Vu cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Vu te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Vu.

Bekijk het origineel

SOUVEREINITEIT IN EIGEN KRING.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

SOUVEREINITEIT IN EIGEN KRING.

96 minuten leestijd

nleiding.

De twintigste October van het jaai- onzes Heeren aclitüenlionderd tachtig is een der grootste dagen geweest in het veelbewogen leven van Dr Abraham Kuyper — misschien wel de allergrootste.

Op dien dag immers heeft hij de genade ontvangen van de „Vrije Universiteat" te mogen inw: ij d e n, door ze op het publieke levensterrein in te leiden bij overheid en volk.i) De „Vrije Universiteit", dat is toch de stichting, waaraan Dr Kuyper de gansche liefde van zijn hart heeft gesclionken; de stichting, waarvan hij voor den bloei van het gereformeerde leven het allermeeste verwachtte; de stichting, die hij in het leven riep en diende in de volle spanning van zijn sterk geloof en met al het vermogen van zijn geweldigen geest. Maar op dienzelfden twintigsten October heeft Kuyper ook nog wat anders gedaan. Juist bij de inwijding der Vrije Universiteit heeft hij in söhitberende taal en met geniale conceptie de leus doen hooren, die misschien beter dan eenige andere zijn levenswerk typeeren kan.

„Souvereiniteit in eigen kring" — ja zieker, dat was de titel van de inwijdingsrede der eenige Gereformeerde Universiteit ter wereld! Maar die woorden waren meer dan de aanduiding van het thema eener rede — ze zijn de korte, bondige teekening van een veelomvattende, allesbeiheerschende werkelijkheid, een werkelijkiheid, die Kuyper met een diepe en fijne intuïtie had geschouwd, een werkelijkheid, waardoor zijn deuken en strijden en leven werd beheerscht, een werkelijkheid aan de erkenning en fundeering waarvan hij een groot deel van zijn levenskracht en denklcracht heeft gewijd.

Souvereiniteit.

„Souveremiteit in eigen kring" — om te weten wat Kuyper met die woorden bedoelde aan te wijzen (en daarom is het ons in deze schets te doen), moet ons voor alles duideüjk zijn, wat hjji onder Souvereiniteit verstond.

Zeldzaam diep is zijn opvatting daarvan. Er is z.i. geen sprake van, dat souvereiniteit in den vollen zin des woords bij' menschen zou worden gevonden. Ook als men de allergrootste macht beschouwt, die eenig mensdhenkind over eenig schepsel zou kunnen uitoielenen, dan is die macht nog maar een flauw beeld van eigenlijke souvereiniteit. Neem b.v. de macht van een pottenbakker over het leem. Die 1 ij k t inderdaad groot! Paulus gebruikt die macht zelfs als een beeld van Gods vrijmacht over de menschen. De pottenbakker kan het leem Icnedein, vormen, boetseeren en modelleeren net zooals hij' wil. Maar toch, wat is die macht eigenUjk nog klein! De man kan zijn materiaal niet „maken". Hij „vindt" het en moet het nemen, zooals het is. Hij kan de eigenschappen van het leem niet verandteren. Hij kan het niet smeden of weven of schaven. Hij kan er maar één enkel soort voorwerpian van maken. En hij kan er niets aan doen, dat zijn potten en pannen broos en breekbaar zijn.

En zooi is het overal met de menschelijke madht over alle schepsel; levenloos of levend; delfstof of plant, dier of mensch. Die macht mag nog zoo groot lijken, ze is toch zoio hopeloos klein. De grootste tyran kan niet doordriugen in het hart en het geweten van zijn onderdanen. Hij kan niet wezenlijk heerschen over hun geloof en liefde. Hij kan zijn tot slaven gemaakte oniderdanen niet meer laten doen dan hun krachten, hun capaciteiten toelaten. Overal stuit zijn madht op grenzen. Grenzen gesteld door klimaat en bodem; door landen, rivieren en zeeën; grenzen samenhangend met historische situaties, m^et Wijsheid en doorzicht, met volkskracht en aantal onderdanen, maar bovenal met grenzen, welke door het geheel van Gods wereldorde zijn gesteld.

In de volle, absolute souveredniteit ligt naar Kuyper's oordeel vierderlei relatie opgesloten tusscheii den Souverein en het aan hem onderworpene. Vier relaties — want voor een absolute souvereiniteit over eenig ding wordt vereischt: „1. dat ik dit voorwerp geheel in mijn bezit hebbe, 2. dat ik het zelf gemaakt hebbe naar eigen goedvinden, 3. dat het in het leven roepen van de grondstoffen, waaruit het gemaakt is, aan mijn vi-ijmacht hange, en 4. dat het aan mij sta, de wetten te bepalen, die zijn werking beheerschen en zijn verhouding tot andere voorwerpen regelen zullen." ^)

Anders gezegd: er moet om van souvereiniteit bij eenigen machtsbezitter te kunnen spreken, tusschen hem en het aan zijn miaöht onder^ worpene een betrekking bestaan van: lo Absoluut bezitter en bezitting; 2o Schepper-in-vrijmacht en sdhepsel; 3o Wetg e ver-in-volslTekten zin en wat onder die wetten staat.

Souverein in absoluten zin is dus alleen zulk' een gezag, waar geen enkel gezag meer boven is. Een gezag, dat altijd beveelt en nooit gehöotrizaamt Een gezag, dat geen enkele beperking gedoogt en ongedeeld zicli uitstrekt over alles wat bestaat, over gansch den kosmos. Een gezag, „dat redit bezit, plicht heeft en madht oefent, om eiken weei-standl tegen zijn wil te breken èn te wreken." ^)

Souvereiniteit Gods.

Uit een dergelijke opvatting van het begrip „souvereiniteit" volgt onmiddellijk, dat menschen zulk een souvereiniteit nooit kunnen bezitten. Souvereiniteit — „die heeft God de Heere aUeen als de Almachtige. Alles wat op aard© zich souverein noemt of souverein genaamd word(t), is niets dan een instrumen t, waardoor God Zij'n souvereiniteit uitoefent. Anders te spreken is eigenlijk ongeoorloofd. Wij moesten eigenlijk zulke namen nooit bezigen. Gelijk er 'óoik eigenlijk geen rechters of profeten op aarde zijn, maar alleen instrumenten voor Gods recht en aankondiging van Zijn Raad." *)

Die souvereiniteit Gods „kent geen beperking. Die gaat over ons lichamelijk, zedelijk, denkend, kuns't- en religieus leven en het leven onzer zinnen, over alle relatiën." *)

Het geloof in deze allen- en allesomvattenide souvereiniteit Gods is het uitgangspunt der Gereformeerde belijdenis. De erkenning van deze souvereiniteit sluit in de geloovige aanvaarding: der uitverkiezing. Uitverld'ezing is toch niets anders dan de souvereiniteit Gods, die tot in het verleden, tot achter het verleden, ja tot in eeuwigheid teruggaat. °)

Met grooten nadruk wijst Kuyper er op — en dat is een zeer mooie passus in zijn betoog — dat de erkenning van de souvereiniteit Gods een geloofsdaad moet zijn. De aanvaarding van Gods souvereiniteit is voor den gelooivige niet begonnen met Gods almachtig bestel over starren en engelen, over de zee en hare eilanden, over de dierenwereld en de volken, maar met het ervaren van Gods souvereiniteit over het eigen ik. Alleen als een menschenkmd ziet, dat hij in opstand was tegen God, maar dat God hem overwon, alleen dan is er geloof in de souvereiniteit Gods.

Er is een ondempbare kloof tusschen ©en wijsgeerige idee van souvereiniteit, die er op uit is alles eigenmachtig onder één hoofd saam te vatten en het geloof in de souvereiniteit van den Almachtigen God, Die onze Vader is; een geloof, dat geboren werd uit de nederlaag van het opstandige hart

In deze diepe opvatting van de souvereiniteiit Gods legt Kuyper dus heel nadrukkelijk en duidelijk de grens bloot, die er ligt tusschen God en al het geschapene. Gansch het schepsel is Zijn maaksel. Zijn volstrekt bezit en is aan Zijn wetten onderworpen. Met nooit verflauwende energie heeft Kuyper geworsteld om voor, die grens ook de oogen van anderen te openen, oim die grens ook door anderen te doen erkennen en eerbiedigeirx

God is het, „die eerst tusschen Zidhzelven en het creatuur, en diensvo-lgens over heel het erf van het creatuurlijke, lijnen trok. Lijnen van ordinantie; lijnen van begrenzing; lijnen van scheiding ; lijnen van tegenstelling"')

Er is „een absolute grens gesteld, en (h© grens ügt op al 'het geschapene vanzelf geteekend door den gouden zoom van die eigen, majesteit de^ Heeren HEEREN". De handhaving van deze absolute grens is „de hoofdzake der ware religie", , want die hoofdzaak bestaat hierin, „dat God waar-^ lijk God blijve en de mensch nooit iets andenai' dan een nietig mensch© zij." In overeenstemming met deze opvatting van de hoofdzaak darl retigi, e, ligt „alle zonde" hierin, dat m^en God en mensch „op eenigerhande wijs poogt te vermengen, 'tzij men Gode iets toedicht wat des menschen zij of als mensch zitten gaat in Gods stoel", 't Komt er dus op aan de grens tusschen God en mensdh te zien! „En opdat nu de mensch dien scheidslijn indachtig zou zijn, heeft het Gode bë^"'"' liefd, die scheidslijn ook af te schaduwen in d© vaste grenzen die Hij tussdhen creatuur en crea-ïsi tuur onderling sdhiep". Ja het staat, volgens Dr5 Kuyper, vast, „dat God sdheidingen in al het crea-p tuurlijk© heeft ingedreven, als afdruksel van dia^ absolute scheiding, die Hij in stand houdt tusschen het creatuur ^i Zich."»)

Het is de groote zonde van het pantheïsme, dat^ het „deze wortel-tegenstelling, moeder aller crea- • tuurlijke tegenstelling, begint te looöhenen."') „Neen, niet in den beginne, want een begin ^

was er niet; niet geschapen, wiant dte wer«l'd is eeuwig; en niet hemel en aardte, want uw Jeriseits is een diroombeeld. De dfie diepst uitgesneden grondlijnen onzer onderscheiding alzioioi met één streek uitgewischt en verflauwd, ja weiggenomen alle grens tusschen God en wereld, tusschen tijd en eeuwigheid, tussdhen wat Mer is en wat ginds." 10)

Deze diepe overtuiging van de duizelingwlekkende souvereiniteit Gods, den volstrekten Heerscher en Gebieder over bet heelal is de oorsprong van dien feilen hartstocht voor grens erkenning en -handhaving, die door al Kuypprs werken gloeit.

Souvereiniteit van „den menscb Jezus Christus".

Als zoo de souveireiniteit Gods over al het geschapene is gezien en aanvaard, dan is de eerst opduikende vraag deze: dp welke wijze oefent nu de Almachtige God Zijn onbepeirfct gezag hier op aarde uit?

Hierop antwoordt Kuyper kort en klaar, dat de Hooge Souverein „Zijn gezag overdi'oeg en overdraagt aan menschelijke personen; zoodat ge feitelijk op aarde in het zichtbare nooit rechtstreeks op God zelf stuit, maar het souverein gezag steeds voor u op ziet treden in een ambt van menschen." i^)

Wanneer God Zijn gezag ter uitoefening overdraagt aan mensdien, dan doet Hij dat natuurlijk zonder ook maar voor een didzendste procent Zijn onbeperkte souvereiniteit af te staan.

Staat eenmaal vast, dat God Zijn gezag ter uitoefemng, in sommige relaties althans, overdraagt, dan moet weer gevraagd: hoie vindt deze overdracht plaats? Denkbaar is immers, dat God al Zijn gezag voor zoover dat op de aarde betrekking heeft en met de aarde in verband staat aam één gezagsdrager toevertrouwt, maar eveneens is het denkbaar, dat er een veelheid van gezagsdragers door Hem Wordt geroiepen, elk met een beperkt gezag over een déél van het geschapene.

Waar men nu niet uit God en Zijn openbaring leeft, heerscht steeds 'de tendenz; omi alle macht over bet menschenleven te conoentreeren in één hand, één lichaam, één bestuur. Zooveel doenlijk (want immers Gods souvereiniteit „over wat boven is, valt buiten 's menschen bereik en over de natuur buiten 's menschen macht, en over het lot buiten 's menschen schikking") wordt dan alle macht over het menschenleven opgehoopt in 'de Staatsmacht. Die macht (al of niet rustend in één persoon) gebiedt en beschikt onbeperkt. Ze heerscht, wil althans heerschen, over bezit en bedrijf, denken en leven, wetenschap en kunst, , £onsciëntie en geloof der menschen. Ze maügt zich dé zeggensdhap daarover aan. Ze treedt dwingend op over gansch het mensdhenleven.

En zoo verrijst dan dat monster van den allesbeheerschenden, allesverslindenden, aUesknechtenden staat, de S taats-a f god. Zeldziaam gloeiend en vinnig is de haat van Kuyper tegen dat afgoi- Idisch gedrocht. In al zijn politieke geschriften vecht hij ertegen. Hierin is hij de volleerde leerling, ja zelfs de meester van Groen van Prinsterer in diens worsteling tegen het „Staatsialvermogen". 't Is deze rustelooze, eindeloos gevarieerde worste'ling tegen den „god-staat", die Kuypers staatkun-' dige geschriften in zoO' hooge mate actueel houden.

AVanneer Kuyper gaat spreken over het overdragen van Gods souvereiniteit op een mensoh, dan rijst voor hem op grootsch en majestueus de Messias, de Gezalfde, aller koningen Souverein. De „mensch-Messias trad op', met macht in den h, emel; met macht over de natuur; met pretentie van macht over alle volk te hebben; en macht, in aUe volk, óók over de consciënüe, óók over het geloof; zelfs de moederband aan het kinid moest wijken, waar Hij gehoorzaamheid afvroieg. Hier dus volstrekte Souvereiniteit; gaande over alle zichtbare en onzichtbare dingen; over wat geestelijk en stoffelijk beide is; gelegd in de handen van een niensch. Niet één der Iconinkrijken, maar het absolute Koninkrijk."i^)

In Christus' woorden: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde; en: voor Mij zial all, e knie zich "buigen is die souvereinitei'H van den Messias aangeduid, een souvereiniteit „ongedeeld, maai" nochtans overgedragen, of liever, , overgenomen om weer teruggegeven te worden." i*)

Scherp onderscheid maakt Kuyper tusschen de souvereiniteit van den Messias, den menschi Jezus Christus en de souvereiniteit van den Zoon, den Tweeden Persoon in het XJoddelijke Wezen. De eerste is een op ge dragen, een ontvangen souvereiniteit, de tweede is oorsproinke^ lijk. De eerste is „alle macht" (= volmacht, bevoegdheid) de tweede is almacht.

„Als Schepper was dus ook de Tweede Persoon my "~ - ^ö heilige Drievuldigheid over al het geschaij^^aie vanzelf en zonder eenige opdracht, abso^ ^^luut souverein, te zamen met den Vader en H . den Heiügen Geest.

\ ]-)£j. Souvereiniteitsrecht bezat en bezit Hij' niet „bijl de gratie Gods", maar ongegeven; krachtens Zijn wezen; omdat Hij God is. Deze Souvereiniteit is niet op Hem gelegd, om Zijn Middelaarswerk, maar is gegrond in Zijh Scheppmgsdaad." i^) Heel anders staat het met de souvereiniteit Van den Middelaar Gods en der m'enschen, den mensch Jezus Oliristus.

Op Hem is leen koningschap, een soiivereinitelüt gelegd. Hij is aangesteld tot koning. „Over Sion is tot Koning geizalfd niet de Tweede Persoon in de heilige Drievuldigheid, want deze is krachtens Zijn goddelijk Scheppersreoht de Haere over alle volk en diis ook over SionJ. De Tweede Persoon is op zidhzeif God en God kan nooit tot iets verordSneerd of gezalfd worden. Maar to^en de Tweede Persoon, toien het Woord vleesch wierd en de Middelaar verscheen len de mensch Christus Jezus voor het oog des Eeuwigen stond, toen kon wel die mensch Christus Jiezus gezalfd en kon wel die mensch Chrisitns Jezus verordineerd, en kon wel, bij de gratie Gods en door God, op dien Middelaar het Koninklij k r; egiment over Sion worden gelegd. En dit is nu geschied." i*)

Maar de Middelaar is meer dan Koning, aangesteld, gezalfd Koning over Sion. Hij^ is ook verhoogd len toen is Hem nog iets anders gegeven dan het Koninklijk regiment over Sion. H, em is gegeven een naam boven allen naam, opdat üi den Naam van Jezus zich zioude buigen alle knie dergenen die in den hemel, die op de aarde en die onder de aarde zijli. Hij is gezet aanl de rechterhand Gods, verre boven alle overheid en macht en kracht en heerlijkheid en allen naam, dije genaamd wordt, niet alleen in deze wereld, maar ook in de toekomende, zoodat alle dingen Zijn voeten onderworpen zijn.

