertrouwen is. Ds Schep vindt dat ontstellend; ik niet minder. Het is vreeselijk, als wij moeten constateeren, dat er tusschen degenen, aan wie Christus de eenheid bevolen heeft (Joh. 17), diepgaand wantrouwen heerscht; en dat daar maar al te veel redenen voor zijn! Ik noemde in mijn artikel terloops Art. 31 K.O. Met dit artikel, waarover reeds de hoogleeraren De Savornin Lohman en Rutgers in hun „De Rechtsbevoegdheid der plaatselijke Kerken" geen onzeker geluid lieten hooren, over welks uitleg de gen. synode van Leeuwarden in de zaak Netelenbos evenmin in twijfel verkeerde, welk artikel een van de fundamenteele artikelen van. het Geref. kerkrecht is, is gehandeld door de Synode van Sneek-Utrecht op een wijze, die alle vertrouwen ten eenenmale grondig verwoest heeft. En nu gaat het maar niet aan, daar een spons over te . halen en net té doen of dat vertrouwen nooit geschokt is geweest, want dan bagatelliseert men de zaak. Wij kunnen niet instemmen met het houden van een soort academisch debat over Art. 31 K.O. bij de eventueele onderhandelingen; waarvan het resultaat zus, maar óók zóó uit kan vallen; met hel; handhaven van Art. 31 K.O., zooals dat door Kuyper en Rutgers, e.a. geleerd is, staat of valt het gereformeerd karakter van ons kerkrecht! Op dit punt kan alleen maar sprake zijn van wederkeer!

En zoo is het op meer pimten. Daarom schreef ik in mijn gewraakte artikel: „Want ik ben er heilig van overtuigd, dat v? ij, bij al de zonden, die verder ons persoonlijke en kerkelijke leven ontsieren, zaaksgerechtigbeid hebben, ten opzichte vajx de reformatie der kerk van 1944". Diaar moet ds Schep niet van schrijven, dat hier een duidelijk symptoom aanwezig is, dat zich in de vrijgemaakte „kringen" een „farizeeuwsche gezindheid" aan het baanbreken is. Sinds wanneer heeft het poneeren van iemands „zaaksgerechtigheid" iets te maken met „farizeeuwsche gezindheid"? Het poneeren van „zaaksgerechtigheid" heeft alles te maken met een christelijk e levenshouding. Als een christen op bepaalde punten zijn „zaaksgerechtigheid" niet meer durft te poneeren, dan is hij al heel ver weggezonken. Durft U, ds Schep, tegenover een Hervormde, te poneeren de „zaaksgerechtigheid" van de „Acte van Afscheiding en Wederkeer" van. Hendrik de Cock? Ik hoop van ja, al zie ik in de wijze, waarop de synodocratische kerken hun advocaten laten pleiten in de processen om de kerkelijke goederen, symptomen, waaruit ik wel eens geneigd ben op te maken, dat zij, om het proces maar te winnen, aan Afscheiding en Doleantie maar liever niet herinnerd worden

Die processen om de kerkelijke goederen. O, ja, ds Schep, die gaan toch nog altijd door? En Uw kerken laten Uw advocaten daar maar heei „mooie" dingen poneeren; dingen, waar wij van huiveren; ; niet terwille van de kerkelijke goederen; die kunnen we, als het moet, missen. In Leiden zijn ze ons alle onthouden; we zijn er niet minder om. Maar, omdat wij zeggen moeten: „zijn onze vroegere broeders en zusters reeds zóó ver afgeweken, dat zij hun advocaten niet eens meer voorhouden: denk erom, dat argument moogt ge onder geen beding gebruiken". Ik vraag U, ds Schep, denkt U nu heusch, dat zoolang deze dingen plaats vipden, wij U, in vol veartrouwen tegemoet kunnen treden? Kom, U oordeelt toch zeker als een man en niet als een kind van 10 jaar!

