Parlementaire redevoeringen - pagina 459
BENOEMBAARHEID VAN VROUWEN. kon,457gerechtvaardigdis. Alleen zij er op gewezen, hoe nu juist is wanneer de heeren te beslissen hadden, die dezen morgen het woord hebben gevoerd, zij tegen de benoeming van eene vrouw als burgemeester niet zouden opzien en dat zij dus de vrouw ...
Parlementaire redevoeringen - pagina 460
ZITTING 1903—1904.458 artikelenalzoovanwetdezelfisbevestigd en vastgelegd, zich verzet enopvatting van de wet ingaatdetegenen wikkelt zichmet zich zelvenin allerlei—in allerleite ...
Parlementaire redevoeringen - pagina 458
ZITTING 1903—1904.456kan bestaan tusschen den burgemeester en de leden van den raad; en de heeren, die de vrouw benoembaar achten volgens de Gemeentenietzullenwet,denken,mandatmoetentochmijtoegeven,hetdat ...
Parlementaire redevoeringen - pagina 461
BENOEMBAARHEID VAN VROUWEN.459Daar is meer. Wanneer de heeren op de hoogte leven is. van de jongste literatuur over het feminisme, ik zeg niet hier het land, maar in het buitenland dan zullen zij ook weten, hoe feminisme dezen bodem van het bekleeden van betrekkingen, hetsoci ...
Parlementaire redevoeringen - pagina 462
ZITTING 1903—1904.460Dewoordvoerder van de voorstellers van het amendement heeft als zijn meening uitgesproken, dat, hoewel ik, ingeval eene vrouw tot burgemeester of secretaris zou worden benoemd, verklaard had, dit besluit voor vernietiging te moeten voordragen, mijn geacht ...
Parlementaire redevoeringen - pagina 464
ZITTING 1903—1904.462gebezigd zóó, dat iedereen weet, dat ze slaan op Ik hebooknietmannen en vrouwen.begrepen, hoe de heer Borgesius nog eens voor devraag kon doen in zake het middelbaar onderwijs, met betrekking tot de namen „directeur" en „leeraa ...
Parlementaire redevoeringen - pagina 463
BENOEMBAARHEID VAN VROUWEN.461van bloedverwantschap en zwagerschap spreekt, terwijl de band tusschen man en vrouw onder geen van beide valt, dan kan de geachte spreker nietontkennen,zijnsustenu—hijheeft hetzouongeregeldo ...
Parlementaire redevoeringen - pagina 465
BENOEMBAARHEID VAN VROUWEN,463en gezegd, dat ten dien aanzien de Grondwet van 1887 aan die van 1848 het woord „mannelijk" heeft toegevoegd. Maar de grondwetgever van 1887 was vrij, wanneer hij meende, mettot eenig lidmaatschap of ambt,de oorspronkelijke bedoeling van d ...
Parlementaire redevoeringen - pagina 466
ZITTING 1903—1904.464 Mijnheerde—uitdrukkenNog eenVoorzitter!deafgevaardigde,heernuSmidt,enkelzegt, isWat dewoord.—Iaat mij ditgeachtezoo mogendan eene handi ...
Parlementaire redevoeringen - pagina 469
DE EEDSQUAESTIE.467waarover thans gehandeld wordt, was geheel op dezelfde wijze de In art. 65 en de volgende artikelen, die hier onder denzelfden regel vallen, was eveneens in het eerste lid, geheel conform de vaste usance van dien tijd, eenvoudig geschreven, wet,zaak van den ...