Dit alles ziet weer ni et op de Overhoogheid die Hem als den Almachtige lo-aöhtens zijn Godheid toekomt, want aan die Godheid kan niets worden toegevoegd, kan geen macht worden gegeven. Bovendien leert ons 1 Cor. XV: 24, dat de Middelaar van deze onmetelijke heerschappij eens af s tand zal doen en ook dat is bij den Tweeden Persoon, het Eeuwige Woord onmogelijk! Neen, dit verhoogd worden tot Koning der ko^ ningen en dit aangesteld worden tot Machthebber over alle creaturen in den hemel en opi aarde en onder de aarde is een nieuwe waardiglield, een' nieuw ambt{!), dat aan hetgeen de Zoon als Mid^ del aar reeds bezat, opzettelijk is toegevoegd.

Dit moest zoo, omdat het regiment over Sion niet kan worden uitgevoerd of Sions Koning moest ook al de machten van hemel en aaa-ide aan Zich dienstbaar maken. De kerk staat immers niet buiten maar in de wereld. Ze is vervlochten in het leven der natiën en der volken, zei is ingestrengeld in de machten der duisternis.

„Zoo gaat dus het Genadewerk tot in het Scheppingswerk terug, en de band di.e in de Schepping gelegd, maar doior de zonde losgerafeld was, komt in het koninkrijk der genade terug."i^)

Deze geheel eenige Komnklijke positie van den Middelaar vloeit voort uit het feit, dat Hij' ambts^ drager is. Jezus is ^drager „van het hoogste en heiligste ambt; van het ambt in volslTekten zin; zo o dat hij eigenhjk de eenige ambtsdrager en daarom d e Christus is." i^) Als Ambtsdrager ver^ ordineerd en gezalfd tot Profeet, Priester en Kof ning verschijnt de Christus voor ons als mensch'. Niet als de Tweede Persoon in de Drieënheid, „die onmogelijk ooit gezalfd kan worden". „Ambt toch is bediening van Goddehjke macht door schepselen. De engelen er nu buiten latende, kan Jezus dus geen ambt, vooral met het ambt dragen, tenzij Hij als mensch voor God 'trede, 't zij eeuwig in Zijn raad, 't zij feitehjk na Zijn vleeschwording. God had oo'k all, e ding zelf rechtstreeks kunnen regelen, en geen dienst van menschen bezigen. Dan ware er nooit een ambt en diis ook nooit een zalving geweest. Maar nu dit Gode anders heeft behefd, en Hij den dienst der menschen veirordineerde, nu ontstond het ambt als bediening door menschen van Goddelijke macht." ")

Het ambt is dus „de idtoefening van die bepaalde mogendheid des Heeren die in Zijne Souvereiniteit, in Zijn Over'hooghe'Ld, in Zijn Heerschersmacht Mgt, d.i. in Zijn Sclieppingsredht om over alle creatum- te beschikken en alle scihepsel onder Zijn bedwang te houden." Hiemit volgt dan vanz, elf, dat de drie afzonderlijke ambten van profeet, priester en koning, die eigenlijk de geledingen zijn van het ééne, ongedeelde ambt, in het Koningsambt hun voleinding vindan. De beide andere ambten moeten in hun uitwerking de glorie van het Koninklijk Ambt van den Christus dienen.

„Wilt ge dan ook de drie tot één herleiden, om in één ambt heel de volheid Zijner majesteit uit te drukken, dan moet ge hem niet als den Profeet, en ook niet als den Priester eeren, maar u voor Hem nederbuigen als uw Koning, die Ko^ ninklijk èn in uw bewustzijn, èn in uw zedelijk' leven, èn in uw persoonlijke daad] heerschen wit." 18)

Grootsch en machtig is dus de beteekenïs van den Middelaar, den mensch Jezus Christus. Hij is niet alleen de Koning van Zijn kerk maai" vaïi gansch den kosmos. „Geen duimbreed is er op heel 't erf van ons menschelijk leven, waarvan de Christus, die aller Souverein is, niet roept: „Mijn!"."!^) Hij verlost de wereld. In Hem is gansch het heelal prindpliëel verloisilj. In Ham is het aan den Vader verbonden. Uit Hem Vtoeit het leven in alle geledingen van Gods mach'lii|g|e schepping. ^'')

„Souvereinlteit in eigen loring."

Zioo sLrekt zich dlaii oveir gansdi liet mensöheiir lev^n en al bet geschapene uit die oorsproin: k.elijke souvereiniteit Gods ©n onder die oorspronkelijke souvereiniteit Gods de oip ge dragen souvereiniteit van den Middelaar, den menschi Jezus Christus.

Maar ook nu komt w^eer, evenals straks, de vraag: hoe wordt de souvereiniteit, die Goid bezit en aan Jezus Christus tijidelijk is overgedragen, uitgeoefend, vei-werltelijkt in de wereld? Hiét antwoord luidt eveneens: God wil voor de uit'Ojefening van Zijn souvereiniteit over een deel van ket geschapene menschen gebruiken, menschien met een ambt voor die madhtsuitoiefening, begiftigd. 21)

Staat dit ook nu weeir vast, dan komt vanzelf ook die tweede vraag opnieuw aan de oirde: draagt God Zijn souvereiniteit ongedeeld aan één in, e!nsch, of organisatie, of instelüng ter uitoefening op; of wel: beizit iemand, aan Wien God opdracht gaf tot machtsuitojefeming, die m, acht slechte Mnnen beperkte grenzen, binnen een, betrekkelijk Idjcinen, kring?

Zooials bov; en reeds bleek, verwerpt Dr Kuypeizooi radicaal en beslist mogelijk de gedadhte, dat alle macht geconcentreerd zou zijn in één aondig metisch, of in één bestuur of instelling, gevormd idoof zondige menschen. 'Dat leidt altijid toit de mjeest ondragelijke tyrannie. Met name keert hij zich tegen den absohiten Staat, die de ééne, omgedeelde souvereirtiteit over al de menschen en heel het menschenleven zou willen uitoefenen. Zeker, God hééft aan de Overheid in den Staat macht gegeven, maar slechts zooveel als Hem goeddaoht, niets meer, niets minder. En de Overheid zondigt, zoowel door ©en deel van de haar to; egekende macht ongebruikt te laten, als door een deel van het haar niet toebetrouwde te nemen. Scherp moet het drijven van „Staatsalvermogen", de idee van „Staatsapotheose", , d.i. van „Staatsivergoding" worden weerstaan, want bij dat drijven kent men den Staat het recht toe, om bij de uiHoefening van zijn. macht te doen alsof er geen grenzen bestonden. 22)

Ieder© opeenhooping van macht en dan vooral in haar gevaarlijiksten vorm, het Staatsalverm ogen, is vooir het waarachtig, christelijk geloof onaanvaardbaar. Want in de „volstrekt© Souvereiniteit van den onzon dig en Messias ügt tegelijk de rechtstreeksche ontkenning en betwisting van alle absolute Souvereiniteit op aarde in één zondigen mensch: en dat wiei door, de deehng van het leven in eigen kringen, elk met Souvereiniteit voor zich." ^^)

Tegenover het Staats alvermogen, dat altijd verloopt in despotic „is doior Groen en zijn volgelingen van echten bloede steeds met nadruk op het feit gewezen, dat er in Kerk en huisgezin, in wetenschap en kunst, iTi handel en nijverheid, kortom op elk terrein van het maatschappelijk leven 2*), een souvereiniteit in eigen kring bestaat, die door den Staat niet gegund wordt, maar zonder tusschenkomst van den Staat onmiddellijk voortvloeit uit een beschikking Gods.

, , Een hoofd des gezins is achter zijn huisdeur koning bij de gratie Gods; ©en bedienaar des Woords is binnen de wanden van zijn bedelhuis heer en meester krachtens hem van God verleende volmacht; een geleerde ontving zijn meesterschap over leenig gebied der wetenschap nïet van den Staat, maar van God; ©en kunstenaar, die de levenswet voor zijn kunst aan Staatsorganisati© zou willen ontleenen. Meld daarmee reeds op kunstenaar te zijn. Zoo. nu is het op elk gebied van het maatschappelijk leven. De organen, waarin dit leven zich uit, zijn niet van menschelijk© vinding, maar in het wezien der dingen gegrond en dus van God gesdhapen.

, , Het huisgezin is er, wijl God den mensch man en vrouw schiep en het aldus verordende, dat de ééne mensch den anderen zou genereeren. Er is een Kerk, wijl het God beliaagd heeft, den mensch behoefte aan godsvrucht en aanbidding in te scheppen. Er is een wefensohap, wijl het God hehefd heeft, 's menschen geest maCht te geven over de verschijnselen. Er is een kunst, wijl God heeft goedgevonden den scheppingsdorst op het terrein van het schoone in onze borst te wekken. Ja er is niet één zelfstandige kring in het maatschappelijk leven, die niet zijn oorsprong en aanzijn, zijn levenswet en levenskracht, zonder tusschenkomst van den Staat, met even onmiddellijke souvereiniteit aan God dank weet, als de Czaar aller Russen de macht, waarmee hiji van Kroonstadt tot Kamschatka gebiedt." ^s)

Kortom: , , God riep instellingen van allerlei orde in het leven en aan elk van die slohonk Hij' ©en zekere mat© van macht. Hij heeft alzooi de mladht, di, e Hij! uit te reiken had verdeeld. Hij gaf aan niet een enkele instelling al Zijn macht, maar aan elk dier instellingen die macht, die met haar aard en roeping overeenkwam." ^e)

„Staatkundige macht hebben dez: e levenslcringem geen grein. Ze hebben elk sledits madht in eigen kring. Evenmin als de Kerk ^aan, de wetenschiap' wetten heeft te stellen, zoomin de kunst aan de nijvei-heid, of het huisgezin aan de Kerk, en ©ven zoomin heeft een dezer levenskringen iets van do, ea met de staatkundige macht, , die in de souvereiniteit des Rijks ligt." 2')

Omgekeerd heeft de Staat zich piet te stellen boven deze kringen. De Staat staat naast deze „instellingen" en „organisaüën" door Goid in het leven geroepen — er n a a s t, piet er boven, ^s) Of, om dit alles in woorden uit veel later tijd te hoor.en: „wanneer wij. Calvinisten, nu zeggen, dat deze kringen ©en „eigen souvereiniteit" bezitten, dan bedoelen we daarmede, dat het leven in deze kringen zich moet regelen, niet naar wat anderen goedvinden voor te schrijven, maar naar den aard en de natuur van die kringen zielven." ^s)

Deze „souvereiniteit in eigen kring" is van zoo fundamenteel karakter, dat Kuyper haar één van de drie materieel e grondbeginselen der Antirevolutionaire richting acht. En dan , wel als het eerste! (De andere twee ^ijn: „organisniie geen aggregaat" en: „voor geestelijke ontwikkeling geen dwang maar vrijheid".)

Geen oogenblik mag evenwel bij de „souvereiniteit in eigen kring" vergeten worden, dat deze „souvereiniteit" verleend en nooit ooirspronkjelijk is. Dit moment domineert in Kuypers gedachtenwereld zelfs zóó, dat hij, den inhoud van het begrip aldus iets verschuivend of wij'zigendj de „souvereiniteit in eigen kripg" ook als volgt omschrijft: , , „Souvereiniteit in eigen kring" duidt aan, dat het recht om gezag te oefenen, bij al wat mensch heet verleend en gegeven, d.i. dus nooit oorspronkelijk, is, of, wil jaen, zijn oorsprong nooit hebben kan in eenigen menschelijken wil, noch in den wil van meerdere menschen saam', maar lalleen had en heeft in de alleen vrij machtige en oorspronkelijke autoriteit en souvereiniteit Gods". 29a)

En juist zóó Wordt de „souvereiniteit in eigenj kring" geteekend als het materieel grondbeginael der Antirevolutionaire gedachtenwereld.

De IcrlDB van den Staat en de overige kringen.

In het bovenstaande is in hoofdtrekken Kuypers visie op de „souvereiniteit in eigen kring" weergegeven.

Evenwel — daarbij mogen we niet blijven staan. 'We hebben immers hier te doen met een geniale intuïtie van een man, die ©en ontzaglijk diepen kijk had ontvangen in Godfe openbaring en in Gods geschapen wereld. We weten van te voren reeds, dat er allerlei diepten en mogelijkheden schuilen in dezen door een sterk geloof in Gods Woord geleiden kijk op de werkelijkheid'.

Wanneer we nu tot nadere analyse van deze opivatüng omtrent de „souvereirdteit in eigen kring" overgaan, dan treft ons allereei'st dit, dat Kuyper deze leer nagenoeg a 11 ij d ontwikkelt in verband' met of liever in onderscheiding van, ja, zelfs in tegenstelling met de souvereiniteit van den Staat, die zeer zeker ook een souvereiniteit in een bepaalden kring is, maar toch op allerlei manier verschilt van de souvereiniteit, zooals die in andere kringen wordt gevonden.

Kuyper bespreekt deze kwesüe dan ook voornamelijk in zijn politieke geschriften, ^o) Eu zoo hij er in niet-politieke publicaties over handelt'i), komt de tegenstelling met de Staatsmacht bijna alüjid ter sprake, ja, is zelfs uitgangspmit der redeneering.

Vóór alles moeten we dus zoeken naar de verhouding van de souvereiniteit in de verschillende levenslo-ingen ©enerzijds en de souvereiniteit in den Staatskring andererzijds.

Naar boven vindt de Staatsmacht haar grens in God , en Zijn ordinantie. ^, In God zelf, wijl reedis Zijn bestaan Staatsalmacht tot ©en onding maakt, en in Zijn ordinantie, zooiwel wat Zijn heilig gebod, als Zijn schikkingen met de natiën betreft. Geen Staat kan een anderen stempel op den volksaard drukken dan God dien gaf. Krachten, talenten en roeping, evenals historisdh' verleden zijn de van God gestelde grenzen, waarbinnen de Staatsalmacht besloten is."82)

Horizontaal is de grens voor de Staatsalmacht de souvereiniteit van elk leven in eigen kring. Nadrukkelijk betoogt Kuyper telkens, dat de kring van den Staat naast de andere kringen Igt, niet erboven. „De politieke Souvereiniteit staat dus volstriekt niet op zichzelf, maar is slechts één der schalmen in den grooten keten, die heel de schepping innerlijk sa^mhoudt, en haar door de ordinantiën Gods doet bestaan." ^^) , „De overheidssouvereiniteit bij de gratie Gods gaat hier, om Gods wil, voor een andere souvereiniteit va, n even Goddelijken oorsprong uit den weg." „De Staat mag geen woekerplant zijn, die alle leven opslorpt. Op eigen wortel heeft ze te midden van de andere stammen haar plaats in het woud im te nemen, en alzoo alle leven dat zelfstandig opschiet, in zijn heilige autonomie te mainteneer en." 5*)

„Elke poging van het politiek gez^g om opéén dier andere terreinen zelf ten principale te willen heerschen, is derhalve schending van Goidis ordinantiën, en het verzet daartegen geen misdaaxi, maar plicht.

En ooi, indien in eenig land het politiek gezag wettelijk de grenzen afbakent, waar het anderrsoortig souverein gezag ophoudt en het zijne begint, dan is dit allerminst een beperking van die souvereiniteit, maar slechts een aanwijzing van haar natuurlijke grenzen.

Terwijl omgekeerd iets prijs te geven, 'tzdj aaji de maatschappij, 't zij aan het gezin, 't zij aan d© natuur, van wat naar Gods indeeMng tot het poütiek gezag behoort, geen daad ware te achten van liheraliteit, maar van heiligschennis.

