1903 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 144
138De Mutationstheorie van Prof. Hugo de Vries. II. In het eerste opstel werd de theorie van Hugo de Vries behandeld en het merkwaardige verschijnsel, bij Oenothera gevonden, uitvoerig meegedeeld. Zeker is dit voor de algemeene biologie het belangrijkste gedeelte, zoodat het nuttig kan zij ...
1903 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 145
139 afstamming van variëteiten in geen enkel opzicht zekerder dan die van collectieve soorten, enz. De Vries is geheel overtuigd, dat vele lezers zijne nieuwe soorten, juist omdat hij haar ontstaan kon waarnemen, variëteiten zullen noemen. Zij vervallen dan echter in een woordenstrijd, die voor d ...
1903 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 146
140 loopig met alle reserve uit zijne proeven af, en wel daaruit, dat van alle onderzochte soorten tot nu toe maar één zich op deze wijze mutabel heeft getoond. Maar verdere onderzoekingen zijn noodig. Voor de studie der mutaties in de natuur zijn er twee wegen. 1. De directe waarneming, 't opzoe ...
1903 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 147
14:1 mutante zijn uitingen van een enkele verandering. Morphologisch laat zich dit voorloopig nog niet bewijzen, physiologisch volgt 't volgens De Vries noodzakelijk daaruit, dat zulke uitingen steeds samen voorkomen en, zoover de ervaring reikt, niet te scheiden zijn. De Oenothera lata is missch ...
1903 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 148
142 merk betreft geheel gelijke exemplaren kunnen bl] het uitzaaien van de zaden geheel verschillend blijken te zijn. En wanneer, zooals het vaak voorkomt, twee verwante groepen zich alleen in een enkel kenteeken onderscheiden, dan kunnen hunne extreme varianten geheel gelijk aan elkander zijn. E ...
1903 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 149
143 2. dat het wezenlijk alleen van den omvang eener „Aussaat" schijnt af te hangen of zij mutanten bevat of niet; 3. het beperkte aantal van de optredende mutaties. "Wat niet latent voorhanden is, wordt ook niet zichtbaar. Waarschijnlijk is, dat de afzonderlijke latente eigenschappen, die bij mu ...
1903 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 150
144 met hoogstens 84/o (eens maar 15 7o) erfeliikheid is O. elliptica te noemen, die bij zelfbevruchting maar 0,5—15 "/^ elliptica-planten levert en verder zuivere Lamarckiana en de O. sublinearis, wier erfelijkheid maar 10 "/o bedraagt. De oorzaken van dit verschijnsel zijn geheel onbekend. Even ...
1903 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 151
145 erfelijkheid, de rassen die dit vertoonen worden te zamen tussckenrassen resp, halfras en middelras genoemd. Voeding en teeltkeus. Bij de meristische variabiliteit van Bateson geschiedt de fluctueerende variatie naar getallen, Daarbij is het niet het meer of minder optreden van een kenteeken ...
1903 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 152
M6 Uit de genomen proeven bleek: 1. Hoe jonger een plant is, des te grooter is de invloed der uitv^endige omstandigheden op haar variabiliteit, d. i. op de plaats, die hare bijzondere eigenschappen in de variabiliteitscurven van de geheele cultuur of 't ras zullen innemen. 2. In verband daarmee h ...
1903 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 153
147 invloeden hunne werking in den loop van eenige generaties kunnen ophoopen, daar in 't algemeen alleen de beste individuen de beste zaden zullen voortbrengen. De fluktueerende variabiliteit is alzoo een verschijnsel van de physiologie der voeding, terwijl de uitwendige omstandigheden der mutab ...