Honig uit den rotssteen - pagina 15
I.^enac§ttaadjtolicr ïj»nnc ïniijtie.Ener waren herders in diezelve landstreek, houdende in het veld, en hielden de nachtwacht over hunne kudde. Lucas 2 8.zich:Zoo we ooit benijden mochten, benijdt ge dan die herders uit Bethlehems velden ni ...
Honig uit den rotssteen - pagina 16
!3„herder over een kudde van menschen? koningen en opperheeren, die „herders der volken ?" Zijn het óók niet de bedienaren van het Woord, die „herders der kerken?" Zijn het ook niet vader en moeder, die „herders van hun kinderen en heel hun gezin?" Ja, „herders," zijn het niet allen ...
Honig uit den rotssteen - pagina 17
de donkerheid der zonde, dat is de duisternis der ongeheiligde Tan die wereld, waar uw kinderen in moeten; maar waarin, ze aan dubbel gevaar blootstaan, omdat in die duisternis der wereld hun teedere ziel dubbel gevaar loopt. De „dagwacht" over uw kinderen, dat is het lioht, als ze in uw huis, om ...
Honig uit den rotssteen - pagina 18
;Ziet, bijalsdieherdersin Efrata's velden niet trouw de nachtwacht ze zouden niets van die glansenhun kudde hadden betrokken,hebben gezien, geen heerlijkheid des Heeren zou hen omschenen hebben, ze zouden geen engelenzang hebben beluisterd, en nooi ...
Honig uit den rotssteen - pagina 22
!die trouwenaar deEa EnVader uit de hemelen ons toe: „Vraagt, vraagt toch weer paden en gij zult rust vinden voor uw zielT''oude.^wie luistert naar dat roepen? wie doet er naar?Godo,;!!zijlof, ...
Honig uit den rotssteen - pagina 21
;!Omdat de Heere kwam en de inblies en troosttemetzijnzielvatte en een krachtvan binnenteederste vertroost ing;en.En dan begint er een o'eloofsvveg" Het neemt alles een nieuwe Daar wuiven ze hun takken reeds verre, die heerlijke gedaa ...
Honig uit den rotssteen - pagina 19
:gen,omonskomtstuitenteinonze dartelheid,omons toeteroepenOnze kranken, die ziek werden, opdat wij ome liefde aan hen zouden oefenen, opdat ons geloof mm hen openbaar zou worden, opdat ons de troost op de l ...
Honig uit den rotssteen - pagina 115
:!101moeten: „God weet toch wel wat ik misdeed," eu geliouden zijn, om vrLJwilli»^; en eio;ener beweujing hun zonden aan God bekend te maken; ze voor Hem uit te spreken; niet te zwijgen, maar te belijden; en in dat gedurig en met name bclijflen de diepste vernedering te onder ...