En geheel de leer der Souvereiniteit hangt dus maar daaraan, dat men: 1. wel inzie hoe er souverem gezag op elk gebied des levens heerscht; 2. dat men het politieke geza, g wel in zij!n eigenaardige natuur doorgronde; om alsdan 3. alles er onder te brengen wat er wel, en alles er uit te scheiden wat er niet toe hoort."'^^a)

De afbakening van de grenzen tusschen den Staat eenerzij ds en de overig© levenskringein andrerzijds is geen daad van willekeur, maar uitkomst van langdurigen strijd'. De aard van "het leven, in elk dier kringen zich openbarend, beslist dit volgens een wet, in dat leven door God ztelf gelegd. Wel wordt deze grens niet aanstonds juist gelrokken, maar dit doet niets ter ziake. Dit ve'^'schijnsel doet zich voor bij all© onontwikkelde toestanden. God heeft geen „kadaster" gemaakt, , met nauwkeurige beschrijving der grenzen, dat we bij. elk voorkomend geschil kunnen opslaan, om, de zaak te beslechten. Toch komt die grens ten slotte daar te liggen, waar ze liggen moet. Z© blijft reageeren waar ze verschoven wordt, en ze dringjt rusteloos verder, waar ze haar scheidslijn niet bereikt heeft, s^)

Voor de erkenning van deze grenzen moet onopihoudelijk worden gestreden. In elke Staatsmacht ligt namelijk de neiging de grenzen der kringen te overschrijden en elk streven der kringen naar uitzetting en dus naar ruimer erf te weerstaan en te breken. Uit edele zorg of uit onedele heersch-t zucht zal de Staat altijd ernaar streven den ijzeren band van zijn macht al vaster om de levenskrinigen te slaan. Ja men mag zelfs zeggen, dat het kort! beloop van 's werelds historie is de verdediging van de souvereiniteit in eigeai kring tegenover de souvereiniteit van den staat. 3^)

Deze grenserkenning en - handha.ving over en weer sluit evenwel velerlei bemoeiing van den! Staat met de verschillende levenskringen niet uit. De kringen grijpen immers als tandraderen ineen. En door het op. elkaar inwerken en in elkaar schuiven van deze kringen ontsta, at liet gevaar dat de eene kring den anderen „inbuige" en de gang van het leven verstoord worde. En nu isjuist het Staatsgezag als een afzonderlijke gezagskring door God ingesteld om het goede op elkaar inwerken en met elkaar meewerken der kringen, voor zoover ze naar buiten treden, mogelijk te maken en ze te houden binnen de palen van het recht. Nog eens: binnen de kringen geldt dit staatsgezag niet, daar heerscht gezag, dat buiten dat staatsgezag om uit God neerdaalt en door de Overheden in den staat niet wordt verleend, maar eenvoudig als bestaande wordt erkend; Maar wat betreft de ver'houding der kringen onderhng heeft het staatsgezag ©en zeer belangi-ijke taak. Het houdt, naar' de Schrift het zooi kemacihtig zegit, het land door recht staande. 3')

Beziet men de taak van het staatsgezag van naderbij, dan kan men daarin onderscheiden tu: schen ©en normale en een abnormale taak;

Om met de laatste te heghmen: als Wet maatschappelijk leven van het volk nog op zieer lagen trap staat en nog weinig ontwikkoldl is endüs allerlei organen voor de levensuiting der maatsobappij mist, zal die Staat moeten optreden en bdjna alles zelf moeten doen. Tegelijk moet lüj evenwel d|e energie der onderdanen prikkelen omj zelf de hand aan den ploeg te slaan, bezield met de begeerte om; zich terug te trekken, zoodira 'dit door anderen wordt begeerd. Naar gelang in de maiatscliappij de veerkracht der burgers ontwaakt, zal de overheid steeds meer van abnormialen arbeid worden ontlast En goed zal het dan pas zijn, indien de veerkracht der burgerij, naar alle zijden uitgebroken, voor den staat de mogelijkheid schept om niets extra's te doen, maar zich uitsluitend te bepalen „tot het onder den ploeg brengen van dien hem zelf toebedeelden akker". En eenmaal zoo ver gekomen, is de Regeering gehouden, zich bij de oefening van haar gezag naar de eigenaaridïgheid der maatschappij, zooveel de leisdh' des r.echts toelaat te schikken, ^s)

IWat de normale taak der Overheid ta.v. de verschillende levenskringen betreft: ze moet waken, dat organisatiën en personen (die ook een „souvereiniteit in eigen kring" bezitten) hun grenzen niet overschrijden en anderen zoodoende benadeelen. De overheid moet den indringer terugdringen. Of ook, indien de eene levenskring slechts doet wat de andere ongedaan en ongebruikt Met, door regeling tegen wanorde te waken. Daarnaast heeft zij de roeping ook de enkele individuen, en ihet zwakke in die kringen tegen misbruik van overmacht te beveiUgen. Bovendien moet zij allen saam dwingen tot het praesteeren van persoonlijke en geldelijke lasten tot instandhouding van de natuurlijke eenheid in den Staat, s»)

De besUssing in deze aangelegenheid kan niet aan het eigen inzicht en dus aan de Willekeur der Overheid worden overgelaten. Alleen de wet kan hier elks recht uitwijzen. De wet, die met gemeen overleg met het volk in al zijn organen en kringen is vastgesteld. Met name het recht der burgerij om over eigen buidel te besohildten moet de machtsoverschrij'ding der overheid tegengaan. In dezen stand van zaken nu ligt het uitgangspunt voor die saamwerldng van de souvereiniteit der Overheid met de souvereiniteit in de miaatschappdijke kringen. „Zoodra deze verhouding tussclien de staatkundige souvereiniteit en de eischen van het maatschappelijk leven met souvereiniteit in eigen kring beschreven worden, heeft men een Constitutie, een Magna Charta of Privilegie". Maar nog eens: in een grondwet worden die rechten en vrijheden van personen en levenskringen, (Me „sou- ^^Teiniteit in eigen kring" niet geschapen, met geschonken, maar alleen beschreven, geco difië er d. Ze waren er — nu worden ze beschreven en in onderlinge samenwerking bindend vastgesteld. *")

Op deze plaats moet ook ter sprake komen het verschil tusschen den aard van het staatsgezag, zooals dat in een overheid belicliaamd is en van het gezag zooals het in de andere levenskringen geldt. Op verschillende manieren teekent Dr Kuyper dit onderscheid.

In zijn „Ons Program" wijst hij er b.v, in liet boofdstuk over „Het Gezag" opv dat opi staatkundig terrein naar Gods bedoeMng de macht met bewustheid en door opzettelijke wilsuiting wordt uitgeoefend, terwijl op elk ander terrein dit gezag onbewust beerscht.

, , Een Rafaël oefende evenzeer souverein gezag uit als een Bismarck thans, maar met dit zeer aanmerkelijk verschil, dat Rafaël dit onbewust en van zelf, en Bismarck slechts door een opzettelijke daad doet.

Op eik ander terrein des levens oefent men slechts gezag door de ordeningen Gods onbewust te laten werken en er zelf een schakel in te zijn; maar op staatkundig terrein is de Souverein zelf bekleed mot de wetgevende, d.i. reohtsbepalende macht en komt het hem toe, het aldus vastgestelde reoht, als eenig geldende recht, mèt den sterken arm te m ainteneeren." ^i)

Een andere onderscheiding viniden we in het hioo'fdstuk: Geen „Etat athée". ^^) Kuypeiri betoogt daar (we wezen er boven reeds op) dat de staat een organisatie is naast en niet boven andere. Alle organisaties door Gods scheppingsvermogen te voorschijn geroepen ontvingen de hun toeko»mende macht van God. En dan gaat Kuyper aldus verder:

„Slechts hierdoor is de Staat van alle deze overige organisatiën onderscheiden, dat alleen de overheid een publieke macht beeft, terwijl aUe overige organisatiën, op zich zelven, van private natuur zijn."

Van dit onderscheid zegt Kuypier daar „dat alleen de overheid de macbt ontving om èn de organisatiën, èn dus ook de personen, bij' geschil over recht, tot wat haar voorkomt recht te zijn, desnoods met geweld van den sterken arm en, moet het, met het zwaard te dwingen; en tevens, — len hier vooral lette men op — die verpMchting

ontving, om zooveel moigelijk voor deze organisatiën en personen in te springen, waar deze hun natuurlijke levenstaak geheel of ten deele ongedaan mochten laten."*')

Op die macht der Overheid om het zwaard te voeren wijst Kuyper ook in zijn bekende rede over het thema, dat ons bezig houdt „Hoog steekt dns deze Staatssouvereiniteit, als maéht die den enkele beschermt en de onderlinge rechtsveriiouding der zichtbare levenskringen bepaalt, door recht tot bevelen boven deze alle uit." „De Staat is nu eenmaal de oppermachtige op aarde."**) „De Staat is dies de kria.g der kringen, die alleen onder alle extensief (men lette vooral op dit woord, binnen de kringen heeft de Staat geen bevoegdheid in normale verhoudingen. C. V.) geheel ons menschelijk leven omvat" *5)

In zijn lezing over „Het Calvinisme en de Staatkunde"^^) gebruikt Kuyper de ondersoheiding „organisch-mechaniscb" in dit verband. Het leven der maatschappij is „organisch"- Dit komt omdat het regelrecht uit de sdiepping op'komt.

Het scheppingsleven als in gezin, wetenschap enz. wordt gevonden, ontwikkelt zich vanzelf evenals de twijgen aan de plant. En wel heeft de zonde storend op die ontwikkeMng ingewerkt, inaar de , , gemeene gralie" stuit die noodlottige doorwerking der zonde.

Geheel anders is het met de overheden. Een overheid is „geen natuurlijk hoofd dat organisch uit het volkslichaam is uitgegroeid, maar ©en mechanisch hoofd', dat van buiten op den volksromp is opgezet. Een redlmiddei voor den ontstanen misstand. Een stok bij de plant aangebracht om haar over.eind te doen staan, daar ze anders, tengevolge van haar innea-lijke verzwakking, op den grond zou neerslaan. Het hoofdkenmerk nu van deze "Overheid ligt in het recht over leven en dood. Ze draagt als attribuut, volgens aposto^ lisch getuigenis het zwaard, en dat zwaard heeft drieërlei beduidenis. Het is het zwaard der gerechtigheid, om den misdadiger aan den lijve te straffen. Het is bet zwaard van den oorlog om de eer en het recht en het belang van den. Staat tegen den vijand te verweren. En het is het zwaard van de orde, om binnenslands gewelddadig verzet te keer te gaan."*')

Kort gezegd: „In de gezagssfeer van den Staat dwingt ze (de souvereiniteit n.l. G. V.) mechanisch, d.i. uitwendig met den sterken arm; in d© gezagssfeer van het maatscliappelijk leven dwingt ze organisch, d.i. door moreel en inliaerent overwicht En terwijl beide alzoo met een eigen karakter tegen elkander overstaan, vertoont het huisgezin alleen een vermenging van beide. Goede ouders heerschen moreel, maar handihaven ook in het uiterste geval de tuobt." *8)

De zwaard macht, die alleen aan de souvereiniteit in den Staatslcring toekomt, maakt de Staat zoo gevaarlijk voor de overige kringen. De Staat kan met geweld dwingen!

Toch meene men niet dat de overige kringen weerloos zijn! De Staat kan niets zonder de personen! En in wat voor richting hij gaat, hangt voor een groot deel af van de begrippen die heerschen, van het rechtsgevoel jn de consciëntie, van de trouw en de eerlijkheid der pubMeke opinie. Daarom moet de pubMeke opinie worden gevormd op lagere en hoogere scbolen. Het moet aan het opkomend' geslacht worden ingeprent, dat het recht der levenskringen bestaat en heilig is, wijl aan Gods ordinantie ontleend. Aan deze begrippen moet heerscliappij worden hergeven in gesprek en geschrift En als aldus in de consciëntie dat recht der kringen onwrikbaar vast ligt, dan zal die consciëntie een onneembaar bolwerk zijn tegen het despotisme van iedere staatsalmacht. *')

Wat is alzoo een souverelne kring ?

Het is uit 'het bovenstaande duidelijk^ dat de visie op de „souvereiniteit in eigen kring" voor een groot deel is geboren in de worsteling met de staatsalmacht De term duidt dan ook vóór alles aan een staatsrechtelijk begripi De uitdrukking duidt immers vóór alles een werkeMjkheid aan, zooals die in de verhouding tot den Staat optreedt en als zoodanig in het Staatsrecht moet besproken worden. Kuyper spreekt dan ook van „souvereiniteit in eigen kring" als van een rechtsterm, het is een „Staatsrechtelijk ci'^edk> ". Hij voegt er dan bij — dit even terloops — dlat' de formule niet van hem maar van Groen vait Prinsterer afkomstig is. *")

Toch zou het zeer oppervlakldg zijn, hierbij te bUjven staan. Wie in Kuypers leer in dezen niet meer zou zien dan de teekening van een juridi^ sche figuur, geeft Mijk van wel zeer weinig doorgedrongen te zijn in Kujypers beschouwingen over deze kwestie. J

Op allerlei wijze blijkt overdüideMjk, dat Kuyper met zijn leer der souvereine levensltringen veel meer bedoelde, dan iets dat alleen bij' de afbaketning der staatsgrenzen van belang zou zijn. Kuyper geeft hier een beschouwing, die het gansöhe leven van Gods geschapen wereld betreft!

van Gods geschapen wereld betreft! Als we nader gaan ontleden, wat Kuyper ondter de souvereine kringen verstond, zal ons dit duidelijk worden.

Vooraf IS het goed na te gaan, wat Dr Kuyper zooal als , 'Jkring met eigen souvereünteit" ziet en noemt. Dit nagaan is een moellij'k werk, oimdat Kuyper ten aanzien van deze kwestie zich' zelf niet steeds gelijk blijft.

Nemen we b.v. een der laatste studies van zijn hand over ons onderwerp, n.l. idie te vinden is in „Het Calvinisme" ^^i), dan blijkt, dat Kuyper daar den term , , souvereiniteit in eigen kring" uit^ sluitend bezigd voor wat hij op die plaats noemt: de maatschappelijke kringen. Reeds aanstonds bij het begin der rede, waarin hij over dezie dingen spreekt, zegt Kuyper, dat er drieërlei a f geleide souvereiniteit op aarde is, n.l. loi. de .souvereiniteit in den Staat, 20'. de souvereiniteit in de kringen van het volksleven, en 3'o. de souvereiniteit in Christus' kerk op a ar da En later vinden we nog uitspraken als deziej: „Zooveel over de Souvereiniteit in den Staat; komen we thans tot de Souvereiniteit in' eigen kring". En naast deze beide soorten souvereiniteit plaatst hij de souvereiniteit in de kerk: „de Overheid ontving slechts een beperkte taak, die door de souvereiniteit in eigen kring en niet het minst door de souvereiniteit van Christus in Zijn kerk, begrensd wordt"

Op alle andere plaatsen evenwel, waar Kuyper kringen met „souvereiniteit in eigen kring" opsomt, rekent hij de berk daar ook onder! Terwijl in de bekende inwijdingsrede ook van den Staat nadrukkelijk gezegd wordt, dat hij „souvereiniteit in eigen kring" bezit. ^2)

Nergens geeft Kuyper bovendien een opsomming van souvereine levensltringen, dlie den Jaidruk maakt van een volledige te willen zijn.

Kuyper noemt wel telkens een aantal, als hij! over de souvereiniteit in eigen kring spreekt, maar hij laat steeds duidelijk merken, dat er z: .i. nog veel meer kringen zijn dan dei genoemde. In zeker wel wat al te sterk oratorische overdrijving, roept hij bij de opening der Vrije Universiteit zijn hooi'ders zelfs toe, dat ze toch erkennen zullen „|dat er, zoo talloos als de starrenbeelden aan het firmament, aUerlei kringen in het leven bestaan!" ^^j*- We vinden in den loop der jai"en, in verselhSl-^ lende publicaties de volgende kringen meÜ name genoemd: huisgezin; familie; stad (dorp, vlek, ge-' meente); provincie; kerk; Wetenschap (school, universiteit); kunst (kunstacademie); het paedagogisclie leven; landbouw; nijverheid; handel; sdieepvaart; (deze laatste vier ook samengevat onder: bedrijf); barmhartigheid. Maar naast deze .alle noemt Kuyper ook nadrukkelij'k de persoo'n en in die persoon dan weer zijn denken, zijn consciëntieus) en zijn geloof (het geloof is aelfs „de diepste spil waar alle Souvereiniteit in eigen liring op rust"), s*) Ook zoo' zijn we er nog niet, W"ant we treffen als eigen kringen ook nog aan de (wel wat ondefinieerbare) maatschappij en zelfs , , de natuur" !^^) En alsof de veelkleurigheid nog niet groot genoeg is, booren we Kuyper een pleidooi houden hiervoor, dat ook het „Gereformeerde beginsel" een „souvereiniteit in eigen krmg bezit." Aan de verdediging van deze stelling wijdt

Kuypea- zelfs het dei-de deel van zijn rede van 20 Oct. 1880.