U zegt verder: , , Laat bij die samenspreking vaa weerszijden maar gezegd worden in een echt broederlijke geest, welke grieven men heeft, kerkelijk èn persoonlijk". Ik sta weer verbijsterd over zulk een zin. Weet men dan van uw zijde nóg niet, welke onze grieven zijn? U weet beter. Daar is al heel veel gesproken over z.g.n. „misverstanden". Misverstanden, die er zoowat niet zijn. Dat spreken over „misverstanden" is grootendeels , schaakspel"; om dien term van Uw deputaten voor samenspreking maar eens over te nemen. Ze weten wel beter. Weggemans en Öe Graaf en Ridderbos enz. weten wel heel goed, waar hem bij ons de schoen wringt; en U kon het ook weten, als U, wat van onze zijde geschreven is, goed gelezen hadt. En wij weten eveneens heel goed wat Uw synode U bindend opgelegd heeft. Wij weten het zóó goed, dat wij maar al te helder doorzien hebben heel dat camouflagespel, dat er omheen gespeeld is. Wij hebben héél goed begrepen, wat in „Praeadvies" en „16 punten" en „Vervangingsformule" omtrent den H« Doop geleerd wordt. En dat weten Ridderbos enz. ook wel. Dat zijn toch óók geen beginnelingen meer op het theologisch erf? Daarom is dat camouflagespel zoo erg; dat men formules opstelt, waarin men eigen standpunt volkomen handhaaft (op een enkele „gekloofde haar" na) en het aan de menschen doet voorkomen, door het inlasschen van heel wat termen der z.g.n. „bezwaarde broeders", alsof men hun een heel eind tegemoet gekomen is. Ik zei: dat vind ik erg; omdat de kerk niet gedegradeerd mag worden tot een fuik, maar altijd en onder alle omstandigheden moet zijn en blijven pilaar en vastigheid van de waarheid!

U vindt, dat ik veel verschrikkelijks gezegd heb van Uw deputaten. U zoudt op die gronden bezwaar kunnen hebben tegen het gaan zitten, aan één onderhandelingstafel, met iemand als prof. SchUder. Dat kan ik mij voorstellen en als dat zoo is, had ik maar liever, dat U het ronduit schreef. Als U er werkelijk van overtuigd zijt, dat prof. Schilder een scheiurmaker is, die „begeert secten en muiterij aan te richten in de kerk" (pg. 18 bovenaan van het Rapport van toelichting op de schorsing van prof. S.) moet U daar bezwaar tegen maken. Maar dan weten we ook ineens, , dat over hereeniging nog niet gesproken behoeft te worden. Dan blijken de standpunten van beide partijen nog zóóver uiteen te loopen, dat het geen zin heeft verdere onderhandelingen te gaan voeren. En als U deze bezwaren tegen prof. Schilder ten volle handhaaft, maar U kunt tóch met hem, als gelijkgerechtigde partij, een academisch debat gaan voeren, om eens te kijken, hoe ver U mogelijk tot elkaar kunt komen, dan zeg ik: in zulk een houding betoont gijr U geen m a n te zijn, die staat voor wat hij zegt!

Ik ben bang voor Uw wijze van onderhandelingengaan-voeren. Uw wijze doet mij te veel denken aan de tactiek van de Vereenigde Naties: aan één tafel gaan zittem; die wat van zijn bezwaren laten vallen en die ook wat; zie zoo, we hebben een, voor beide partijen aaimemelijk, compromis! Maar daarmee is de waarheid niet gediend! Daarmee kan m.isschien bereikt worden, dat binnen een bepaald verband zich een grooter aantal menschen komen te bevinden. Maar daar mag het ons niet allereerst om te doen zijn. Het moet ons niet slechts om „hereeniging" te doen zijn, maar om hereeniging-op-goede-gr o n den! De waarheid moet aan die hereeniging ten grondslag liggen. De kerk moet niet de methode van de Vereenigde Naties gaan overnemJen; het ware beter omgekeerd: de Vereenigde Naties mochten zich wel een9 gaan spiegelen aan den waren kerkdijken stijl!