Zoo is er wel velerleii variatie ku dafgene wat met den naam „kring" wordt benoemd! Er zijn bij: levensverbanden van allerlei soort als gezin, gemeente, kerk enz.; dan personen; voorts krachten, hebbelijkheden, vermogens ('t woord doet er nu niet toe) \ka personen als consdëntie, denken, geloof; eindelijk zelfs beginselen (want ook niet-gereformeerde beginselen hebben natuurlijk een eigen souvendniteit). En o(ader deze rubrieken kunnen we nog niet eens aUes „vangen". 'tWo|Ord kring is dus wel zeer rekbaar, 't lij kt bijna op een passe-partout. ^s)

Uit deze weinig „einheitliche" aanwending van het woiord „kring" blijkt wel, dat Kuyper geen streng-wetenschappelijke, door één prindpe bebeheerschte leer van de souvei-eine levenskrin^m heeft gegeven. Wat we bij hem vinden is veel meer resultaat van een rjjke, ongelooflijk vruchtbare, geniale intuïtie.

Dat blijkt ten overvloede ook nog! als we er op letten, dat Kuyper tweemaal een proeve van indeeling der kringen heeft gegeven. Beide geheel van elkander verschillend.

De eerste proeve is uit 1873. ^'^ In dat jaar oaidersdieidt Kuyper twee reeksen van kringen. „In den engsten zin wordt zulk een kring voor de eerste reeks gevormd door een persoon.'*)" „Een tweeden kring vormt het huisgezin, een derden de familie, een vierden stad of vlek, een vijfde eindelijk de provincie." Hier is dus de voortschrijding van den kring, die één persoon omvat naar kringen die al meer personen en gemeenschappen van personen omvatten.

„De tweede reeks richt zich niet naar den persoon des menschen, maar naar zijn levensu i t i n gj en dscht een dgen levensfcring voor zijn godsdienst (de kerk), voor zijn geest (school en universiteit), voor zijn schoonhddsgevoel (kunst), voor de voortbrenging der grondstoffen (landbouw), voor haar berdding (nijverhdd) en voor haar verspreiding (handd)." ^^)

De tweede proeve vinden we in „Het Calvinisme", verschenen in 1898. "o) Het verdeelingsprincipe is daar de wijze, waarop de souverdniteit in dgen kring zich doiet gelden. N.I. , 4o in de persoonlijke sfeer door de souvereiniteit van het genie en de persoonlijke meerderhdd, 2o in dö corporatieve sfeer der universitdten, gildien, genootschappen, enz., 3o in den doimestieken kring van het gezin en hel; huwelijksleven, 4o^ in de gemeentelijke autonomie."

Ook hier diis geen eenheid van gedachte, maar verdfeeUngen die elkaar kruisen.

De kringen zUn „levens"-kringen of „levens"-sferen.

Wij zullen nu trachten wat dieper in het eigenaardige der Imngen door te dringen. Natuurlijk houden we ons daarbij strikt aan wat 'Kuyper zelf geschreven heeft. We willen alleen zijn kijk op deze zaak weergeven.

ZooaLs gezegd, ligt in het begrip „souverdniteit in eigen kring" voor Kuyper veel meer dan de teekening van een werkelijkheid, die uitsluitend zou liggen op het gebied van het recht; veel meer dus dan de aanduiding van een staatsrechtelijk fenomeen.

Dat blijkt reeds aanstonds hieruit, dat Kuyper nadrukkelijk zegt, dat de afzonderlijke Staatskring d© goede op elkaar werking der velerlei kringen heeft mogelijk te maken, voor zoover ze uittreden naar het zichtbare, en ook, dat de Staatssouvereiniteit de onderlinge rechtsverhouding der zichtbare levenskringan bepaalt.") De Staat komt dus maar met een openbaring, een „zijde" der levenskringen in aanraking! Wel is deze onderschdding tusschen het „zichtbare" en het „onzichtbare", dat in deze gedachtenlijn daar vanzelf achter ügt, niet overduidelijk, maar zij zegt toch wel, dat de aanraking met en dfe verhouding tot den Staat slechts één van die verschijnselen is en niet meer, die zich in het leven der afzionderlijke kringen openbaren. De term „souvereiniteit in eigen kring" moge ontstaan zijn in de orienteering van de verschillende kringen aan den Staat, wat deze uitdrukking ten diepste aanwijst is veel meer dan een afgrenzing t.o. de Staatsmacht.

Dit blijkt bovendien hieruit, dat de kringen niet alleen „souverein" zijn in betrekking tot den Staat, maar evenzoo en niet minder in de verhouding bot elkaar. De wetenschap bezit „souvereinitdt in eigen kring" ook ten aanzien van de kerk en omgekeerd.

Bovendien Mgt, naar Kuypers overtuiging, die idee van „souvereiniteit in eigen krinig" ook ten grondslag aan geheel de presbyteriale kerkorde, zooals die in kerken welke Calvijns invloed ondergingen, wordt gevonden. Daarbij, is van Staat of Staatsinvloed zeker wel geen enkel spoor te onfidekken!

En — wat het sterkste spreekt — de nietstatelijke kringen zijn primair tegenover dien van den Staat. En dat zoowel wat de tij dsordo als de waarde betreft. Kuyper betoogt immers, dat de „souvereiniteit in dgen kring" van deze kringen in de ordening der schepping hgt en dat ze er eerder was dan de Staatssouvereiniteit. In alle kringen buiten den Staat is. „schep- P'ingsleven". De Staatssouvereiniteit is pas gekomien na den zondeval. Ze is imm^ers het middel in Gods hand om het door de zonde gederailleerde leven der verschillende kringen zoover haar taak dat toelaat en het in haar. vermogen ligt, in belt rechte spoor te houden. Ze is de stok bij de plant, daar geplaatst om de .groei van de geschonden plant zooveel mogelijk te bevorderen, ^l)

Indien nu nid maar een jm-idische werkelijkhdd m laatster en diepster instantie met dien term wordt aangeduid — wat bedoelt ze dan aan te wijzen?

We kunnen deze vraag ook anders süellen: Er zijn allerld werkelijkheden, verschijnselen, gemeenschappen, in de schepping reeds gegeven, die „souvereinitdt in dgen kring" bezitten, wat maakt ten slotte dat ze die souvereinitdt van God ontvingen? Wat is de eigenlijke grond voor het fdt, dat die werkelijkheden, verschijnselen, gemeenschappen een „kring" vormien en in die kringen een eigen „souvereiniteit" is gelegd?

Voor de beantwoording van deze vraag is liiet van belang erop te letten, dat Kuyper doorloiopend spreekt van „levens kring en", of oiok van „levenssferen"."^a) Deze woorden komiönzeer vaak voor, telkens wanneer hij over de souvereinitdt in dgen kring handelt. Er zijn, zoo zegt hij, levenskringen, die zich niet willekeurig, maar naar eisch van (iods ordinantie vormen. In eiken kring vinden we een dgensoortig „leven", een bepaalde „levensuiting". In dken kring , , openbaart" zich een bepaald „leven". In de Isringen buiten den Staat vinden we „levensuitingen" der Maatschappij. 63) Er zijn „organen", „organisatiën", waarin dit maatschappelijk leven zich „uit". Dit zijn alle eigen uitspraken van Kuyper, te vinden in de reeds boven gegeven citaten.

Hoe Kuyper dit alles bedoelt, is uit zijn werken niet modlijk op te maken. De meest bekende figuren, aan welke Kuyper „souverdniteit in dgen kring" toekent, zijn bepaalde gemeenschappen als: kerk; gezin; wdenschap (universiteit); kunst; bedrijf enz. En nu wijst Kuyper er met nadruk op, hoe al deze kringen hun ontstaan danken aan een bepaald scheppingsgegeven, waardoor in de ontplooiing van Gods schepping, die kringen, onder Zijn voorzienige Idding „vanzelf" ontstaan. Er kom'en dan in die wereld bepaalde „organen", „organisation" (zoo noemt Kuyper de „kringen" ook wel) en die „zijn dan niet van menschelijke vinding, maar in het wezen der dingen gegrond en dus van God geschapen". «*)

Kuyper teekent zelf nauwkeurig hoe dat bij de verschillende kringen toeging. „Uit de tweeheid van man en vrouw komt het huwelijk op. Uit het eerst voorkomen van één man en ééne vrouw de monogamie. Uit het ingeschapen voorttehngs'vermogen komen de kinderen". 'En aldus vormt zich uit deze scheppingsgegevens de kring van het gezin en dan daarna als vanzelf de kring der f amiUe. ^6)

Alle wetenschap is „niets anders dan de aanwending van het ons ingeschapen onderzoeldngsen denkvermogen op den kosmos, en de kunst niets anders dan de natuurlijke productivitdt van ons verbeeldingsleven." f")

Zoo is er een Kerk „wijl het God behaagd heeft, den mensch behoefte aan godsvrudht en aanbid^ ding in te scheppen." s') Het vermogen in den mensdi gelegd en de taak hem gegeven om grondstoffen uit de aarde voort te brengen leidde tot de vormingi van den kring van den landbouw; dte aanleg die grondstoffen te verwerken tot den kring van de nijverheid; de kunst van en de nooidzaak om ze te verspreiden lot den kring van den handd.,

Later spreekt Kuyper over deze, in de schtepr ping des menschen gefundeerde, levensuitingen, als van „1 e V e n s f u n c t i ë n". ^'a) Het intellectueel, 't ethisch, 't religieus en het aesüietisdh leven beschikken elk over een eigen sfeer, zoo bdoogt hij'. , , Deze sferen nu loopen evenwijdig en mogen daarom niet de eene uit de andere worden afgeleid. Het is éénzelfde beweging, éénzelfde drang, éénzidfde ünteling in den mystieken wortel van ons aanzijn, die in deze vierderlei vertakking openbaring naar buiten zoekt." Elk van deze „levensgebieden" heeft de voor dit ^gebied gestelde grenzen te eerbiedigen. En het menscheUjk leven gedijt dan in hoogere harmonie als de ontwikkeling van al onze „levensfunctiën" een evenredige is.

Kuyper geeft van harte toe „dat de zonde, , gestuit door de „gemeene gratie", , in deze onderscheidene levensuitingen velerlei wijziging aanbracht, die eerst na het verloren paradijs opkwam en straks weer ondergaat als het rijk der heerlijkheid komt", maar „toch is het grondkarakter van deze levensuitingen gebleven wat het oorspronkelijk was. Het is altegader soheppingsleven naar scheppingsordinantie, en dies organisch zicih ontwikkdend." «s)

Wanneer men nu de visie van Kuyper op de „levensuitingen" van het „scheppingsleven" in dte verschillende „levenskringen" verstaat en men houdt tegelijk vast, dat Kuyper deze leer in den feilen kamp tegen het Staatsalvermogen ontwikkelt, dan kan men gemakkelijk verstaan, dat hij tot die opsomming van kringen kwam, welke we boven weergaven.

Van de verschillende levensverbanden als gezin, kerk enz. is dat na het bovenstaande wel duidelijk. Maar dat Kuyper er toe kwam ook aan de conscientie, het geloof, het denken nadrukkelijk een souvereiniteit in eigen kring toe te kemien, valt nu óók te verstaan. iZe zijn ook „levensuitingen" van het leven der menschen. Ze zijn ook, of staan in ieder geval in verband met, , , scheppingsgegevens". En ze moeten ook tegen de alles usurpeerende Staatssouvereinitdt worden afgebakend en verdedigd. Ook het poneeren van den souvereinen levenskring van den „persoon" is nu verklaarbaar. Met de oonsdenüe als middenpunt heeft die persoon — een schepsel Gods! — een zekere mate van souvereiniteit en onschendbai'e vrijheden, die de Staatsmacht niet mag aantasten, ^s) Dat „de natuur" eveneens een lering is, naar Kuypers beschouwing, behoeft evenmin te verwonderen! Ook hier weer een „scheppingsgegeven" met een eigen „leven". Ook hier weer een grens voor de Staatsmacht! Kuyper wijst er nadrukkelijk op, dat bijvoorbeeld de armoe of de rijkdom van den bodem grenzen vormen voor de Staatsmacht! En wat de barmhartigheid betreft, die ook onder de kringen wordt genoemd, is hier niet eveneens een „levensuiting", n.l. de liefde tot den naaste, en was niet reeds Groen doodsbenauwd voor een Staat, die naast opperschoolmeester ook opperdiaken wilde zijn?

Zelfs voor den Staatskring is het verband met een „scheppingsgegeven" vast te houden. Kuyper wijst er immers op, dat ook buiten de zonde de behoefte zich zou geopenbaard hebben om de vele gezinnen in hoogere eenheid sam'en te vatten. Die hoogere eenheid zou innerlijk geboiv den hebben gelegen in het koningschap van God, dat regelmatig, regelrecht en harmonisdh in aller hart en aller leven zou hebben geheerscht. Uitwendig zou die eenheid zich belidhaamd hebben in de patriarchale hiërardiia Er ziou zoo. een

•wöreldrijk onder God als koning zijn geweest. Door de zonde is evenwel gekomen de veelheiicl van Staten, en in die Staten niet een organisch gezag, maar een overlieid, die als mechanisclï 'hoofd van buiten op de Yolksromp is gezet en nu heerscht met het zwaard; '°) Tooh is er aldus in de tegenwoordige Staatsmacht een zekere analogie met een moment ïn het onzondige „scheppingislevem" te ontdekken, hoe alles ook veranderd is door en tengevolge van de zonde!

't Ligt tenslotte volkomen in de lijn van Kuypers 'denken ook voor een beginsel souvereiniteill in eigen kring te postuleeren. Een| werkelijk beginsel toch dringt in den wortel van het leven ©n geeft aan alle ievensuitingen en levenskringen een totaal ander aspect, zet ze onderling in totaal ander verband en geeft ze een totaal andere richting. Door dit verschil in beginsel ontstaan verschillende „wetenschappen", roomsdhe, gereformeerde, evoluüonistische enz. Evenzoo' verschillende kunststroomingen, „kerken", enz: . Ten slotte vormen zich in een volk als vanzelf verscliillenide kringen van menschen, die door eenzelfde beginsel worden beheerscht. Dit geschiedde b.v. in het Reveil der vorige eeuw. Daardoor ontstond' vanzelf een eigen kring, waarin een ander Souverein dan de aardsche macht werd aangebeden, 'i)

Kuyper zegt met nadruk, dat hij bewust bedoelt zulk een kring in het volksleven te vormen. Geen factie, d.i. een gemaakte groep; geen fractie, di. een afgebroken stuk; maar een volkspartij, een violksdeel, dat den Messias huldigt, de pars Christiana, baars ondanks een. nationale partij. En dan met geen ander doel, dan om door dlat tijdelijk „deelen" van het volk, , weer de heerlijke volkseenlieid te bezielen voor hooger ideaal, 's)

„Ik bedoel", zoo schrijft hij in 1892's), „met het oog op onzen strijd, dat zij die nog geloof hebben en het gevaar van de verflauwing der grenzen inzien, beginnen moeten met een grens om^ hun eigen kring te trekken; binnen in dien kring een eigen leven moeten ontwikkelen; van dit aldus gevormde leven zich rekenschap heb'ben te geven; en alzoo eerst opwassen kunnen voor den strijd, die eenmaal aanvaard moet." Kuypers ideaal is: „een eigen levenskring op den grondslag der P a 1 i n g a n e s i e en een eigen levensbeschouwing, dank zij het Hcht, dat dte Heiüge Geest op den kandelaar der Schriften ontsteekt."

Ook deze kringen hebben een eigen souvereiniteit om zich „uit te leven". De Staat moet ze ir» hun levensactie „vrij" laten. iWat in het volksleven opkomt en niet strijdt met zedelijkheid en recht, moet door de Staatssouvereiniteit worden geëerbiedigd!

Goed moet evenwel worden ingezien, dat dit soort „kring" van gansch anderen aard is dan de eerstgenoemde. In de eerstgenoemde hebbein we kringen door God zelf geschapen. Kringen die 1 eVenskringen, levenssferen zijn. In elk daarvan gist en uit zich ©en bdzonder soort leve n, dat in de schepping gegrond en dus een s c h e ph pingsgegeven is.

De kringen zün „wets'-kringen of „wets"-sferen.

Wij willen nu een andere kenmerkende eigenaardigheid der souvereine levenskringen bespreken. En we doen dat weer ter beantwoording van de vraag: wat maakt ten slotte, dat allerlei werkelijkheden, verschijnselen, gemeens dhappen een eigen „kring" vormen en dat in die kringen een eigen, souvereaniteit is gelegd?

Het eerste antwoord, dat we Dr Kuyper hoorden geven, was: in de kringen wordt een eigensoortig leven aangetroffen, door God zelf geschapen en doior Hem in kringen georganiseerd. Het tweede antwoord luidt: de kringen zijn daaromf kringen met een eigen souvereiniteit, omdat God een eigen w e t in die kringen heeft gelegd, voor alle kringen verschillend', waaraan die kriiigen moeten gehoorzamen op straffe van schending van hun eigen aard.

We zullen dit uit Kuypers geschriften aantoonen. Boven werd er reeds de aandacht op gevestigd, dat Kuyper er op' wijst, dat God voor alle schep'selen een wet heeft gesteld. In de volle, absolute souvereiniteit, die God alleen bezit, lag immers ook dit, dat Hij souverein de wetten bepaalt, die de werking der schepselen beheerschen en hun verhouding tot elkaar. Wie daarom in ernst betoogt, dat God Souverein is over alles wat bestaat, zegt daarmede tegelijk, dat God wetten stelde voor alles wat bestaat. Ja, wie van êe volle, diepe Souvereiniteit Gods alleen maar dit zou zien, dat God over de wereld regeert, erkent zelfs daarmee nog, dat God wetten stelde voor alles wat in de wereld is. Want „'het begrip regeeren is altijd gebonden aan het begrip wet, want alle regeeren onderstelt een wet." '*)

Prachüg is de wijze, waarop Kuyper schildert, hoe God wetten stelde en wetten handhaaft over gansch den kosmos.

„Is God werkelijk God, , dan gaat van Hem ook aUe rechtsbepaling uit, en blijft ons niets anders, dan met heiligen eerbied naar den weg te vragen, die ons tot de meest zuivere kennis laden kan van wat God' almachtig, krachtens den aard van Zijn Ihoogheerlijk Wezen, tot .recht voor heel Zijn schepping, tot eeuwig recht voor alle creatuur gestempeld heeft.

Mogen we dit nu „ordinantiën Gods" noemen, dan volgt hier uit, dat er ordinantiën Gods zijn voor den bodem en het klimaat; ordinantiën Gods voor de producten en hvüpbronnen: van ons land; ordinantiën Gods voor de idieren waiarover we heerschappij ontvingen. Maar ook ordinantiën Gods voor ons mens ch e lijk leven, zoo voor ons lichaam als voor onzen geest, voor de ontwikkeling van al onze menschelijke vermogens, voor de verhoudingen van bloedverwanten en magen, voor handel en bedrijf, voor onze roieping en be^ stemming als natie, 'kortom dat er een wil, een bevel, een ordinanüe des Hearen is voor alles, waarbij onder menschen zich twee meeningen tegelijk als mogelijk voordoen, om alsdan krachtens de vaste begüiselen, die uit Zijn heilig Wezea voortvloeien, de eene mogelijkheid goed', de andere af te keuren."'6) '

Of, om het nog scherper enj bondiger uit een twintig jaar jonger geschrift te hooren:

„Wat nu is voor den Calvinist het geloof in die ordinantiën Gods? Niets anders dan de onwrikbaar in het hart gefundeerde overtuiging, dat alle leven eerst door God uitgedacht, en eerst daarna door God verwezenlijkt is, en dat deswege in alle geschapen leven een van God voor dat leven bestelde wet hgt. Geen leven buiten u in de Uia, tuur, of in- dat leven ordeningen, die men thana natuurwetten noemt, een woord dat we aannemen, mits er niet wetten van de natuur, m'aar wetten voor de natuur onder verstaan worden. Evenzoo ordeningen des hemels voor het firmament daarboven, en ordeningen der aarde beneden, wiaardoor die aarde staan blijft, omdat, gelijk de Psalmist zegt, die ordeningen Gods knechten z ij n. Alzoo dus ook ordeningen Gods voor mijn lichaam, voor het bloed, dat door mijn aderen stroomt en voor de ademhaling der longen. En zooi voortgaande, ordeningen Gods voor mijn denken in de logica, ordeningen Gods in mijn verbeeldingsleven op aestheüsch terrein, en zoo ook ordeningen, ordinantiën Gods voor alle mensoheUjk leven op zedelijk gebied."''^)

Als Kuyper nu zoo over heel het gesoha, pen wereld- en menschenleven den boog van Gods veelsoortige wetten ziet gespaiinen, dan spreekt het vanzelf, dat ook in de levenskringen door God wetten zijn gelegd, geldende binnen die kringen. Niet alleen is dit een consequentie uit wat we van Kuypers wetsopvatting weergaven — neen Kuyper zegt dat bovendien nog telkens en telkens weer in klare, duidelijke taal. We zullen weer enkele uitspraken afschrijven.

God riep' heel het bonte leven van volken, gezinnen en personen in het aanzijn „naar zijn vrij-machtig welbehagen, zonder aan iets gebonden te zijn dan aan wetten en Oirdeningen, die Hij zelf vooraf, naar den eisoh van Zijn eigen Wezen bepaald had. Bepaald had voor hun vleesch en bloed, maar ook voor hun hart en hoofd, voor hun smaak en gevoel, voor hun zedelijke en godsdienstige ontwikkeling."")

Er zijn „verschillende levenskringen, dde zich niet willekeurig, maar naar den eisch van Gods or din an tie in 't volksleven vormen."'«) „Elk dezer kringen nu heeft een eigen levens wet."'9)

„Ja, , er is niet één zelfstandige kring in het maatschappelijke leven, die niet zijn oorsprong en aanzijn, z ij n 1 e V e n s w e t en levenskracht... aan God dank weet". ^°)

Er is „een gebied der natuur, waarin de Souverein op stof door kracht werkt naar vaste w e t. Maar zoo^ ook een gebied des persoonlijken, des huiselijken, des wetenscliappelijken, des maatschappelijken en des kerkelijken levens, die aan een eigen levenswet gehoorzamen". „Een gebied des denkens, waarop geen andere wet dan die der logica mag heerschen." ^^)

, , Ook de wetenschap vormt een eigen levenskring, waarin de waarheid Souverein is, en onder geen omstandigheden schending of verkraahting van haar levenswet mag gedxdd."^^)

In al de soorten levenskringen heeft „de Overheid niet eigenmachtig haar ordonnantiën op te leggen, maar de ingeschapen levenswet te eerbiedigen." *3)

De grenzen tusschen de kringen mogen niet naar willekeur worden getrokken — neen, „de aard van het leven, in elk dier kringen zich openbarend, beslist dit volgens een wet, in dat leven door God zelf gelegd." 8*)

Het niet erkennen van die levenswet is krenking van het leven, meer nog: zonde tegen God. Als de .wetenschap verkrachting van haar ievehswet duldt, dan is dat „niet slechts de wetenscthapi onteeren, maar zondte voor God."*^)

Ja erger: „het niet rekenen met de 1 evenswie t der maatschappij in haar ondersch'eideiie kringen is een betwisten van den oorsprong dezer levenskringen aan God." «e)

Er behoeft dus geen zweem van twijfel over te blijven: Kuyper ziet in elk der levens kringen een eigen levenswet, waaraan het leven in die kringen, naar Gods wil, gebonden is.

We kunnen en moeten zelfs nog een stap verder gaan. Voor Kuypers besef is deze levenswet het typeerende van lederen levenskring. In die wet hgt als het ware de oorsprong van het eigen karakter, dat het leven in iederen kring bezit en die wet is zoo. tevens de „beschermster" van het eigenaardige, souvereine leven in den kring. We moeten daarbij vasthouden de mooie diepe opvatting van wet, die Kuyper verdedigt! Die wet is immers niet een verzameling van artikelen van een wetboek; ook niet een stel regelen, die ik in een boek lees; evenmin de codificatie van het leven, die ook maar één oogenbhk buiten God autoriteit en vastigheid zou bezitten, neen die wet is „de constante wil van den alomtegenwoordigen en almachügen God, die op elk gegeven oogenMik het zoo verordent en het zoo. bestelt."*')

Aan een typische wending in Kuypers redeneergang is zooi verrassend duidelijk te zien, dat hij inderdaad' de levenswet het typeerende kenmerk der levenskringen acht.

In , , Ons Program" b.v. geeft Kuyper een uitvoerig betoog, dat de levenskringen van wetenschap, kunst, huisgezin enz. onafhankelijk zijn van den Staat. Stuk voor stuk toont hij; dat vaa de afzonderlijke kringen aan en dan komt hij tat deze conclusie: „Kortom, zoodra men zidh van het Staatsterrein in het gewone leven begeeft, leeft de overtuiging op aller lippen dat hier allerwegen wetten(!) gelden, die door den Staat niet gesteld zijn en waarmee de Staat niets van doen heeft; wetten die, veel onschendbaarder en heihger dan de Staatswet zelve, op een nog hooger Wetgever heenwijzen; en die, ook al neemt men slechts de denkwetten der logica, een macht tegenover den Staat vormen, waartegen de Staat niets vermag." «s)

't Merkwaardige is, dat Kuyper zóó maar van de levens kringen op de levens wetten overspringt en daarna weer met de levens kringen verder gaat. De volgende zin luidt immers: „Staatkundige macht hebben deze levenskringen (!) geen grein". Juist in dit vanzelfsprekende, gansch niet opzettelijk bedoelde afwisselen van het woord „lering" met bet woord „wet" in één betoog bewijst wel zeer stringent hoe nauw' de band tus; ' schen die beide', voor Kuypers bewustzijb, is. 'n Paar' jaar later vinden we weer precies het zelfde, en weer in een conclusie:

„Kort saamgevat: het souverein geziag in poJiüeken zin, dat op aarde onder de volken worct uitgeoefend, moet in juiste harmonie saamwerken met de wette'n(!), die het menschelijk leven beheerschen; met de wetten die lucht en land en stT'OO.m en het leven van het dier regelen in hun machtsontwikkeling; met de wetten, die de historie van ons volli en andere natiën geleid! hebben; en eerst wanneer geheel dat samenstel van wetten, — daaronder begrepen, die vo-or ons denkend (de logica), willend (de zedelijkheid), geivoelend (de aesthetica) en eeuwig (de godsdienst) leven, — in juist en behoorlij'k verband op elkaar werken, loopt geheel het rad des levens majestueuselijk om den spü der Souvereiniteit." 89)

Zoo loopt'dus parallel aan de vele levenskringen, door God in het leven gewild en gieorganiseerd, een veelheid van wetten; voor eiken kring een eigenaardige wet. Of liever: voor eiken kring een eigenaardige veelheid en eigensoortige wetteni die het leven in dien kring beheerschen. Er zijn wetten voor het huisgezin, wetten voor het staatsleven, denkwetten enz.

En als we nu zien, dat Kuyper de verschillende kringen met eigen souvereiniteit „levenskringen" of „levenssferen" noemt, omdat in elk ervan een eigensoortig „leven" wordt aangetroffen — ligt het dan niet in de lïjn van Kuypers dmken diezelfde kringen „wetskringen" of „wetssferen" te noemen, naar bet typeerende kenm'ei-k der verschillend geaarde wetten, die Kuyper zeil in die kringen aanwijst? Natuurlijk met (Mt voorbehoud, dat met die wets-kringen dan niet bedoeld zijn, kringen of groepen van (gelijksoortige) wetten, maar 1 e v en s kringen, die door een bepaalde wet of wettengroep worden beheerscht

De kringen zUn „gezags"-kringen of „gezags"-sferen.

Ten slotte vraagt nog één karaktertrek der souvereine levenskringen onze aandacht. 't Is een karaktertrek, die in het bovenstaanidie reeds uitvoerig is besproken, deze n.L, dat in lederen kring een eigen macht, een eigen g'ezag, een eigen souvereiniteit is gelegd door den

.Umachtigen God zelf. De uitoefening van Z, ijn macht, voor zoover God die aan menschen, aan ambtsdragers wilde toevertrouwen, ooncen, - Ireerde H|ij immers niet in één hand of één beistuur oï één levenskring, neen, H^ji distribueerde die macht over vele levenskringen, die onderling onafhankelijk zouden zijn, wijl alle, zonder tussohenschakel, rechtstreeks onder Gods souvereiniteit staan, zooals Hjj die over de wereld handhaaft door Jezus Christus. i

!W© hebben reeds gezien, dat Kuyper aan deze eigenaardigheid der kringen den term ontleent, dien hjj gebruikt om het verschijnsel van het bestaan der verschillend geaarde levenskringen te typeeren. Kuyper spreekt niet van „leven in eig'en kring", ook niet van „wet in eigen kring", hoewel deze termen in bet kader van zijn gedachten zeer goed zouden passen, maar van „soiuver e i n i t e i t in eigen kring". Zooals reeds werd opgemerkt vindt het kieaen juist van dezen naam, zDjn afdoende verldaring in de omstandigheid, dat in den feilen, rusteloozen strijd tegen het Staatsalvermogen, dat de grenzen der levenskringen wilde vernietigen, Kuypers oogen hoe langer hoe meer open gingen voor het bestaan en de beteer kenis van de onderling onafhiankelijke levenskringen.

Hier willen we er nu vóór alles even op wijzen, dat naar Kuypers beschouwing deze eigen souvereiniteit, al is ze naamgeefster geworden, toch niet een primaire, maar een secundaire eigenschap der kringen is. M.a.w.: het is niet zioo, dat de kringen souverein zijn en daéirom een eigen leven en een eigen wet hebben — maar omgekeerd: omdat de kringen een eigeU' leven in zich bezitten en onder een eigen wet of weltenreeks staan, daarom zijn de kringen souverein, of — wat de keerzijde van deze eigen souvereiniteit is — daarom hebben ze eigen rechten en vr'ijheden t.a.v. de andere kringen.

Ten bewijze van deze bewering wijzen we er allereerst op, dat Kuyper macht ziet uitoefenen door de wetten. Het bestaan der wetten (als de constante wil van den Levenden God) brengt met zich mee: uitoefening van macht. „Er wordt gezag uitgeoefend door de natuxu-wetten op de stof". „Er bestaat op het gebied van het denlsen een denkwet, een macht der logica, die de vorming van elk oordeel moet beheerschen." Zoo'di-a er wetten komen, vindt machtsoefening plaats. "Wetten gaan dus logisch aan machtsoefening vooraf. Bovendien wijzen we op uitspraken als: „Elk dezer kringen nu heeft een eigen levenswet, een eigen afgebaliend terrein en maakt DERHALVE (!) aanspraali op rechten en vrijheden, niet als gunsten door goedwilligheid verleend, maar als.eisch om de hem van God gegeven levenswet te vervullen." 90)

Er is een kring des zedelij ken, een kring des huiselijken, een kring des maatschappelijken levens „elk met een eigen gebied, en OMDAT (!) ze een gebied vormen, met binnen den omtrek van dat gebied een eigen Souverein." "i) Bij de souvereiniteit UI eigen kring gaat het over de Maatschappij, „maar onder deze nadere bepaUng, dat die Maatschappij niet als mengelmoes worde genomen, maar ontleed in haar organische deelen, om in elk dier deelen het hun toekomend zielfstandig karakter te eeren. In dat zelfstandig karakter openbaart zich NOODZAKELIJKERWIJZE (!) acr zag." 92)

De kringen hebben dus voor alles een eigen leven, een eigen wet, een eigen terrein, een eigen zelfstandigheid en ten gevolge daarvan een eigen souvereiniteit.

Een tweede punt, dat hier nog aan de orde komen moet, is Kuypers teekening van de wijze waarop dit gezag in de verschillende kringen tot gelding komt, wie in de kringen de gezagsdragers zijn en hoe bet gezag door hen wordt uitgeoefend. Ook hiervan is boven reeds iets gezegd, toen het verschil tussdhen den aard van het gezag in den Staat en van het gezag in de overige kringen op verschillende wijzen werd onderscheiden. Nu nog alleen dit, dat Kuyper het „organischsociale gezag" der levensla-ingen op vierderlei manier tot gelding ziet komen.

lO'. In de persoonlijke sfeer door de souvereiniteit van het genie en de persoonlijke meerder^ beid. Het wetenschappelijke genie in mannen als Aristoteles, Plato, Lombardus en Thomas, Luther en Calvijn, Kant en Darwin is een souvereine macht, vormt school, grijpt met onweerstaanbaar overwicht de geesten aan en oefent onmetelijken invloed op de geheele gestalte van het menschelijk leven. Die sOuvereim'teit van het genie is een gave Gods, bij Zijn gratie bezeten./ Ze is alleen onderworpen en verantwoordelijk aan Hem, die dit geniale overwicht, schonk. Op het terrein van de kunst ziet men hetzelfde verschijnsel. Ook daar leggen de genieën gezag op, onderwerpen zich aan niemand, maar heerschen over allen. "Van de souvereine macht der persoonlijkheid geldt hetzelfde. „Er zijn zwakke, enghartige personen, met geen breeder vlarkgewip dan de huismusch, maar er zijn ook sterke, breede imponeerende karakters met den vleugelslag van den adelaar". Onder de laatsten zijh er die heerschen in hun kring, onversdhillig of men voor hen wijkt of hen tegenstaat, bij tegenstand meest nog krachtiger. Overal gaat dit door op ambacht, fabriek, beurs enz. Telkens blijkt de één machtiger dan de andere te zijn doori zijn persoon, talent, door de omstandigheden. Overal is een heersohappij, die organisdi werkt, niet krachtens ^'taatsinvesütuur, maar uit de souvereiniteit van het leven.