Als U mij dan ook vraagt: acht U, dat hereeniging al mogelijk is? , dan antwoord ik ronduit: tot mijn grooten spijt, neen! Ik zie nog geen symptomen, die op de mogelijkheid daarvan wijzen. Stukken, als van Uw deputaten, zijn in dit opzicht, volmaakt waar-

d e 1 o o s. Dat moge in Uw ooren hard klinken, het is zoo. Ik zie in Uw pers en in Uw kerkelijke handelingen nog geen enkel teeken, ' waaruit ik op zou kunnen maken: ze beginnen daar in te zien, dat ze in 1942 en volgende jaren verkeerd gehandeld hebben; er komt daar berouw over wat bedreven is. „De Strijdende Kerk" gaat precies op den ouden voet door stukken te plaatsen, die voor ons buitengewoon grievend zijn; het „Gereformeerd Weekblad" verandert nog niets van koers; de procedures om de kerkelijke goederen gaan ongestoord verder.

Ds Schep schrijft verder, dat er na de verschijning van mijn artikel wel „verdubbelde reden tot vermeerdering van het gebed om de Heilige Geest, Die de Geest der verdraagzaamheid, der ootmoedigheid, der samenbinding is", aanwezig is. Ja, ja, der „verdraagzaamheid"! Dat hadden de Heeren Ridderbos c.s. eens eenige jaren eerder moeten bedenken, toen door ons vrijgemaakten, toen nog „bezwaarden", in openlijke uitspraken sterk verlangd werd naar een „geest (met kleine g) van meer verdraagzaamheid"; maar toen gehandeld werd, als ik in het slot van mijn artikel aangaf. En ik noemde daar maar een paar dingen van de zeer vele. Waarom beoordeelt ds Schep die feiten niet eens ernstig?

Ds Schep heeft het verder maar over samen-spreken. Dat schijnt het een en het al te zijn. Ik kan dat niet zoo inzien. Persoonlijk verkies ik bij belangrijke onderhandelingen de schriftelijke methode. Mondeling drukt men zich vaak onnauwkeurig of ongelukkig uit; wat gauw tot-misverstan^ïen en vertroebeling aanleiding kan geven; schriftelijk kan men zgn meening veel beter overdacht en dus nauwkeuriger geformuleerd, aan de tegenpartij bekend maken. Maar nu afgezien daarvan: ALS uw kerken nu zich weer zoo gaarne met de onze hereenigen, mag dan het „voorshands schriftelijk beginnen" voor Uw kerken een ONOVERKOMELIJK struikelblok zijn? Is de schriftelijke onderhandeling soms een in de Heilige Schrift duidelijk veroordeelde methode? Indien niet, wat is er dan tegen deze ledeneering in ti^ brengen: „degenen, die wij nog gaarne broeders noemen, hebben blijkbaar overwegend bezwaar om mo.ndeling te beginnen; wij achten dat bezwaar overdre-. ven of fictief; maar goed, zij hébben die bezwaren nu eenmaal; voor ons is de SMiriftelijke methode evenmin een door de Schrift veroordeelde; zeker, wij achten deze methode minder geschikt; maar góéd, omdat onze broeders nu eenmaal niet anders willen, zullen wij hiur hierin ter wille zijn; zij vragen ten slotte ook weer niet meer dan „v o o r s h a n d s" schriftelijk"? Kijk, ds Schep, als Uw kerken, zooals het mij nu toeschijnt, uit haar hardnekkige weigering voorshands schriftelijk te onderhandelen; persé weigeren iets op schrift t e z e t t e n, ben ik geneigd daar wat achter te gaan zoeken. Waarom zijn ze zoo afkeerig van die, slechts voorshands, schriftelijke methode? Wantrouwen, zult U zeggen? Ik zeg: ja; maar geven zij er weer geen aanleiding toe?