2o. Dit gezag laat zioh vervolgens gelden in de corporatieve sfeer van universiteiten, gilden, genootschappen enz. De universiteit bezit wetenschappelijke macht, de academie voor schoone kunsten bezit kunstkracht, de gilde beschikt over technisch vermogen, dte trade-union over arbeidskracht. En elk dezer kringen of oorporaüën is er zich van bewust op eigen terrein tot zelfstandig oordeelen bevoegd en tot ki-achtig handelen bekwaam te zijn.

3o. Achter deze organische kringen met intellectueele, aesthetische en teöhnische souvereiniteit ontsluit zich dan de kring van het huisgezin met zijn huwelijksrecht, huisvi^ede, recht van opvoeding en bezitsrecht, en ook in dezen kring is het natuurlijk hoofd zich bewust, zijn daarop rustend gcizag uit te oefenen, niet omdat de Overhead hem dat toelaat, maar omdat God het hem opdroeg. 'N^e hebben hier „den domestieken kring van het ^ezin en het huwelijksleven".

4o. Ten slotte is er naar Kuypers meening nog het locale Samenleven, dat in steden en dorpen een levenskring formeert, die uit de noodzakelijkheid van het leven opkomt en daarom autonoom in eigen boezem moet zijn: de gemeentelijke autonomie. 53)

Eindelijk nog even iets over een derde kwestie, het gezag der kringen rakende. Naar het oordeel van Kuyper is het leggen van een bepaalde macht door God in Zijn geschapen wereld niet beperkt tot de mensahelijke levensverbanden en personen. Neen, dit „leggen van madit in eenig schepsel door God zelf' is een verschijnsel dat in gansch den kosmos in al zijn geledingen is te ontdekken. „Er vloeit Souverein gezag uit God Almachtig naar alle deelen van Zijn schepping, naar al het geschapene; naar dampkring en bodem, naar plant en dier, naar 's menschen lijf en ziel, en in die ziel naar zijn denkend, voelend en willend leven; en voorts ook naar de maatscliappij in al haar organische liringen van studie en bedrijf; en ten laatste eindelijk naar het geslacht, naar het huisgezin, naar de samenwoning in dorpen en stedeni, en eindelijk, als naar den kring, die dit alles omvat en volledig beveiligen moet, naar den Staat."^'')

Over de wijze, waarop Kuyper zich de uitoefening van die macht buiten de souvereine levenskringen der menschelijke samenleving) over de machtuitoeferdng binnen deze kringen is reeds genoeg gezegd^ voorstelt, laat hij ons niet in het onzekere: „Er wordt gezag uitgeoefend door de natuurwetten op de stof. In die stof door de sterkere op de zwakkere elementen. Gezag geoefend door kümaat en bodem op de plantenwereld, en .in die plantenwereld door de wetten, die haar leven beheersohen. Gezag geoefend ook door de natuur op de dieren; in de dierenweröld door het ééne dier op het andere; in de huishouding van sommigen hunner door aanvoerders; en op allen door de mensch. En evenzoo nu grijpt er beheersching, machtsuiting, gezagsoefening plaats door en onder menschen, en in die menschenwereld weer op elk terrein. Er is een gezag, een macht, waaraan ons lichaam en in dat lichaam bloed en zenuwen te gehoorzamen hebben, op straffe van verarming en verzwakking. Er bestaat op het gebied van het denken ©en gezag van de denkwet, een macht der logica, die de vorming van elk oordeel moet beheerschen". „En al deze soorten van gezag nu worden (wat het wezen der zaak aangaat) ingesteld, in stand gehouden en geoefend, noch door overeenkomst, noch door wettelijke bepalingen, maar „alleen door God den "Vader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde", " ^^)

Zoo is dus het hebben en oefenen van macht en gezag geen uitsluitend privilege van de kringien der menschelijke levensverbanden en personen. We treffen dit verschijnsel aan in alle deelen en geledingen van den kosmos! Zooals overal in de schepping veelsoortig, eigen-aard-ig „leven" gevonden wordt, gebonden aan eigensoortige „wetten", zoo is er ook overal het hebben van een bepaald© macht en het uitoefenen van een zeker, altijd be^ grensd, gezag over en onder de schepselen. ' • ' A\ Vonden we als typeering voor de souvereine kringen allereerst de twee namen „levenskringen" of „levenssferen"; leidden we daarna uit Kuypers eigen betoog af de woorden: „wets- Isringen" of „wetssferen"; thans kunnen we dit dubbel dubbeltal aanvullen met twee nieuwe: de souvereine kringen zijn „ge z a g s kringen" of „gezagssferen". Beide namen worden door Kuyper zelf gebezigd. ^^)

De metbodologle van Het onderzoek der kringen.

Er is nog één, uiterst belangrijke, vi-aag in veii-band met ons onderwerp, die om- beantwoording roept, 't Is deze vraag: Hoe, langs welken weg, kwam Dr Kuyper tot de ontdekking van de souvereine levenskringen? Of anders gezegd, welke methode paste hij toe bij het onderzoek naar de verschillend© levenskringen? Allereerst om die verschillende levenskringen te ontdekken, ze vervolgens af te grenzen tegenover elkaar en eindeb lijk om het eigenaardig karakter van elk ervan te doorvorschen. Met andere woorden: Welke is Kuypers methodologie bij het onderzoek van de souvereine levensiiringen.

Reeds kwam ter sprake het feit, dat Kuyper de levenskringen vooral in zijn worsteling tegen den alvermogenden Staat heeft gezien. Maar deze omstandigheid kan niet meer dan aanleiding, stimulans zijn geweest voor dit onderzoek. De vraag naar de methode van onderzoek is bij de erkenning van het bestaan van deze aanleiding nog in geen enkel opzicht beantwoord.

Over dit vraagstuk der methode van onderzoek ontvangt men reeds aanstonds veel licht als men nagaat wat Dr Kuyper schrijft over de wijze, waarop wij de ordmantiën, de wetten Gods voor het menschenleven in al zijn veelvormigheid kunnen leeren kennen. Ordinantiên, of wetten Gods zijn er immers óók voor de levenskringen, zijn daarvan zelfs een fundamenteel kenmerk. En het onderzoek naar die ordinantiên wordt dus. vanzelf ook een onderzoek naar de wetten der levens.kringen, m.a.w. naar die levenskringen zelf.

Uitvoerig heeft Kuyper zich rekensdhap gegeven van den weg, die naar Gods wil kan leiden tot het ontdekken der wetten Gods voor al 't geschapene. Het ware natuurlijk voor ons, menschen, het gemakkelijkste, „indien het God beliefd ha^, om al deze ordinantiên in duidelijke uitspraak mede te .deelen.

Maar dit wilde Hij niet, en het voegt ons., in dat willen te berusten.

Integendeel, verreweg de meeste dier ordinantiên kunnen sleclits uit de zaken zelven worden opgemaakt, en voor wat het natuurlijke en stoffelijke leven van mensch en dier aangaat, is e m p i r i s c h onderzoek schier het eenig mogelijke; maar, haasten we ons er bij te voegen, wijl hier geen; menschelijke wil en dus ook geen zonde storend in het spel komt, ook bijna altijd voldoende.

Voor de eigenlijke moeilijkheid komen we eerst dan te staan, als we tot dat ander deel van het te regelen leven naderen, waarin die mensch©lijke wil wél meespreekt en het, behalve op de waarneming van zichtbare feiten, ook op een zichtbare conclusie aankomt.

Dan toch is het noodwendig gevolg van onzen zondigen toestand, dat we verkeerd waarnemen, onjuiste gevolgtrekkingen maken, en, ondanks de beste bedoelingen, afdolen van het spoor der ge^ rechtigheid.

Ook zóó blijft er dan onder de volken en vorsten nog wel een natuurlijk© Godskennis werken, ©n een zedewet in de conscientiën spreken, en ©en algemeen besef van wat schandelijk is de deugd beveiligen, maar ho© hoog ook deze steunsels der gerechtigheid te waardeeren zijn, tot de juiste kennis van Gods hoogere ordinanüën voeren ze niet." ")

In het algemeen is, naar Kuypers meening, de stelling onbetwistbaar, dat de wetten, die het leven beheerschen, zich in dat leven van zelf openbaren. 98) Al schilderend©, teekenend© ©n boetseerende hebben de kunstenaars de wetten voor het leven der kunst ontdekt. Het denken leert de denkwet kennen. Handel drijvende, heeft meSi de kunst van den handel geleerd.

Deze gang van zaken vloeit vanzelf voort uit het feit, dat God de wereld schiepi Hij heeft bij de schepping de ordinantiên voor het leven der menschen in dat leven ingeweven, en wel zoo, dat di© ordinantiên ©erst wel verborgen waren, maar bij voortgaande ontwikkeling van dat leven zich zelf zouden openbaren. Als waarn©mend en denkend wezen zou de mensch uit d© feiten, uit de werkelijkheid, di© ordinantiên kunn©n ontd©kken, om z© dan v©rder bewust in praktijk te brengen.

Toch blijkt op ieder gebied van het leven, dat deze methode van het aflezen der levenswetten uit de feiten zelf, in dezen tijd immer faalt. En de oorzaak van dat falen ligt in het machtige verscliijnsel der zonde.

Op tweeërlei wijs maakt het feit der zonde het leeren kennen van Gods ordinanüën voor het

leven, uitsluitend uit d'at leven zelf, omraogelijk.

Vooreerst kan het door de zondei verwrongen, gestoorde leven nooit de wet voor het normale loven openbaren. „Pathologie alleen zou nooit tot kennis, van 't gezonde leven leiden. Uit de valsche stemmen is de harmonie der tonen niet op te maken. In een krankzinnigenges, ticht leert men geen logica." Maar daarbij komt nu bovendien nog het feit, dat bet vermogen des menschen o-m dat leveai zuiver waar te nemen ges, chonden is, „Niet slechts de snaren op de harp zijn gesprongen, maar ook het muziekaal gehoor is vervalscht".

Als nu zóó de zaken staan, moet dan iedere waarneming van het leven, om daarin Gods ordinanliën voor dat leven te ontdekken gestaakt? En moet men die ordinantiën nu uitsluitend in Gods openbaring, zooals die gegeven werd in de Heilige Schrift, zoeken?

Zoo is, het wel betoogd door" de Wiederdoopers en Kwakers, , die b.v. in het staatsieven slechts een getrouwe copie van Israëlietische toestanden wilden geven en de Heilige Schrift opvatten als een codex voor Christelijk Staatsrecht. Calvinisten evenwel hebben deze uiterst gevaarlijke en onpractische theorie met afkeer als ongerijni'd ver- , worpen. De echte volgelingen van Calvijn ver^ klaarden steeds, dat uit het menschenleven nog veel van die orddnantiëin is te ontdekken, mits, naar het woord van Calvijn, de natuur, de ger schapen wereld, bekeken werd door den bril van de Openbaring Gods in de Heilige Schrift. De grondregels, de gi-oote verhoudingen, de beginselen, die het menschelijk leven onderling en in zijn verband! tot, den Hoogheiligen God beheerschen, worden in de Schrift geleerd. Maar we vinden daarin b.v. niet de kennis van de afzonderlijke d'eelen van het Staatsgeheel. Het saamrijgen van Staatswellen uit Schriftteksten noemt Kuyper een onzinnig bedrijf. Hij betoogt met nadruk, „dat zielkunde, volkenkunde, geschiedenis en statistiek ook voor ons gegeven zijn, die, mits bij het licht van Gods Woord, de regelen voor het Staatsbeleid moeten bepalen."

Staat nu vast, dat voor 'het opsporen van de ordinantiën Gods zoowel moet gelet worden op het geschapen leven in al zijn veelvormigheid, als op de Openbaring Gods, dan rijst de vraag in welke verhouding die tweeërlei gegevens tot elkander staan.

Drieërlei antwoord is hier te geven. Men kan die tweeërlei gegevens volkomen scheiden, door b.v. met de Revolutionaii^e geesteshouding de openbaringsgegevens geheel te negeeren.

Men kan die beide groepen gegevens ook uit •er'lijk verbinden. Zóó doet Rome. De kerk beslist over de regelen, die krachtens de Openbaring zijn vast te stellen, de overige worden aan het goed'vinden der menschen en hun natuurlijk inzicht overgelaten.

Anderen evenwel — en dat zijn de Calvinisten — betoogen, dat het eenzelfde God is, die zich in het leven der volkeren openbaart èn in Zijn Wooixi, . En zoo zal b.v. voor eiken Staatsman zijn kennis van Gods ordinantiën het resultaat moeten zijn van degelijke kennis der volkeren èn grondige kennis van Gods Woord, beide niet dualistisch naast elkander gedacht, maar in zijn denkenden geest, onder de controle van zijn geweten en onder den invloed van zijn geloof, tot hoogere eenlieid van inzicht saamgesmolten. En van de mannen van wetenschap, kunst, bedrijf enz. geldt mutatis mutandis hetzelfde.

Voor hel verkrijgen van zuivere kennis van Gods ordinantiën voor het leven, vraagt, eischt Kuyper dus de onderlinge doordringing van de gegevens, die Gods Woord biedt en die, welke de nauwkeurige kennis van het leven van mensche, n en dingen aan de hand do, et.

Deze methode is verreweg de moeilijkste. Maar zij is alleen in overeenstemming mföt de grondgedachte', het grondfeit van het Christendom, n.l. „de menschwording van den Zone Gods", de Vleeschwordïng des Woords. Daarin is immers gegeven, dat het Goddelijke niet boven ons zweeft, maar zich naast het geschapene plaatst en in het leven ingaat, gelijk dit door de zonde werd, om het te doordringen en te adelen.

Zooals gezegd is deze methode vanzelf ook de methode om de wetten der levenskringen te leeren kennen om aldus het eigensoortig karakter der kringen zelf in heldere kennis te grijpen. Dit is eenvoudig een voor de hand liggende gevolgtrekking uit het boven besproken inzicht.

Toch behoeven we ook nu niet met een consequentie van een algemeene stelling tevreden te zijn. Kuyper heeft zich n.l. nog afzonderlijk en rechtstreeks over de wijze van de verwerving der kennis o, mtrent de levenskringen uitgelaten.

Na de verschijning van zijn magistrale rede „Souvereiniteit in eigen kring", werd Dr Kuyper n.l. gewikkeld in een polemiek met Dr AUard Pierson juist over deze kwestie. ^^} Dr Pierson besprak die rede in een feuilleton van het Handelsblad en merkte toen o.a. op „Al mocht — wat ik gaarne zien zal — de hoogleeraar er in slagen, het schriftviurlijke en kalvinistiscih karakter zijner beweringen in het helderst licht te stellen, dan blijf ik het nog treffend vinden dat Dr Kuyper in deze Inwijdingsrede, in dit eerste manifest der Vrije Universiteit, geen enkele opzettelijke poging heeft gedaan om de hoofdstelling: Souvereiniteit in eigen kring, uit Bijbel of Institutio, allerminst om haar alleen daaruit af te leiden; maar integendeel, ik zeide waarlijk bijna: als een gewone rationalist, die stelling vindt alleen, door dialektiek."

Hierop nu antwoordde Kuyper (ik neem alleen over, wat voor de kwestie, die we thans bespreken, van belang is): „Maar ook die andere bewering (dat misschien wel de absolute en overgedragen totaal-Souvereiniteit maar niet de „Souvereiniteit in eigen kring" op Gods Woord is gegrond) zal de recensent, naar wc meenen, niet kunnen staande houden, deels omdat Dr A. Pierson een eisch voorbij ziet ons door die Schrift zelve gesteld, deels omdat hij niet las, wat uit de Schrift ook voor dit deel van bet betoog genomen werd.

Gods Woord gebiedt ons: „Heft uwe oogen omhoog en ziet wie alle deze dingen geschapen heeft", en in het Nieuwe Verbond: „Gods onzienlijke dingen worden van de schepping der wereld aan, uit de schepselen verstaan ea doorzien". Ik houd mij dus wel terdege aan de Schrift, indien ik de onzienlijke dingen, die achter het leven liggen, uit de schepselen zelf poog te leeren kennen. Om te weten dat er zon, en maan is en starren zijn, , sla ik geen bijbeltekst op, , en zoo ook om te weten, of het leven eenvormig of geschakeerd is, lees ik niet m de Spreuken, maar zie ik door mijn venster het leven in. Calvijn waarschuwt uitdrukkelijk, dat men de Schrift tooh niet in de plaats van het leven stelle, en noemt de Sclmft veeleer een bril, dien men opzet, om de werkelijkheid van liet leven beier te verstaan.

Welnu aan dien eisch van Sclirift en Institutie hield zich de Inwijdingsrede stipt. Het leven, Gods heerlijke, rijke schepping werd 'begluurd, , ©n nu aan de Schrift getoetst, of de signatuur van dit leven juist gevat was. Eerst in den aanivang op blz. 11, door het beroep op het lêiov rayjua lo"), waar heel het denkbeeld in lag. Daarna op blz. 13, waar geheel de tegenstelling geresumeei-d wordt in die van geloof aan of verwerping van de Heilige Schrift. Voorts op p. 15, waar Jezus' opb-eden als het pon e e ren van den levenskring met eigen souvereiniteit werd beleden. Dan op blz. 17, waar de doorwerking van dit beginsel en zijn redding uitsluitend aan de genadewerking van den ten hemel gevaren Messias wordt toegeschreven. En eindelijk, wat de deur dicht doet, op blz. 28, waar door den redenaar niel slechts met zoovele woorden verklaard wierd, dat hij het beginsel van Souvereiniteit in eigen kring voordroeg, „naar de Schrift di t ei s ch t e en C a 1 v ij n er ons in voorging"; maar ook met nadruk beweerd' is, dat dit beginsel niet maar a posteriori met de Schrift gedekt werd, maar „uit het hart den Schrift gegrepen was"; en nu voorts door hem gewezen werd: 1. op het hoofdbeginsel der gansche Schrift, d.i. het geloof, als wortel aller vTijheden; 2. op twee feiten uit het Oude Testament, het ééne poneerend: Davids koningskeuze, en het andere verwerend: Elia's optreden tegen Achab; en 3. op twee voorbeelden uit het Nieuwe Testament: a. in poneerenden zin op Jezus' muntspreuk, en b. verwerend op Petrus voor den Joodschen Raad.

En wat nu de Institutie aangaat, zoo' zij vooreerst opgemerkt, dat als de zaak met de Schrift is afgedaan, geen Gereformeerde nog een bero^ep op de Inslitulie eischen zal. Maar ten overvloede, als om ook hen tegemoet te komen, die nog altijd maar dit valsche begrip van Gereformeerd niet kunnen afleggen, heeft de redenaar er wel terdege op gewezen, dat Calvijn in zijn Institutie met klem de theorie der m a g i s t r a t u s 1 n f e r i o r e s heeft ontwikkeld; en voorts liever dan veel te citeeren (wat in zulk een rede toch niet aanging), gewezen op de twee machtige resultaten van het Calvinisme: 1. op zijn presbyterialen kerkvorm!, en 2. op het feit, dat de vrijheid die in alle Roomschie en Luthersche landen onderging, in de Gereformeerde landen het krachtigst stand hield....

„Ook in wat Dr A. Pierson over het gebruik der dialectiek zegt, zal revisie van zijn te haastig oordeel noodig zijn. Blijkbaar toch stond hem bij het schrijven van zijn opstel min helder vo, or den geest, welke beteekenis de Gereformeerde Dogmatici steeds aan deze operatie van ons denkvermogen hebben toegekend.

Nooit toch hebben onze knappe ko, ppen de dialectiek ter deure uitgewezien, en hoe zuiverder onze knapste denkers zich aan de Gereformeerde lijn hielden, hoe krachtiger ze zelfs voor bet onmisbare van deze operatie zijn opgekomen. Dit opkomen voor het openhouden van de oommunicatie tussch'èh "gèl'O'óyeh en welêli is'jüiM'ëSti d^ kenmerken van de Gereformeerde wetenschaptegenover Mysticisme, Methodisme en Criticisme. Zie vooral Spanheim in zijn Vrndiciae Ev., IH 198-201.

Ter toelichting en ter voorkomin, g vani varder misverstand, zij daarom nog kortelijk herinnerd; dat onze goede Gereformeerde dogmatici steeds in den navolgenden, aan Professor De Moov oinüeenden, zin het recht der menschelijk e rede hebben verdedigd.

„Ten 'eerste in bedien enden zin, a. voor het blekken uit stellige gegevens van wettige maar vei< zwegene consequentiën; b. voor het opmaken van die resultaten die men verkrijgt door de verschillende openbaringsfeiten in hun organisch verband te doorzien; en c. voor het nader toe'lichten en uitbreiden vaji onze geopenbaarde kennis, door te letten op den gang der geschiedenis van anderie wetenschappen.

„En ten tweede in on af ban kei ij ken zin: a. als instrument ter bewijsvoering voor dlie stellngon, die wel de Schrift ons toont, maar die ook uit de natuur of uit de denkwet, ten deele of nader kunnen bewezen worden; b. als instrument ter weerlegging van valsche Ojpiniën, die door de rede Ointleed en vernietigd kunnen worden.

, , En ten derde in ac com o datieven zin, zoo dikwijls men optreedt voor een gehoor, dat niet op den bodem der Schrift staat, en dus door andere bewijsvoering moet overtuigd worden."

Als principium, d.i. als broai van kennis omtrent God en goddelijke dingen is de rede steeds en onverbiddelijk bestreden; maar als „hand en oog" om het ons aangebo'dene op te nem'en en te doorzien, js ze steeds met klem en kracht gehandhaafd.

Desverkiezend kan men, indien men 'Op ons getuigenis niet wenscht af te gaan, hierover nazien behalve Spanheim, dien we reeds noemden, G a u s s e n, Tlies. Theol. inaug. p. 379 sq. het Jud. Eccl. over Ro, ëll, van de Leidsche faculteit, waarin toen zaten Spanheim, Trigland en a Marck; en voorts De Moor in zijn bekemdö Co, mmentaar, Tom; . I p. 91 v.v.

En dit , gold dan, let er wel op, no, g slechts uitsluitend en rechtstreeks de Theologie, terwijl do inwijdingsrede, die Dr Pierson critiseerde, niet een theologisch, maar een sociaal onderwerp behandelde; een materie dus, waarbij het principium unicum est Sacra Scriptura, in dien volstrekten zin nooit door onze Gereformeerde vaderen beweerd is.

Toetst men nu aan deze overwegingen de geincrim eerde rede, dan zal men beviniden: a. dat ze gehouden werd voor een gemengd pubhek, en dus minstens ook bea-ekend moest zijn op hoorders., aan wie het tot onze smart, evenals aan Dr Pierson, „natum-lijk volkomen onverschilhg was of iets met de Schrift al dan niet streed"; b. dal ze een onderwerp behandelde, niet van rechtstreeks godgeleerden inhoud; c. dat alle gronidstellingen, waarvan de rede is uitgegaan, genomen zijn uit de Schrift; d. dat ze toegelicht zijn met gegevens van het leven;

e. dat ze verdedigd zijn met de resultaten van andere wetenschappen; f dat er wettige gevolgen uit zijn getro, kken; eo g. dat deze wettige gevolgen in logisch verband zijn gezet.

Neemt men derhalve ©enerzijds de eischen voor de behandeling van zulk een - onde^rwerp doior onze Gereformeerde corypihaeën gesteld, en anderzijds het hier, in deze rede, gebodene, dan zal men bevinden, dat de Inwij'dingsrede dezer Gereformeerde Universiteit stipt beantwoorft aan de eischen, die haar door de Gereformeerde Methodologie gesteld waren." Wij hebben heel dit lange citaat o, pgeno.mea Uiteraard is het zeer weinig bekend. En juist in deze, vo'or de verdere ontwikkeling van de leei' der „souvereiniteit in eigen Imng" zoo uiterst belangrijke kwestie der methodologie, is het goed Dr Kuyper zelf te hooren.

Slot.

We zijn hiermee aan het einde geko'men van onze bespreldng van Kuypers gedaohten en ber schouwingen, die hij aanduidt met den naam „souvereiniteit in eigen kririg."

, Wie in deze gedachten en beschouwingen is doorgedrongen, zal aanstonds toegeven, dat Kuypers levensworsteling voor een groot deel niets anders is geweest dan een weer tot erkenning trachten te brengen van deze „souvereiniteit". Als hij zich uitp'ut om de grenzen tusscihen Kerli en Staat, tusschen Staat en Maatschappij, tusschen het velerlei leven en de velerlei levensinstituten binnen de Maatschappij als gezin, school, we't'enscha, p', kunst, bedrijf enz. op te sporen en in het leven en deuken der menschen te doen erkennen — wat is dat dan anders als een stiijid voor de eerbiediging van die eigensoortige „souvereiniteit", met alles wat daarin en daarachter ligt? Wie Kuypers werken kent, weet, hoe een groot deel van zijn p'Ublicaties aan de bespreking van deze 'en dergelijke pro, blem, en is gewijd. j

En de kern, het hart, de bron van deze leer van I . ^ - . • • ' " " ' ^ ^

< i« „souvemniteit in eigen kring" is de geloofsvisie van Kuyper op die veelkleurigheid, de veelvormigheid, de veelsoortigtieid van het door God geschapen leven, in heel zijn omvang.

„God schiep soorten van wezens. Een star heel anders dan een engel; een waterstroom heel anders dan een bliksemstraal; ijzer anders dan leem. Niet dus door de eenvormigheid van den chaos, maar door de rijke veelvormigheid van het in soorten ingedeelde leven, loopt Gods weg. Zelfs elke boom en elke plant schiep Hij „zaad zaaiende naar zijn aard". En opdat alzoo elk wezen zijn eigen aard en elk soort haar bdzondere natuur zou laebben, is God de Heere scheidend opgetreden; heeft Hij, wat eerst vermengd was, uiteengetrokken ; en heeft Hij aan alle ddng zijn grens en perk gesteld. Vandaar in het Scheppingsverhaal die telkens herhaalde formule: „E, n God ma akteschei ding". Scheiding tusschen licht en duisternis; scheiding tusschen wateren en wateren; scheiding tusschen de zee en het droge; altoos scheiding! Niets mag omgeordend, niets vermengd blijven. Zelfs in den mensch mag er geen vermenging zijn van tweeërlei leven, en dies treedt in Eva niet een dupUcaat van Adam, , maar een andere soort naast Adam hem ter Iiulpe" „Maar hiermee is niet genoeg gezegd. Immers Hij die scheidingen stelde, heeft ook verbindingen verordend. Creatum- staat niet naast creatuur buiten verband of aanraking. Veeleer moet er verband zijn; zoo echter dat ook dit verband niet willekeurig zij en er buiten, 'God om komfe, maar eeniglijk naar en krachtens Gods ordinanüe. Hij die de grenzen insneed, weefde ook den band|, die het gescheidene hechten zou. Het zou al uitdruksel van zijn hoog gebod zijn, èn in zijn deeling èn in zijn hechting", i"!)

Helaas heeft Kuyper ons niet nagelaten een saamvattende, geheel uitgewerlde, tot in de finesses afdalende en naar streng wetenschappelijke methode opgebouwde studie over de leer der „souvereiniteit in eigen kring". Wat hij gaf zijn sclütterende, levendige fragmenten, geboren in den prtacipdèelen strijd, geridht op de practijk, die ons omtrent de gronddenkbeelden niet den minsten twijfel laten, maar die juist door hun fragmentarisch karakter de mogelijkheid van oneffenheden en van niet door het grondbeginsel beheerschte gedaditen en beschouwingen openlaten. "2)

Aan de echte leerlingen van Kuypier bleef de taak om in getrouwheid aan het gronddenkbeeld en consequent toepassend het methodologisch principe, de wonderrijlie leer van de „souvereiniteit in eigen kring" in haar diepe, kosmologische beteekenis opnieuw door te denken, verder uit te werken en nog consequenter toe te passen tot bloei van het gereformeerde, d.i. aan Gods wet gehoorzame, leven en zoo ook toit bloei van de gereformeerde wetenschap.


1) Aldus typeerde Dr Kuyper zelf zijn taak van den 20sten October 1880. Zie: Souvereiniteit in eigen kring, Amsterdam, 1880; pag. 5. 2) Ons Program (met bijlagen), Amsterdam, 1879, pag. 67.

3) Souvereiniteit in eigen kring; pag. 9. 4) Locus de Deo, pars prima; pag. 417. Vgl.: Het CalviM nisme, oorsprong enz., Amsterdam, 1874, pag. 50; Ons Programi§ enz., pag. 66 v.; Souvereiniteit in eigen kring, pag. 9; Défi, Gemeene Gratie, I, pag. 82 v.; Locus de Magistratu, pag. 1? S^ AntircvolutiotMire Staatkunde, I, pag. 262. NJ^".-"^ 5) Locus de Deo, pars prima, p. 417. \ 6) De Gemeene Gratie, III, p. 13/14; Het Calvinisme, p. 68\ • 7) De verflauwing der grenzen, Amsterdam, 1892, p. 8. Dt|| Kciyper gaat uit van het praedicaat „Hamabdil", dat God irisiden bijbel aan zichzelf toekent. Letterlijk: de Scheiding- • maker. Zie ook: noot 14, p. 68. 8) Voor deze en voorgaande citaten, zie: „IJzer en Leem", Amsterdam, 1885, p. 11, 12 vgl., p. 26. 9) De verflauwing der grenzen, p. 17.

10) Idem, p. 17. 11) Souvereiniteit in eigen kring, p. 9. VgL: Ons Program, enz., p. 70 v.v. Zie deze plaatsen ook voor het volgende. 12) 5'. i. e. kr., p. 10.

13) E Voto Dordraceno, I, p. 325. 14) Idem, p. 326. 15) Idem, p. 320. 16) Idem, p. 279. 17) Idem, p. 282.

18) Idem, p. 286. 19) S. i. e. kr., p. 35. 20) Wij hebben wat uitvoerig de visie van Kuyper op i'.et koningschap van Jezus Christus weergegeven. Kuyper doet dit zelf ook in zijn klassieke oratie over de „souvereiniteit in eigen kring". Men zie nog p. 13 „'Wie leeft uit de Openbaringssfeer (en in die sfeer consequent leeft), belijdt vanzelf, dat alle Souvereiniteit in God rust en dus alleen uit Hem kan vloeien; dat die Souvereiniteit Gods in volstrekten zin en ongedeeld op den mensch-Messias is gelegd; en dat, onder dezen tot Souverein gezalfden Mensohenzoon, daarom 's menschen vrijheid is, omdat, met den Staat, ook elk ander levensgebied een uit Hem afgeleide hoogheid kent, d.i. Souvereiniteit bezit in eigen kring." En pag. 18, waar Kuyper betoogt, dat de leus „Souvereiniteit in eigen kring, onder Jezus' souvereine hoogiheid!" tenslotte de broederkring van geestverwanten bijeenhield, wat anders ook verdeden mocht.

Bovendien geldt nog altijd wat Kuyper schreef: „Steeds openbaarde zich onder de belijdende Ghristenheid zekere neiging, om aan de waarachtige menschelijke natuur en het waarachtig menschelijke karakter van Jezus' optreden, Jezus verschijning en zelfs van zijn wezen te kort te doen." (De Gemeene Gratie, II, 187.)

Niet altijd evenwel drukt Kuyper zich over deze kwestie op gelijke wijze uit. Zooals vanzelf spreekt heeft hij, toen hij breed het leerstuk van de , £emeene gratie" behandelde, ook weer met het probleem der Ghristusregeering geworsteld. Sterk verzet hij zich dan tegen de opvatting, alsof, na Jezus' hemelvaart, de Vader zelf zou hebben opgehouden zijn Goddelijke heerschappij uit te oefenen, zoodat de creatuur in hemel en op aarde, en dus de ovenheid op deze wereld tot den oordeelsdag niet meer met den Drieëenigen God, maar uitsluitend met Christus te rekenen had (Gemeene Gratie, III, p. 274 V.V.). Ieder gereformeerde zal met de afwijzing van deze voorstelling van harte meegaan — maar welk gereformeerd belijder dacht of denkt aan zoo iets?

Kuyper is deze moeilijkheid niet te boven gekomen, 'n Oplossing vond hij toen niet. Hij schrijft immers deze zeer merkwaardige woorden: „Toch veriielen we ons niet, dat hiermede het klare inzicht in de hier geldende verhoudingen nog niet verkregen is. Het koningschap van den Verlosser behoort tot die ingewikkelde leerstukken, die nog nimmer scherp genoeg ontleed zijn; en het is opmerkelijk, hoe onze Geloofsbelijdenis wel breed het priesterlijk ambt van den Middelaar uiteenzet; maar over zijn koninklijk ambt nagenoeg zwijgt. Men kan alzoo niet zeggen, dat onze kerken reeds tot genoegzaam helder bewustzijn zijn gekomen omtrent de beteekenis der woorden, dat alle macht in hemel en op aarde aan Jezus is gegeven, omtrent zijn zitten ter rechterhand Gods, en omtrent het overgeven van het koninkrijk aan God en den Vader in de voleinding der eeuwen.... TOEJUICHING ZAL DAAROM ELKE POGING VERDIENEN, DIE ER NAAR STREEFT OM DIT INGEWIKKELDE LEERSTUK DOOR NAUWKEURIG SCHRIFTONDERZOEK EN DOGMATISCHE SYNTHESE TOT MEERDERE HEL­ DERHEID TE BRENGEN." Kuyper wil er niet van weten de macht van den Middelaar te beperken tot geestelijke invloeden op de harten der geloovigen. „Niets, niets wat voor de voleinding van het Koninkrijk der hemelen onmisbaar is, is den Middelaar onthouden. Hem is dit alles gegeven, in hemel en op aarde, geheel onverschillig of het enkele personen dan geheele volken, natuurkrachten of engelen betreft; maar zulks altoos in dien zin, dat dit alles instrumenteel dienst doe, om het Koninkrijk der hemelen te doen komen; en wel zoo, dat de Zoon des menschen de uitwerking altoos afbidt van de Almachtigheid Gods, waarin Hij zelf als de Zone Gods deelt." (Gem. Gratie, III, 280/1.)