Tot slot nog dit. Ik begeer ten sterkste de eenheid van allen, die in den 2!oon gelooven. Ik vind het verschrikkelijk, dat de christenheid zóó veijieeld is. Ik hoop dan ook aUes in het werk te stellen, voor zoover dat binnen mijn bereik ligt, om die eenheid te bevorderen. Mits, en dit gaat bij mij vóór alles, de eenheid, die bevorderd wordt, de eenheid zij op dèn gr(ondslag van „Apostelen en Profeten"!

P. JASPERSE.

noodzakelijke correctie.

Het artikel „Ontginningsdienst", vorig nimmier, bl. 203, kolom 2, na regel 20 v.o. in den tekst, is onleesbaar. Hjet zetsel is omgezet. Na de woorden (regel 20 v.o.) „heeft kunnen worden" moet volgen wat staat jn den eersten zin van de volgende alinea: „Wie het 'weerhouden' " tot en met: „ 'oordeel' moeten heeten". Daarachter moeten dan staan: de beide volzinnen die nu de laatste der voorgaande alinea geworden zijn: „Tenzij hij tot op ons standpimt zou gaan staan".

Het wordt dus:

Vervolgens: zeker, het is waar, dat de zonde wordt „weerhouden", en dat de vloek nog niet ten volle is uitgestort over de wereld. Maar dit zelfde geldt van de gehoorzaamheid, die in Christus Jezus weer tot gave van Gods vrije gimst heeft mogen worden, en door de kracht van Christus' Geest ook tot geschenk van deze gunst heeft kunnen worden. Wie het „weerhouden" van den vloek „genade" noemt, zou voor het minst de „weerhouding" van den zegen ), oordeel" moeten heeten. [Tenzij hij tot de erkenning komt, dat < ' (in Christus) geschonken waardigheid tot het eeuwige leven nog niet insluit een waardigheid tot snelle bediening van de zaligheid. Waarmee hij op ons standpunt zou gaan staan.] Maar geen van beide termen zouden wetenschappelijk gefundeerd zijn; mien kan enzoovoort.

In mijn copie zijn de woorden „Tenzij hij gaan staan" in de copie als NOOT bij de woorden „moeten heeten" bedoeld geweest, doch bij de woorden „kunnen worden" geplaatst.

K. S.


1) D.w.z.: pdat zij allen één zijn — Bijbellezing, gehouden voor de microfoon van de N.C.R.V. op Maandag 9 Februari over Joh. 17 : 21. Om des tijds wille werd het slot eenigszins verkort voorgedragen.

2) Aangehaald bij Dr H. van der Linde, Rome en de Una Sancta, Nijkerk, 1947, pag. 9.

3) Prof. Dr Ignatius Klug, Het Katholieke Geloof, Een apologetisch, dogmatisch kerkhistorisch overzicht, Heemstede, 1939, pag. 376.

4) A. W., pag. 385.

5) Dr H. van der Linde, A. W., pag. 27. Voor wie de oecumenische beweging nader wil leeren kennen, een interessant, maar ook ontstellend boek.

6) Geciteerd uit Apologie van de Reformatie der Kerk, Drie geschriften van Johannes Calvijn, ingeleid door Dr K. Sietsma, Amsterdam, 1937, pag. 68. In zijn Inleiding schrijft Dr Sietsma o.a.: „Niemand toch kan het ontgaan zijn, dat in onze dagen de Kerkvraag in het brandpunt van de belangstelling staat De moeilijke vraag naar de plaats van de Kerk en haar taak in het moderne leven is voor velen een hartevraag geworden. De herdenking van Afscheiding en Doleantie heeft in ons land de Eiandacht verscherpt. Allerlei andere oorzaken hebben verder er toe meegewerkt, dat de vragen aangaande de Kerk, haar verhouding tot andere levenskringen, haar aard en wezen op het agendum staan pag. 6. Nog meer dan in 1937, toen Dr Sietsma deze woorden schreef. Is In 1948 deze brief van Calvijn aan Sadolet van actueel belang.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 27 maart 1948

De Reformatie | 12 Pagina's

„honor in honorante” — — et in honorato.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 27 maart 1948

De Reformatie | 12 Pagina's

PDF Bekijken