Gelijk men ziet is de nieuwe bezinning omtrent de beteekenis van het Koningschap van den Christus en de verhouding daarvan tot de „gemeene gratie" E VOTO KUYPERIANO. Vergelijk voor dit vraagstuk: Locus de Magistratu, p. 186 v.v.; Pro Rege, vooral I, 277 v.v.

21) Over een deel van het geschapene „want de Souvereiniteit Gods over wat boven is valt buiten 's menschen bereik, en over de natuur buiten 's menschen macht, en over het lot buiten 's menschen sdiikking"; zie 5'. i. e. kr., p. 9. 22) Ons Progranij enz., p. 198. 23) Souvereiniteit in eigen kring, p. 13.

24) Kuyper verstaat in dit verband onder maatschappelijk leven „alle leven, dat zijn impuls niet van den Staat ontvangt: t.w. het huisgezin, de Kerk, de plaatselijke gemeente, handel, nijverheid, wetenschap, kunst en wat dies meer zij." Ons Program enz., p. 300. -"^ü> -^^--.Prp_gram (met bijlagen), p. 300/1.'

26) Idem, p. 198. 27) Idem, p. 301. 28) Idem, p. 199. 29) De Gemeene Gratie, III, p. 91. 29a) Ons Program enz., p. 1267/8. 30) Zie b.v. Art. in „De Standaard" van 5 en 6 Febr. 1873 (Art. III en IV van een serie over „de Grenzen der Staatsmacht"). Ons Program (met bijlagen), p. 216.

Art. in „De Standaard" van 7 Jan. 1876 (art. IV van een serie over: „Afsnijding van elk verband met de eeuwigheid"). Ons Program (met bijlagen), p. 300. Verder: Ons Program (met bijlagen): Tweede Hoofdstuk, „Het gezag", p. 68 v.v.; Vijfde Hoofdstuk, „Geen „Etat Athée", " p. 198/9; Veertiende Hoofdstuk, „Justitie", III, p. 752; Ten Besluite, p. 1268.

Het Calvinisme, oorsprong enz., p. 6. Niet de vrijheidsboom vtaar het kruis, 1889, p. 17. Openingswoord ter Deputatenvergadering, 29 April 1897, p. 7. Het Calvinisme, derde lezing: „Het Calvinisme en de Staatkunde", p. 79.

Wij, Calvinisten, p. 22. Heilige Orde, p. 18. Antirevolutionaire Staatkunde, I, p. 263 v.v. 31) Art. in „De Heraut" van 9 Febr. 1879, No. 62 (No. III van een serie: Artikel 36 der Gereformeerde belijdenis). Vgl.: „Ons Program" enz., p. 1149. Souvereiniteit in eigen kring, p. 9 v.v. De Gemeene Gratie, III, p. 91. Het Sociale Vraagstuk en de christelijke religie, p. 35.

32) Ons Program, enz., p. 215. 33) Ons Program, enz., p. 71. 34) Het Calvinisme, p. 84. 34a) Ons Program, p. 72. 35) Ons Program, p. 198, 215/6. 36) .? . i. e. kr., p. 14, 19, 20; Het Calvinisme, p. 81/2. 37) S. i. e. kr., p. 12.

38) Ons Program enz., p. 199/200, 216, 301/2; Het Sociale Vraagstuk enz., p. 77, noot 102. 39) Ons Program, p. 200/1; Het Sociale Vraagstuk enz., p. 40; Het Calvinisme, p. 85. 40) Ons Program, p. 199, 300 v.; De Gemeene Gratie, III, p. 91; Het Calvinisme, p. 82/85.

Over de verhouding van de „souvereiniteit in eigen kring" en , , , ' „Constitutie" zou nog heel veel te zeggen zijn. Kuyper Vöfctoogt, dat een echte Constitutie en dus een zuiver constitutioneele regeering alleen mogelijk is, viraar het recht der eigen kringen wordt erkend. Men leze de schitterende serie artikelen „Constitutioneel" in „Ons Program" enz„ p. 298 v. 41) Ons Program, p. 71. Deze onderscheiding gaat niet overal op. Men denke aan het gezag der ouders in het gezin en van het hoofd in een bedrijf, dat is wel degelijk bewust. Kuyper corrigeert zichzelf dan ook in dezen. Men zie beneden. 42) Ons Program, p. 199.

43) Uitvoeriger op deze kwestie ingaan, waag ik niet. Dat zou beteekenen een gaan op het voor een leek zeer doomige veld der juridische onderscheidingen. Men zie hierover ook:

Ons Program, p. 749 v.v. 44) S. i. e. kr., p. 12, 20. 45) Idem, p. 19. 46) Het Calvinisme, p. 67 v.v. 47) Idem, p. 79. 48) Idem, p. 82. Kuyper onderscheidt ook nog tusschen een patria potestas (vaderlijke macht) in de schepping gegrond en een potestas magistralis (heer-lijke macht) gegrond in de Gemeene Gratie. Locus de Magistratu, p. 171 v.v. 49) Ons Program, p. 216.

50) Zie: S.i.e.kr., p. 16, 17. Kuyper zegt dit ook in: Ons Program, p. 300. Ik herinner mij niet deze uitdrukking letterlijk bij Groen te hebben gevonden. Tijd om dit na te gaan heb ik niet. Wel vinden we bij Groen een uitspraak als deze: „Omtrent het punt, in dezen brief door Gunning vermeld (n.l. de verhouding van Kerk en Staat CV.), ben ik mede orthodoxdiscipel van Calvijn, op grond der H. Schrift. Een citaat uit een mijner adviezen (3 Dec. 1851) zij mij, ten bewijze, vergund. „Men hoort veel gewagen van scheiding van Kerk en Staat. KERK EN STAAT ZIJN ONAFHANKELIJK IN EIGEN KRING, ZOODAT NOCH DE KERK ONDERWORPEN ZIJ AAN DEN STAAT, NOCH DE STAAT AAN DE KERK"." Ned. Ged. III, p. 40. Adviezen II, 1857, p. 268. 51) De volgende citaten zijn te vinden op p. 68, 79, 93. 52) p. 13. Vgl.: Ons Program, p. 300: „maar in dat rijk is een andere de levenskring van den Staat". 52a) 6". i. e. kr., p. 11.

53) Wat de kring van den persoon betreft, zie men nog: Het Calvinisme, p. 94: „Reeds in het tweede gedeelte van deze lezing wees ik er op, dat de ontwikkelde mensch ook een persoonlijke levenssfeer bezit, met souvereiniteit in eigen kring." De consciëntie wordt op de eene plaats (Ons Program, met bijlagen, p. 161) naast de souvereine levenskringen genoemd, op een andere plaats er toe gerekend, (p. 1149). 54) S. i. e. kr., p. 15, vgl. p. 12, 28. 55) Zie voor deze drie resp.: .S. i. e. kr., p. 11; Ons Program, p. 215 en S. i. e. kr., p. 11.

56) Hier volgt een overzicht van de kringen, zooals Kuyper die in verschillende jaren, in verschillende publicaties heeft gegeiven. In de vijf kolommen vindt men achtereenvolgens de opsommingen van 5 Febr. 187S (Ons Program, p. 214); S2 Jan. me (Ons Program, p. 300); Hoofdstuk IV van Ons Program, 1879, (p. 199); Souvereiniteit in eigen kring, 20 Oct. 1880; Het Calvinisme (1898), p. 79 v.

Ook ZOO is de opsomming nog niet volledig, men zie b.v.: Antirev. Staatk., I, p. 262 v.v.

57) Ons Program enz., p. 214/5. 58) Kuyper spreekt met opzet van „persoon". „Niet de mensch als mensch, eerst de persoon gewordene heeft een eigen levenskring, met de conscientie tot middelpunt en dies met zekere mate van souvereiniteit en onschendbare vrijheden". Zie: „Ons Program" enz., p. 214. 59) Ons Program enz., p. 215. 60) Het Calvinisme, p. 84. 61) j-. i. e. kr., p. 12.

62) 5'. i. e. kr., p. 14; Het Calvinisme, p. 79 v. 62a) Het Calvinisme, p. 84. 63) Voor de beteekenis van het woord Maatschappij op deze plaats, zie: noot 24. 64) Ons Program, p. 300. 65) Het Calvinisme, p. 79. 66) Het Calvinisme, p. 80. 67) Ons Program, p. 300.

67a) Het Calvinisme, p. 135, 137. Men lette er op, .bij wat boven en in het volgende citaat door Kuyper wordt gezegd, dat hij steeds van levensUITINGEN spreekt. Hieruit vloeit voort, dat naar Kuyper's meening onder of achter die levensUITINGEN een bron, een kern, een wortel ligt, waaruit die levensuitingen te voorschijn komen, waaraan ze ontspringen. Dit is dan het HART, .het CON­ CENTRATIEPUNT van den mensch en aangezien de mensch het middelpunt is van heel den kosmos, ook het concentratiepunt van gansch het kosmische leven. Kuyper spreekt van een PUNT, „waar ons leven nog ongedeeld bleef en nog in zijn eenheid Hgt saamgevat, niet in de gespreide stengels, maar in den WORTEL, waarop alle stengels uitschoten". Het is het „punt", waar het gemoed „zich voor den Eeuwige ontsluit", „waar alle stralen van ons leven in één brandpunt samenvallen". Het is de „BRON, van waaruit de verschillende stroomen van ons mensdielijk leven opkomen en zich verdeelen". Dat punt „kan niet anders liggen dan in de tegenstelling tusschen al het ehidige in ons menscheUjk leven en het oneindige dat er achter ligt" (Het Cakinisme; p. 14). „Maar gelijk heel de schepping culmineert in den mensch, kan ook de verheerlijking haar voleinding eerst vinden in den mensch, die naar Gods heeld geschapen is; niet omdat de mensch die zoekt, maar omdat God zelf de eenige wezenlijke religieuse expressie door het semen religionis (zaad der religie), alleen in ihet HART des menschen insohiep. God zelf maakt den mensdi religieus door den sensus divinitatis (gewaarwording van het Eeuwige), die Hij spelen laat op de snaren van het hart (idem p. 39/40). Verder spreekt Kuyper (zie .beneden) van den MYSTIEKEN WORTEL van ons aanzijn (p. 135) den STAM van ons leven (id.). Altemaal uitdrukkingen, die wijzen op het feit, dat er ten slotte in het menschenleven een centrum is, van waaruit het menschenleven zidi ontplooit en wordt 'beheerscht.

68) Het Calvinisme, p. 80. 69) 0»w Program, p. 214.

70) Het Calvinisme, p. 81. 71) i'. i. e. kr., p. 17. 72) Wem, p. 17. 771) De Verflauwing der grenzen, p. 45, 49. 74) Locus de MagistraUi, p. 182.

75) Ons Program, p. 98. 76) Het Calvinisme, p. 60. 77) Ons Program, p. 68. Cursiveering hier en vervolgens van mij. C. V. 78) Mem, p. 214. 79) Idem, p. 215. 80) Mem, p. 301. 81) S. i. e. kr., p. 11, 12. 82) Idem, p. 22. 83) Het Calvinisme, p. 84. 84) Ons Program, p. 216.

85) 6-. i. e. kr., p. 22, 14. 86) Ons Program, p. 302. 87) Plet Cahnmsme, p. 60/61. 88) Ons Program, p. 301. 89) Idem, p. 69.

90) Idem, p. 215. 91) 6'. i. e. kr., p. 11. 92) Het Calvinisme, p. 79.

93) Idem, p. 82 v.v. 94) Ons Program, p. 71/2. 95) Idem, p. 70/71.

96) i'. i. e. kr., p. 12. Het Calvinisme, p. 82. 97) Ons Program, p. 98/99. 98) Men zie voor 'het volgende een schitterende serie artikelen over: „Ordinantiên Gods", eerst verschenen in „De Standaard" van Oct. en Nov. 1873. Later opgenomen in „Ons Program" (met bijlagen), p. 116—129.

99) Zie „De Heraut", No. 156 en volgende, Dec. 1880.

100) ÏSiav zdyfia. Zinspeling op 1 Cor. 15:23: "E^caaroa de h zq> tSlqi rdy^ian. Statenvertaling: „Maar een iegelijk in zijne orde"; Prof. Grosheide: „Maar ieder in zijne eigen orde." Paulus wil met deze woorden zeggen, dat Christus en de zijnen op hun eigen (verschillende) tijd worden levend gemaakt; eerst Christus (bij zijne opstanding), daarna de geloovigen (bij Christus' wederkomst). 't Is zeker niet verantwoord, dat Kuyper met dezen tekst wil bewijzen, dat er in het menschelijk leven een veelheid van levenskringen 'bestaat, zooals hij in: S. i. e. kr., p. 11, doet.

101) User en Leem, p. 11/12. 102) Ik moge hier wijzen op een uitspraak van Ds J. G. Woelderink, te vinden in zijn fijne artikelenreeks „Natuur en Genade", versöhenen in „De Waarheidsvriend", Juli-Nov. 1936. Ds Woelderink, Kuyper's leer van de Souvereiniteit in eigen kring besprekend, merkt o.a. op (27e Jaarg., No. 49, 5 Nov. 1936): „Het zou het probleem van de verhouding van Staat en Kerk zeker vereenvoudigd hebben, indien Dr Kuyper de vragen, die hier rijzen, immer en uitsluitend beschouwd had in het lioht van die geniale stelling, die hij zelf met zulk een kracht naar voren heeft gebracht, n.l. de stelling van de souvereiniteit in eigen kring Geen oogenblik is het thans onze bedoeling om den ontzaglijken arbeid, die Dr Kuyper hier verricht heeft, te verkleinen, maar waar wij thans over natuur en genade handelen, mag toch niet verzwegen, dat Dr Kuyper verwarring heeft aangebracht in zijn eigen werk door het dualisme, dat Rome gesteld heeft tusschen natuur en genade, nog eenigermate aan te houden. Enkele voorbeelden willen wij daarvan geven.

In de Gemeene Gratie, deel 3, pag. 202, zegt hij, dat de Overheid op het erf der gemeene gratie staat, terwijl in de Kerk van Christus de particuliere genade werd belichaamd. „Al het verschil derhalve, dat tussohen deze beide vormen der genade gaapt, stelde Overheid en Kerk als aan elkanders leven vreemd tegen elkander over, en overmits dit verschil principieel is en tot den diepsten wortel van beider leven doordringt, moeten zij elkander vreemd blijven tot den einde toe." „Deze woorden geven meer te kennen, dan dat Staat en Kerk ieder van eigen structuur zijn en ieder een eigen taak en bestemming 'hebben. Staat en Kerk worden hier telkens bij Dr Kuyper gezien als uit een versdhillenden wortel op te komen en daarom staan zij tegen elkander over en zijn ze elkander vreemd."

„Hier ligt misschien een der zwakste punten in Kuyper's leer van de gemeene gratie, waardoor deze leer thans door zoo velen aan een nieuw onderzoek en bespreking onderworpen wordt. Dat hij telkens de gemeene gratie hindt aan de natuur en nimmer geheel is los gekomen van de scheiding tussohen natuur en genade, is oorzaak, dat een klove ontstaat tusschen de gemeene gratie en de particuliere genade, welke klove dan tevens de klove is tusschen Staat en Kerk "

„Natuurlijk ontkennen wij niet, dat de Kerk uit de genade is, maar wij verwerpen het dualisme tusschen natuur en genade, waardoor het mogelijk wordt te stellen, dat de eene levenskring uit de natuur en de andere uit de genade is. Wat hier door genade gewrocht wordt is niet wat aan de natuur, aan de oorspronkelijke schepping wordt toegevoegd, maar is vrucht van de verlossende kracht der genade, waarmede zij de natuur, de schepping Gods ontworstelt aan de maoht der zonde en weder Gode heiligt."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 oktober 1937

De Reformatie | 48 Pagina's

SOUVEREINITEIT IN EIGEN KRING.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 oktober 1937

De Reformatie | 48 Pagina's

PDF Bekijken